ECLI:NL:RBAMS:2026:6969

Datum uitspraak
23-01-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
12015639 \ KK EXPL 25-866
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming na vaststellingsovereenkomst. Mondelinge uitspraak.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12015639 \ KK EXPL 25-866

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 23 januari 2026

in de zaak van

WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,

te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: Eigen Haard,

gemachtigde: mr. J.P. Van Oudenhoven,

tegen

1 [gedaagde 1],

te [woonplaats],

hierna: [gedaagde 1],

gemachtigde: mr. S.J. van der Aart,2. [gedaagde 2],

te [woonplaats],

hierna: [gedaagde 2],

niet verschenen,

3. ZIJ, DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN PLAATSELIJK BEKEND TE ([postcode]) [plaats] AAN [adres],

te [plaats],

hierna: zij die verblijven

niet verschenen,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden].

Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.

De zaak wordt behandeld door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, bijgestaan door mr. S.M.P. Mulder als griffier.

Aanwezig zijn:

- [gedaagde 1], met de gemachtigde,

- [naam] (medewerker rechtmatig wonen), met de gemachtigde.

De volgende stukken zijn op de zitting aan het procesdossier toegevoegd:

- actuele specificatie van de betalingsachterstand. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1 De beoordeling

Vonnis op tegenspraak

1.1.

[gedaagde 2] en zij die verblijven zijn niet op de mondelinge behandeling verschenen. Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen hen verstek wordt verleend. Nu [gedaagde 1] wel in de procedure is verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering één vonnis gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak geldt.

Ontruiming

1.2.

Een vordering tot ontruiming is in kort geding toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens zal toewijzen en als de eisende partij een spoedeisend belang heeft bij ontruiming. In een kortgedingprocedure is geen plaats voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten.

1.3.

De vorderingen tegen [gedaagde 1] zijn gebaseerd op een huurovereenkomst en een vaststellingsovereenkomst. Op grond van de huurovereenkomst huurt [gedaagde 1] met ingang van 18 april 2024 van Eigen Haard de woning aan het adres [adres] te [plaats]. De woning is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als woonruimte ten behoeve van een jongere (een persoon die de leeftijd van 18 jaren, maar nog niet de leeftijd van 28 jaren heeft bereikt).

1.4.

Tussen [gedaagde 1] en Eigen Haard is op 3 oktober 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is vermeld dat in de woning op 21 mei 2025 door de toezichthouders van de gemeente [plaats] en de politie een illegale seksinrichting is aangetroffen en dat dit geldt als een ernstige tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde 1] uit de huurovereenkomst die een ontbinding in een mogelijke bodemprocedure en daaraan voorafgaande een ontruiming in een kort geding rechtvaardigt. Verder is in de vaststellingsovereenkomst vermeld dat [gedaagde 1] na sommatie door Eigen Haard heeft geweigerd om de huurovereenkomst op te zeggen, dat Eigen Haard in kort geding ontruiming heeft gevorderd en dat [gedaagde 1] zich voor juridische bijstand heeft gericht tot zijn gemachtigde.

1.5.

In artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat partijen zijn overeengekomen dat de huurovereenkomst wordt beëindigd per 1 januari 2026 (de Einddatum). Tot de Einddatum zal [gedaagde 1] blijven voldoen aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, waaronder het tijdig voldoen van de volledige huur, hoofdverblijf houden in de woning, niet de bestemming wijzigen en geen overlast veroorzaken. Als [gedaagde 1] zich niet houdt aan deze verlichtingen wordt de Einddatum vervroegd en vastgesteld op de eerste dag van de daaropvolgende maand (artikel 3). Als [gedaagde 1] niet op of voor de Einddatum de woning heeft ontruimd, is hij – zonder dat een ingebrekestelling en/of rechterlijke tussenkomst is vereist – een direct opeisbare boete verschuldigd van

€ 250,00 per dag dat hij in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,00 (artikel 4).

1.6.

[gedaagde 1] heeft op de zitting verklaard dat hij kort na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst andere woonruimte heeft gevonden voor zichzelf. Hij heeft de woning toen tijdelijk ter beschikking gesteld aan [gedaagde 2] en diens gezin, maar die hebben de woning nog niet ontruimd ondanks een verzoek daartoe, zo verklaarde [gedaagde 1].

1.7.

Eigen Haard heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde 1] hiermee niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Omdat [gedaagde 1] eind oktober 2025 de woning heeft onderverhuurd is op grond van het bepaalde in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst, de huurovereenkomst geëindigd per 1 november 2025. De vordering tot ontruiming tegen [gedaagde 1] wordt daarom toegewezen.

1.8.

De vordering tot ontruiming tegen [gedaagde 2] en zij die verblijven komt niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom eveneens toegewezen. Omdat in de woning mogelijk een kind verblijft van [gedaagde 2], ziet de kantonrechter aanleiding om een langere termijn te geven om het gehuurde te ontruimen dan de gevorderde termijn van drie dagen na de betekening van dit vonnis. De kantonrechter vindt in dit geval een ontruimingstermijn van één maand na heden passend.

Betalingsachterstand

1.9.

Omdat de huurovereenkomst is geëindigd maar de woning nog niet ontruimd is, is [gedaagde 1] een vergoeding gelijk aan de huur verschuldigd per maand tot de woning ontruimd is. [gedaagde 1] heeft de door Eigen Haard gestelde betalingsachterstand van € 1.424,14, berekend vanaf 1 november 2025 tot en met 31 januari 2026, niet betwist, zodat deze vordering wordt toegewezen. De verdere schadevergoedingstermijnen vanaf 1 februari 2026 worden als onweersproken eveneens toegewezen, evenals de gevorderde wettelijke rente.

Boetes – ambtshalve toetsen

1.10.

Op grond van artikel 7.15 van de algemene voorwaarden is huurder een boete verschuldigd als hij het gehuurde onderverhuurt of aan derden in gebruik afstaat. Niet gebleken is dat over deze bepaling is onderhandeld. Vaststaat dat [gedaagde 1] de woning kort na het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst in gebruik heeft afgestaan aan [gedaagde 2]. De gevorderde boete van € 5.000,00 is eenmalig opeisbaar bij overtreding van het onderhuurverbod en is niet oneerlijk; het beding verstoort het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen niet aanzienlijk. De kantonrechter heeft daarbij ook gekeken naar de boete die in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen. Deze boete betreft een ander feit, namelijk het niet tijdig ontruimen nadat de huurovereenkomst is geëindigd. De boete is dan ook toewijsbaar.

1.11.

De gevorderde boete van € 250,00 per dag, met een maximum van € 25.000,00, berust op artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst. Op grond van artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst is de einddatum van de huurovereenkomst vervroegd en vastgesteld op 1 november 2025. Omdat [gedaagde 1] de woning niet op 1 november 2025 heeft ontruimd, vordert Eigen Haard vanaf die datum van [gedaagde 1] de boete op grond van artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter vindt het voldoende aannemelijk dat de gemachtigden van partijen, beiden advocaat, hebben onderhandeld over dit beding. De gemachtigde van [gedaagde 1] heeft op de zitting verklaard dat onderhandeld is over de ontruiming en alles daaromheen. De onderhandeling moet daarom worden geacht ook te zijn gegaan over artikel 4. Daarom hoeft de kantonrechter dit beding niet verder te toetsen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat deze boete ook niet oneerlijk is, gezien ernstige gedragingen van [gedaagde 1] en de kansen die hij daarna desondanks heeft gehad van Eigen Haard. Deze gevorderde boete wordt toegewezen als verzocht.

Proceskosten

1.12.

[gedaagde 1], [gedaagde 2] en zij die verblijven zijn in het ongelijk gesteld. Zij moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Eigen Haard heeft verzocht om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten. De kantonrechter ziet aanleiding deze twee gedaagden ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van Eigen Haard. De proceskosten van Eigen Haard worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

144,47

- griffierecht

€

350,00

- salaris advocaat

€

543,00

- nakosten

€

67,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.104,97

1.13.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

2 De beslissing

De kantonrechter

2.1.

veroordeelt [gedaagden] om binnen een maand na heden de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen en in oorspronkelijke staat ter vrije beschikking te stellen aan Eigen Haard, de sleutels af te geven aan Eigen Haard en al hetgeen tot de woning behoort ter vrije beschikking te stellen aan Eigen Haard en verbiedt [gedaagden] om na de ontruiming de woning opnieuw in gebruik te (doen) nemen,

2.2.

veroordeelt [gedaagde 1] om te betalen aan Eigen Haard:

a. a) € 1.424,14 tot en met 31 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde betalingstermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die termijnen tot de dag van voldoening,

b) € 541,38 per maand vanaf 1 februari 2026 tot en met dag van de daadwerkelijke ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde betalingstermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die termijnen tot de dag van voldoening,

c) € 5.000,00 aan verbeurde boete,

d) € 250,00 per dag met een maximum van € 25.000,00 aan boetes vanaf 1 november 2025 tot en met de datum waarop de feitelijke ontruiming van de woning aan de [adres] te [plaats] plaatsvindt en Eigen Haard weer over de woning kan beschikken,

2.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder voor de helft in de proceskosten van Eigen Haard van € 1.104,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,

2.4.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder voor de helft tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

2.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »