vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 13.225193.25 (zaak A) en 13.012926.26 (zaak B)
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats],
thans gedetineerd te [detentieadres].
1 Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 16 juni 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovengenoemde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Zetsma en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. van den Berg naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [persoon 1], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [persoon 2], namens de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: WSS), [persoon 3] als kinder- en jeugdpsychiater en de moeder naar voren is gebracht.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mr. C.A. Bouw namens de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren is gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
Zaak A
primair:
gekwalificeerde opzetverkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren van [benadeelde partij] op 19 augustus 2025 te Amsterdam;
subsidiair:
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren van [benadeelde partij] op 19 augustus 2025 te Amsterdam;
meer subsidiair:
opzet- dan wel schuldverkrachting van [benadeelde partij] op 19 augustus 2025 te Amsterdam;
Zaak B
primair:
het een of meerdere malen verspreiden en/of aanbieden en/of vervaardigen en/of in het bezit hebben van een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [benadeelde partij], was betrokken, waarop te zien is dat die [benadeelde partij] vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd door de verdachte, althans een persoon, op 19 augustus 2025 te Amsterdam;
subsidiair:
het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen en/of openbaar manken van een visuele weergaven van seksuele aard, te weten een video waarop te zien is dat [benadeelde partij] vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd door de verdachte, althans een persoon, op 19 augustus 2025 te Amsterdam.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Zaak A
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde, de gekwalificeerde opzetverkrachting, wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie gaat ervan uit dat de verdachte aangeefster onder valse voorwendselen naar zijn huis heeft gelokt. Hij heeft zich via het Snapchataccount, van iemand anders, voorgedaan als zijn neef en gezegd dat aangeefster naar verdachte toe moest komen omdat hij zelfmoord wilde gaan plegen. Aangeefster is kort nadat zij bij de verdachte vandaan kwam en de verkrachting had plaatsgevonden een tandartspraktijk binnengelopen, waar zij in een hevige gemoedstoestand heeft verteld wat er is gebeurd. Ook heeft zij direct over bedreiging met een mes verteld. In de keren daarna heeft aangeefster consistent en betrouwbaar verklaard. Aangeefster heeft omschreven hoe het mes eruit zag en er is DNA van aangeefster op het mes aangetroffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte vrij moet worden gesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. De verdachte heeft op geen enkel moment het vermoeden gehad of een aanwijzing gekregen dat aangeefster iets niet wilde of tegen haar zin in deed. Er was sprake van een afspraak waarbij seksueel contact heeft plaatsgevonden met wederzijdse instemming.
Vast staat dat de verdachte en aangeefster een afspraak hebben gemaakt en dat aangeefster naar het huis van verdachte toe is gegaan. Het is volgens de raadsvrouw slechts een suggestie dat het de verdachte is geweest die de Snapchatberichten vanuit het account [account 1] aan aangeefster heeft verstuurd. De verdachte ontkent dat hij aangeefster met een mes heeft bedreigd door dit tegen haar keel te houden. Verdachte heeft aangeefster niet bedreigd of haar op enige (andere) manier gedwongen seksuele handelingen met hem te verrichten. De raadsvrouw heeft bepleit dat er redenen zijn dat de verklaring van aangeefster niet klopt. Uit de verklaringen van aangeefster valt op te maken dat door haar geïmpliceerd wordt dat het snijvlak van het mes tegen haar keel of nek is gedrukt/gehouden, terwijl daar geen DNA van zowel de verdachte als aangever is aangetroffen. Er is wel DNA van aangeefster aangetroffen op het heft van het mes en dit sporenbeeld past beter bij het door de verdachte geschetste scenario, namelijk dat de verdachte en aangeefster na afloop van de seks nog samen hebben gerookt en dat de verdachte met het mes een verpakking heeft opengemaakt. Het DNA van aangeefster is/kan logischerwijs via de handen van de verdachte op het heft van het mes terecht zijn gekomen. Deze gang van zaken verklaart ook dat aangeefster wist dat er een mes in de woning was en waar het mes lag.
Het oordeel van de rechtbank
In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de verdachte en aangeefster seks hebben gehad, terwijl aangeefster een leeftijd had van tussen twaalf tot zestien jaar. Wel staat ter discussie of de seks plaatsvond tegen de wil van de aangeefster en of sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging.
Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster
Gelet op het verweer van de verdediging is de eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden of de verklaring van aangeefster als betrouwbaar kan worden aangemerkt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.
Direct nadat het ten laste gelegde feit had plaatsgevonden en aangeefster het huis van de verdachte had verlaten, is de aangeefster een tandartspraktijk binnengelopen. Hier vertelde zij in zeer geëmotioneerde toestand over wat er gebeurd was. Aan de aldaar gearriveerde politie gaf aangeefster meteen aan dat de verdachte haar verkracht heeft, zowel vaginaal, anaal en oraal, onder bedreiging van een keukenmes en kan het mes ook beschrijven. Zij vertelde dat verdachte tegen haar had gezegd dat hij haar zou steken als niet mee zou werken. Ook vertelde aangeefster dat de verdachte haar had gefilmd tijdens de sex, en dat zij tijdens dit filmpje ‘daddy’ moest zeggen. Verder vertelde aangeefster dat de verdachte zou hebben gezegd dat als zij diezelfde dag niet terug zou komen, het filmpje verder verspreid zou worden. Later die dag heeft aangeefster deze verklaring herhaald tijdens een informatief gesprek bij de zedenrechercheurs.
Op 20 augustus 2025, één dag later, is aangeefster nogmaals verhoord. Hier heeft zij hetzelfde verhaal uitgebreider verteld en heeft zij ook toegelicht waarom zij bij de verdachte thuis was. Twee dagen eerder zou de neef van de verdachte via Snapchat tegen aangeefster hebben gezegd dat de verdachte zelfmoord wilde plegen. Ze zou daar ‘als vrienden’ naar toe zijn gegaan. Aangeefster had tegen hem gezegd dat ze een vriend heeft, terwijl zij die eigenlijk niet had. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aangeefster steeds eenduidig, gedetailleerd en consistent heeft verklaard.
Steunbewijs
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of voldaan is aan het bewijsminimum, zoals bepaald in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Anders gezegd: is er voldoende steunbewijs ter ondersteuning van de beschuldiging van de aangeefster?
De rechtbank stelt voorop dat het bij zedenzaken - waarin het vaak, net als in deze zaak, de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van de aangeefster betreft - vaak aankomt op de vraag in hoeverre de door de aangeefster verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Naar vaste rechtspraak hoeft het steunbewijs echter geen betrekking te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Het is derhalve voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
De verklaringen van aangeefster worden ondersteund door de verklaringen van de medewerkers van de tandartspraktijk en de later daarbij aanwezige verbalisanten die aangeefster vlak na het ten laste gelegde in zeer geëmotioneerde toestand hebben aangetroffen.
Voorts worden de verklaringen van aangeefster ondersteund door Snapchatgesprekken en video’s die zijn aangetroffen op de in beslag genomen telefoons van verdachte. Bij de verdachte zijn na zijn aanhouding twee telefoons in beslag genomen. Op de telefoon met goednummer 6699228 is een Snapchatgesprek aangetroffen tussen het account [account 2] met aangeefster. Gelijk aan de verklaring van aangeefster wordt in dit gesprek door [account 2] aangegeven dat verdachte zelfmoordneigingen heeft en dat aangeefster met hem moet gaan praten, desnoods als vrienden. De rechtbank gaat er vanuit dat het verdachte zelf is geweest die deze berichten vanuit het account [account 2] naar aangeefster heeft gestuurd, om ervoor te zorgen dat zij naar zijn huis zou komen. Dat de verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij denkt dat hij niet degene is geweest die die berichten destijds heeft verstuurd, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De telefoon met daarop het ingelogde Snapchataccount [account 2] is immers bij de verdachte thuis aangetroffen. Daarnaast heeft verdachte op 21 augustus 2025 bij de politie verklaard dat hij het account met de naam [account 2] gebruikt voor zijn werk. Zoals aangeefster verklaard heeft, is te lezen dat zij in deze berichten aangeeft dat zij een vriend heeft, zij verdachte niet wil en dat aangeefster zegt dat zij niet de leeftijd van de verdachte heeft.
Daarnaast zijn er op de telefoon met goednummer 6699224 video’s aangetroffen waarop te zien is dat de verdachte de aangeefster penetreert. Aangeefster heeft direct na het ten laste gelegde feit verklaart dat zij van de verdachte ‘daddy’ moest zeggen. Overeenkomstig de verklaring van aangeefster, is er op één van deze video’s te horen dat verdachte zegt: “kijk hier, goed zo, wat ben ik van jou”, waarop aangeefster antwoordt “je bent mijn daddy”. De verdachte heeft in ieder geval één van deze video’s via Snapchat vanuit het account [account 3] verstuurd naar [account 4] en [account 5].
Tot slot is bij verdachte thuis een mes aangetroffen, dat qua uiterlijke kenmerken overeenkomt met het mes dat door aangeefster in haar verklaringen is omschreven. Op het heft van dit mes is het DNA van zowel de verdachte als aangeefster aangetroffen.
Alternatieve lezing van verdachte wat betreft het DNA
De verdachte heeft naar voren gebracht dat het DNA van aangeefster mogelijk op het mes is gekomen omdat de verdachte, nadat hij seks had gehad met de aangeefster, met het mes een verpakking heeft open gesneden. Aangezien het DNA van de aangeefster slechts op het heft is aangetroffen, past het DNA spoor volgens de verdediging beter bij het door de verdachte geschetste scenario, dan die van aangeefster waarin zij heeft verklaard dat hij het mes tegen haar keel heeft gezet.
De rechtbank schuift de alternatieve lezing van de verdachte terzijde. Uit het NFI-rapport volgt dat er, naast het DNA-spoor dat is aangetroffen op het heft, ook nog op andere plekken op het mes DNA-sporen zijn gevonden, in het dossier genoemd als #01, #03, #04 en #06. Het DNA-onderzoek naar deze sporen is gestopt, omdat de DNA-concentratie lager is dan de door het NFI gehanteerde grenswaarde. Er is hierdoor geen DNA-profiel opgemaakt. Hoewel het dus klopt dat er enkel vastgesteld is dat het DNA van de aangeefster op het heft van het mes is aangetroffen, zoals door de verdediging naar voren gebracht, sluiten de overige aangetroffen DNA-sporen niet uit dat het mes niet met het snijvlak tegen de keel van de aangeefster is gehouden. Daarbij is van belang dat de verdachte pas zeer laat, namelijk ter terechtzitting tijdens de inhoudelijke behandeling, met deze (mogelijke) verklaring voor het DNA van de aangeefster op het mes is gekomen. Tijdens de zitting op 24 november 2025 heeft de verdachte als antwoord op vragen over het DNA-spoor nog verklaard dat hij het heel gek vindt dat er DNA van hem is aangetroffen op het mes, omdat hij het mes niet heeft gebruikt. Het heeft er alle schijn van dat de verdachte dit scenario heeft afgestemd op de onderzoeksresultaten.
Al het voorgaande in aanmerking genomen acht de rechtbank de verklaringen van aangeefster betrouwbaar. De aangetroffen berichten, de video’s en het genoemde forensische bewijs biedt bovendien de vereiste steun aan de verklaring van de aangeefster dat het zo gegaan is zoals zij heeft verklaard, waardoor de rechtbank uitgaat van de inhoud van haar verklaring.
(Gekwalificeerde) opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet te willen en de verdachte het contact toch heeft voortgezet.
De rechtbank is van oordeel dat onomstotelijk uit de door de aangeefster beschreven omstandigheden blijkt dat bij haar de wil tot seksueel contact met de verdachte ontbrak én dat het niet anders kan dan dit voor de verdachte duidelijk was.
Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting te komen moet
worden vastgesteld dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door
dwang, geweld of bedreiging.
Naar het oordeel van de rechtbank leiden de handelingen van de verdachte, meer in het bijzonder de dreiging met het mes, onmiskenbaar tot de conclusie dat sprake is geweest van opzetverkrachting voorafgegaan en vergezeld door dwang, geweld en bedreiging met geweld.
De verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Zaak B
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat
Zaak A
hij op 19 augustus 2025 te Amsterdam met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [benadeelde partij] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten meerdere malen met zijn penis oraal en vaginaal en anaal binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, geweld en bedreiging, door een mes tegen de keel van die [benadeelde partij] aan te houden en te zeggen dat hij, verdachte, die [benadeelde partij] zal steken en dood zal
maken als zij zich verzet en/of niet meewerkt;
Zaak B
hij op 19 augustus 2025 te Amsterdam een visuele weergave van seksuele aard waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [benadeelde partij] was betrokken heeft verspreid en vervaardigd en in bezit heeft gehad te weten een video
waarop te zien is dat die [benadeelde partij] vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd door verdachte.
6 Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
7 Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8 Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
9 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist om aan de verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 315 dagen met aftrek van de dagen die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een voorwaardelijke Plaatsing in een inrichting voor Jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel), met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad, met daaraan toegevoegd de voorwaarde dat de verdachte moet meewerken aan een weekschema. De voorwaarden moeten volgens de officier van justitie dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een vrijheidsbenemende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer [benadeelde partij] voor de duur van vijf jaar en een locatieverbod voor het postcodegebied [postcode] voor de duur van twee jaar. De officier van justitie heeft gevorderd dat vervangende hechtenis van één week wordt toegepast voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met het blanco strafblad van de verdachte en het feit dat hij nog minderjarig was. De raadsvrouw verzoekt primair om een straf op te leggen die de voorlopige hechtenis niet overstijgt en subsidiair om een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen zoals geadviseerd door de deskundigen en de Raad. De verdachte is bereid aan alle algemene en bijzondere voorwaarden te voldoen. De raadsvrouw begrijpt het verzoek om een contactverbod met het slachtoffer op te leggen maar ziet minder noodzaak voor het opleggen van het locatieverbod.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting van een 14-jarig meisje. De verdachte heeft aangeefster onder bedreiging van een mes anaal, vaginaal en oraal verkracht, zowel met condoom als zonder condoom. De rechtbank vindt de wijze waarop de verdachte zowel tijdens de verkrachting, als daaraan voorafgegaan, te werk is gegaan schokkend. De verdachte heeft aangeefster onder valse voorwendselen naar zijn huis gelokt. De verdachte deed zich via Snapchat voor als zijn neef, waarbij hij tegen aangeefster zei dat de verdachte zelfmoord neigingen zou hebben. Vermoedelijk was de verdachte zich er al van bewust dat aangeefster anders niet naar hem toe zou zijn komen, omdat zij eerder al had aangegeven geen interesse in hem te hebben, dat zij te jong voor hem was en dat zij een vriend had. Niet alleen heeft de verdachte zich niets aangetrokken van de wil van zijn slachtoffer, hij heeft de wil van zijn slachtoffer weten te breken door zijn handelen kracht bij te zetten met manipulatie, misleiding en bedreiging met een mes.
De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij door zo te handelen op zeer ernstige wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer, onvoldoende stilgestaan heeft bij de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en zijn eigen behoeften vooropgesteld heeft. Dit soort feiten brengen, zeker aan minderjarigen die nog aan het begin van hun seksuele ontwikkeling staan, grote schade toe waar zij nog lang last van hebben. Dat de verkrachting ook een grote impact op het slachtoffer heeft, blijkt uit haar slachtofferverklaring, die door haar raadsvrouw ter zitting is voorgehouden. Aangeefster leeft nog dagelijks met angst, verdriet en de gevolgen van wat haar is aangedaan. Zij voelt zich verloren, machteloos en alleen en om haar herinneringen, gevoelens en gedachten te onderdrukken is zij verslaafd geraakt. Haar mentale gezondheid heeft enorme schade opgelopen en zij gaat inmiddels niet meer naar school. Zij durft niet meer vrij te leven, zoals leeftijdsgenoten dat doen. De verdachte heeft de verantwoordelijkheid voor zijn daden richting dit slachtoffer niet genomen en heeft niet laten zien dat hij spijt heeft van wat hij haar heeft aangedaan, ook niet op zitting. Ook dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Daarnaast heeft de verdachte de seksuele handelingen zonder toestemming van het slachtoffer gefilmd en heeft hij deze filmpjes vervolgens zonder toestemming verspreid. Hiermee heeft de verdachte een verregaande inbreuk gemaakt op de privacy van het slachtoffer. Seksueel misbruik van jeugdigen moet worden tegengegaan en daarom ook de (digitale) exploitatie van dergelijk misbruik. Dit soort filmpjes kunnen, eenmaal op internet, een slachtoffer voor altijd achtervolgen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder veroordeeld is voor misdrijven.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder:
-
het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia, opgemaakt door [persoon 3], kinder- en jeugdpsychiater op 25 maart 2026 en het psychologisch onderzoek Pro Justitia, opgemaakt door [persoon 4], gezondheidspsycholoog op 17 maart 2026;
-
de rapportages van de Raad, waaronder het rapport van 9 juni 2026 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling;
-
de rapportages van de JBRA ten behoeve van de voorlopige hechtenis;
-
de e-mail van de WSS, doorgestuurd door de officier van justitie, ontvangen op 15 juni 2026.
Uit de rapportages van zowel de psychiater als de psycholoog blijkt dat er bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, een ongespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis (in vroege remissie vanwege een gereguleerde omgeving). Volgens de psychiater zijn er daarnaast nog zorgen over de ouder-kindrelatie en achterblijven op school en volgens de psycholoog vertoont de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte een achterstand met scheefgroei en wordt deze bedreigd. Beide deskundigen concluderen dat van het voorgaande sprake was ten tijde van het bewezen verklaarde feit en adviseren het tenlastegelegde feit licht verminderd aan de verdachte toe te rekenen. Op basis van de uitkomsten van de gestructureerde risicotaxatie samen met de beschermende factoren, is er volgens de psychiater sprake van een matig risico voor toekomstig (seksueel en agressief) grensoverschrijdend gedrag, zoals soortgelijke feiten waarvan hij nu verdacht wordt, indien onbehandeld. Volgens de psycholoog wordt het risico op recidive als matig-hoog ingeschat. Beide deskundigen adviseren om aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke PIJ-maatregel, waarbij een intensieve, langdurige behandeling noodzakelijk wordt geacht.
De Raad adviseert – overeenkomstig het advies van de deskundigen – om aan de verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Langdurige behandeling, begeleiding en controle zijn noodzakelijk ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling ter beperking van het recidiverisico en om een veilige terugkeer in de maatschappij mogelijk te maken. Het algemene recidiverisico en het dynamische risicoprofiel komen volgens de Raad uit op hoog. De Raad heeft naar voren gebracht dat de verdachte niet meer bij één van zijn ouders kan wonen. Geadviseerd wordt daarom om als bijzondere voorwaarde op te nemen dat de verdachte zal gaan wonen op een woonvoorziening, waarvan de gegevens van de locatie bekend zijn bij de betrokken hulpverlening.
De WSS sluit zich aan bij het advies van de deskundigen zoals vermeld in de Pro-Justitia rapportages en het rapport van de Raad. Na lang zoeken is een passende woonvoorziening voor de verdachte gevonden. De verdachte kan er per direct terecht. De verdachte staat sinds mei 2026 op de wachtlijst voor een behandeling bij de Waag. Aangezien de verplichte behandeling pas naar verwachting binnen 3 tot 5 maanden gerekend vanaf mei kan starten, adviseert de WSS om aan de verdachte als bijzondere voorwaarde op te leggen dat hij moet meewerken aan een strak weekschema. In de tussentijd is de verdachte al gestart met MDFT en dit zal moeten worden voortgezet.
Jeugddetentie
Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank als volgt.
De rechtbank acht, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, een jeugddetentie voor de duur van 315 dagen passend en geboden.
Voorwaardelijke PIJ-maatregel
Aan de wettelijke voorwaarden van artikel 77s, eerste lid, Sr voor oplegging van de PIJ-maatregel is gelet op de bewezenverklaarde feiten en de conclusies van de deskundigen voldaan. De rechtbank stelt vast dat de verdachte zal worden veroordeeld voor feiten die misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van de inhoud van de rapporten van de psychiater, de psycholoog en de Raad komt de rechtbank tot de conclusie dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis(sen) van de geestvermogens bestond. Daarnaast eisen de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de PIJ-maatregel. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Uit de rapportages en adviezen leidt de rechtbank af dat er zorgen zijn over de ontwikkeling van de verdachte. Er wordt een matig tot hoog risico op recidive gezien als verdachte onbehandeld en onbegeleid in vrijheid wordt gesteld. De rechtbank stelt vast dat de verdachte een langdurige en intensieve behandeling nodig heeft.
De rechtbank is het met de deskundigen eens dat de verdachte gebaat is bij een ambulante behandeling met strakke kaders. De rechtbank zal daarom, zoals geadviseerd door de deskundigen, een voorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen met als bijzondere voorwaarde een behandeling bij de Waag of soortgelijke instelling. Als het traject niet slaagt, dan kan de verdachte alsnog binnen het verplichte kader van een PIJ-maatregel behandeld worden. De rechtbank legt verder de overige door de Raad geadviseerde voorwaarden op. Daar wordt als voorwaarde aan toegevoegd dat de verdachte moet meewerken aan een weekschema, aangezien zijn behandeling naar verwachting pas binnen 3 tot 5 maanden na afgelopen mei zal aanvangen. De rechtbank geeft de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
De (voorwaardelijke) PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Dit betekent dat, in het geval van overtreding van de voorwaarden, de voorwaardelijke PIJ-maatregel op vordering van de officier van justitie door de rechtbank kan worden ten uitvoer gelegd, de verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
Dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet hierop en gelet op de rapporten van de deskundigen, waarin de recidivekans staat opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Vrijheidsbeperkende maatregelen ex artikel 38v Sr
De rechtbank is overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie van oordeel dat het contactverbod met het slachtoffer en het locatieverbod , niet als bijzondere voorwaarden maar als maatregel meer passend zijn. De rechtbank besluit daarom als volgt.
Contactverbod
De rechtbank is van oordeel dat ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten voor de duur van vijf jaar de maatregel van een contactverbod met het slachtoffer [benadeelde partij], geboren op [geboortedag 2] 2010, moet worden opgelegd. De rechtbank bepaalt dat de duur van de vervangende jeugddetentie zeven dagen bedraagt per overtreding, met een maximum van zes maanden, zodat de verdachte elke keer dat hij het contactverbod overtreedt direct wordt afgestraft en de consequentie van zijn handelen ervaart.
Locatieverbod
De rechtbank is van oordeel dat ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming
van strafbare feiten de maatregel dat de verdachte voor de duur van twee jaar zich niet zal ophouden in het postcodegebied [postcode] te [plaats], zoals te zien op bijgevoegd kaartje, moet worden opgelegd. Dit omdat het slachtoffer in die omgeving woonachtig is en niet met de verdachte geconfronteerd moet worden. De rechtbank bepaalt dat de duur van de vervangende jeugddetentie zeven dagen bedraagt per overtreding, met een maximum van zes maanden, zodat de verdachte elke keer dat hij het locatieverbod overtreedt direct wordt afgestraft en de consequentie van zijn handelen ervaart.
Dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregelen
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en dat aan de in artikel 38v lid 4 Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar zijn.
10 De benadeelde partij
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van in totaal € 16.000,-, bestaande uit € 1.000,- aan materiële schade voor de medische kosten en € 15.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is ter zitting door de raadsvrouw van de benadeelde partij toegelicht. De raadsvrouw heeft wat betreft het bepalen van de hoogte van de vordering aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal onder seksuele misdrijven paragraaf 15.2, ontucht met binnendringen bij benadeelden tot 16 jaar oud. De raadsvrouw is van mening dat dit geval onder categorie a (meest ernstig) valt, waarbij maximaal €32.000,- zal worden toegekend. Daarbij heeft de raadsvrouw toegelicht dat de materiële schade, te weten de medische kosten, niet zijn onderbouwd en derhalve niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering ten aanzien van het immateriële gedeelte dient te worden toegewezen. De vordering ten aanzien van het materiële gedeelte dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het materiële gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de kosten niet zijn onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat het bedrag moet worden gematigd. Voor zover de rechtbank de Rotterdamse Schaal als richtsnoer zal kiezen, moet aansluiting worden gezocht bij 15.1 categorie c (tamelijk ernstig), waarbij maximaal € 7.500,- zal worden toegekend, aldus de raadsvrouw.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank concludeert dat de benadeelde partij de materiële schade, te weten de medische kosten, niet heeft onderbouwd, aangezien concrete bewijsstukken ontbreken. De rechtbank zal de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk verklaren in de vordering wat betreft het materiële gedeelte.
Immateriële schade
Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen of indien het gaat om een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit blijkt dat hiervan sprake is. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen in sommige gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo'n nadere concrete onderbouwing.
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van een verkrachting met bedreiging met een mes de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon evident is.
De bewezen verklaarde strafbare feiten betreffen telkens verkrachting en vervaardigen en openbaar maken/verspreiden van een video waarop te zien is dat de benadeelde partij vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd door de verdachte. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht door de verdachte. De aard en de ernst van de feiten brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, met name de seksuele ontwikkeling van de minderjarige, dat van een aantasting in de persoon kan worden gesproken. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel is dan ook niet vereist, waarbij de rechtbank opmerkt dat de benadeelde partij daartoe wel relevante gegevens heeft overgelegd, die wel degelijk aanknopingspunten bieden voor de vaststelling dat er sprake is van geestelijk letsel. De psychische gevolgen die het bewezen verklaarde feit voor de benadeelde partij hebben gehad, blijken onder meer uit het feit dat de benadeelde partij gesprekken heeft gehad met een GZ-psycholoog, waaruit blijkt dat bij haar meerdere posttraumatische stressstoornis (PTSS)-klachten zijn vastgesteld.
Daarnaast komen de psychische gevolgen naar voren uit de slachtofferverklaring die namens de benadeelde partij door mr. Bouw op de zitting is voorgelezen.
Voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding vindt de rechtbank aansluiting bij het hoogste bedrag van categorie 15, 1 sub b, 2e bulletpoint. Er is immers sprake van een eenmalige verkrachting, waarbij sprake is van bijzonder ernstige omstandigheden. De benadeelde partij is onder valse voorwendselen naar het huis van verdachte gelokt, ze is bedreigd met een mes, de verkrachting is gefilmd en vervolgens verspreid en ongewis is of het filmpje weer opduikt, terwijl de benadeelde partij minderjarig en jonger was dan verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat de geleden immateriële schade op een bedrag van € 15.000,- kan worden vastgesteld.
Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de feiten zijn gepleegd, zijnde 19 augustus 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
In het belang van de benadeelde partij [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Stafrecht aan de verdachte opgelegd. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
De rechtbank verklaart het overige deel van de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk.
11 Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
-
1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2025207459-G6699238);
-
2 STK Condoom (Omschrijving: PL1300-2025207459-G6699246);
-
1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025207459-G6699224, Apple);
-
1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025207459-G6699228, Apple).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het om de twee telefoons en de condoom verbeurd te verklaren en het mes te onttrekken aan het verkeer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om het telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025207459-G6699224, Apple) terug te geven aan de verdachte. Wat betreft het overige heeft de raadsvrouw geen opmerkingen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat alle onder de verdachte inbeslaggenomen goederen moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze goederen zijn begaan.
12 Toepasselijke wettelijke voorschriften
13 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat de verdachte het in zaak A (primair) en zaak B (primair) ten laste gelegde heeft begaan, zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Zaak A
gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;
Zaak B
verspreiden, vervaardigen en bezitten van een visuele weergave van seksuele aard/met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart de verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 315 (driehonderdvijftien) dagen.
Beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Legt op aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
Beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden.
Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de verdachte:
- zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan behandeling door de Waag of soortgelijke instelling;
- verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, waarvan de locatie/het adres bekend is bij de WSS;
- zich zal inzetten voor het vinden en behouden van een positieve dagbesteding in de vorm van werk en sport;
- meewerkt aan het weekschema zoals opgesteld door de WSS;
- zal meewerken aan hulpverlening door en op afspraken komt met de MDFT therapeut/coach van Levvel of hulpverlening van een soortgelijke instelling;
- geen verdovende middelen of alcohol gebruikt en meewerkt aan controles.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in 77a, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de verdachte daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende een contactverbod en locatieverbod.
Contactverbod
Legt op de maatregel dat de verdachte voor de duur van vijf jaar op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
[benadeelde partij], geboren op [geboortedag 2] 2010,
tenzij het contact met toestemming van het Openbaar Ministerie plaatsvindt.
Locatieverbod
Legt op de maatregel dat de verdachte zich voor de duur van twee jaar niet zal begeven in het postcodegebied [postcode], zoals te zien op bijgevoegd kaartje.
Beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende jeugddetentie bedraagt zeven dagen voor iedere keer dat niet aan één van de maatregelen wordt voldaan, met een maximum duur van zes maanden. Toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregelen niet op.
Beveelt dat de maatregelen, gelet op artikel 77we, tweede lid, jo. artikel 38v, vierde lid, Sr, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling van € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 19 augustus 2025, tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij].
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij] ter hoogte € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, te weten 19 augustus 2025, tot aan de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige, te weten het materiële gedeelte van de vordering, niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Onttrekt aan het verkeer:
-
1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2025207459-G6699238);
-
2 STK Condoom (Omschrijving: PL1300-2025207459-G6699246);
-
1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025207459-G6699224, Apple);
-
1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025207459-G6699228, Apple).
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.P. Bleeker, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. G.S. Crince Le Roy en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2026.
[...]