vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/123576-25
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1990,
wonende op het adres [adres 1] ,
hierna verdachte.
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 december 2025 en 9 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. De Krijger, en van wat verdachte, zijn raadsman mr. B. Kizilocak en [medewerker slachtofferhulp nederland] van Slachtofferhulp Nederland namens de benadeelde partij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is na wijziging op de zitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat
feit 1
hij zich op 23 en 24 januari 2025 in Amstelveen schuldig heeft gemaakt aan
primair
poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] door haar hoofd met kracht tegen het dashboard (van de auto) te duwen, haar bij de keel vast te pakken, haar keel dicht te knijpen en haar mond en neus dicht te drukken, waardoor zij geen lucht kreeg;
subsidiair
mishandeling van [slachtoffer] door haar hoofd met kracht tegen het dashboard (van de auto) te duwen, haar bij de keel vast te pakken, haar keel dicht te knijpen en haar mond en neus dicht te drukken, waardoor zij geen lucht kreeg;
en
feit 2
dat hij zich in de periode van 24 januari 2025 tot en met 20 april 2025 in Amstelveen heeft schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer] (onder meer) door zich tegen haar wil veelvuldig bij haar woning op te houden, haar berichten te sturen, te bellen, en haar ongevraagd cadeaus te geven.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Inleiding
Verdachte en aangeefster hebben vijf jaar lang een relatie gehad. Op 23 januari 2025 zitten zij samen in de auto, die geparkeerd staat voor het huis van aangeefster. Aangeefster vertelt verdachte dat zij de relatie wil verbreken. Hierna ontstaat in de auto ruzie, waarbij verdachte en aangeefster elkaar over en weer fysiek bejegenen. Nadat zij uit de auto zijn gekomen, lopen zij naar het huis van aangeefster en ontstaat er voor de deur opnieuw een woordenwisseling waarvan de buurman van aangeefster getuige is. Daarna gaan aangeefster en verdachte naar binnen en daar volgt weer een confrontatie. Verdachte vertrekt uiteindelijk uit de woning, maar in de daarop volgende drie maanden blijft hij op verschillende manieren veelvuldig contact opnemen met aangeefster. Aangeefster doet op 20 april 2025 aangifte te doen van mishandeling en belaging.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Volgens de officier van justitie kan zowel de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, als de onder feit 2 ten laste gelegde belaging worden bewezen.
Met betrekking tot feit 1 primair heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het veroorzaken van zwaar letsel. Door neus en mond te bedekken en de keel dicht te knijpen kan, door tijdelijk ontbreken van lucht, hersenletsel worden veroorzaakt.
De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat op basis van de beschikbare bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het hoofd van aangeefster met kracht tegen het dashboard van de auto heeft geduwd, zodat verdachte op dit onderdeel partieel moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
Volgens de raadsman ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs voor de onder 1 ten laste gelegde (poging tot zware) mishandeling en moet verdachte daarvan dus worden vrijgesproken. De tenlastelegging is gestoeld op de aangifte en die wordt niet ondersteund door de zich in het dossier bevindende letselfoto’s of verklaringen van anderen. Daarbij komt dat aangeefster wisselend heeft verklaard. Ten aanzien van feit 2 stelt de raadsman zich op het standpunt dat de pleegperiode moet worden ingekort tot een periode van 11 april 2025 tot en met 20 april 2025, omdat aangeefster pas op 11 april 2025 schrijft dat zij wil dat verdachte stopt met het sturen van berichten. Daarnaast mag het voorlaatste gedachtestreepje niet bewezen worden verklaard, nu de aangeefster daarvan materieel voordeel heeft genoten. Voor het overige refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de wettige bewijsmiddelen1 niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan. Vaststaat dat er in de auto fysiek ruzie is ontstaan, maar de verklaringen van aangeefster en verdachte hierover lopen uiteen en uit de overige bewijsmiddelen volgt onvoldoende steunbewijs voor het scenario dat aangeefster schetst. In het bijzonder blijkt niet dat aangeefster wezenlijk hoofdletsel heeft opgelopen dat zou passen bij het ten laste gelegde duwen van haar hoofd tegen het dashboard van de auto. Evenmin is gebleken van letsel waaruit kan worden afgeleid dat sprake is geweest van enige vorm van verwurging of verstikking in de auto of later boven in de woning van aangeefster. De foto van de nek van aangeefster die zich in het dossier bevindt, laat geen duidelijk letsel zien en ook uit andere bewijsmiddelen blijkt niet dat sprake is van letsel als gevolg van verwurging. Dit betekent dat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.
Dat is anders ten aanzien van de ten laste gelegde belaging. Voor wat betreft dit feit komt de rechtbank wél tot een bewezenverklaring. [slachtoffer] heeft op 20 april 2025 aangifte gedaan van stalking die op dat moment al drie maanden gaande was2. Aangeefster verklaart dat zij daags na het beëindigen van de relatie met verdachte het slot van haar voordeur heeft vervangen omdat verdachte weigerde de sleutels van haar huis terug te geven. Verdachte heeft de volgende dag geprobeerd het huis van aangeefster in te komen en heeft, toen dit niet bleek te lukken, meerdere malen aangebeld, geprobeerd telefonisch contact met aangeefster op te nemen en vele whatsapp berichten gestuurd. Ondanks niet mis te verstane bewoordingen van aangeefster, weigerde hij weg te gaan. Pas toen de door aangeefster gebelde politie arriveerde is verdachte vertrokken. Vanaf dat moment heeft verdachte aanhoudend vele (whatsapp en sms) berichten gestuurd naar aangeefster, waarbij aangeefster meerdere malen heeft gereageerd dat ze geen contact met verdachte wil en dat ze wil dat hij stopt met het sturen van berichten3. Nadat aangeefster het telefoonnummer van verdachte blokkeerde is hij via andere telefoonnummers contact blijven opnemen. Ook heeft hij derden ingeschakeld om contact op te nemen met aangeefster en heeft hij aangeefster diverse malen cadeaus, geld en boodschappen gestuurd4. Daarbij is hij deze ook vaak zelf voor haar deur komen zetten5 en heeft hij zich met regelmaat bij de woning van aangeefster opgehouden6. Ook heeft verdachte aangeefster nog uitgenodigd voor een gezamenlijke bankrekening7.
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, neemt de rechtbank aan dat verdachte al veel eerder dan op 11 april 2025 wist dat aangeefster geen contact wenste en dat hij aangeefster angst aanjoeg met zijn handelen. Hij had dat in ieder geval moeten begrijpen, getuige het feit dat aangeefster de dag na de ruzie meteen het slot van haar voordeur heeft vervangen. Ook uit een incident dat heeft plaatsgevonden op 6 februari 2025 blijkt duidelijk dat aangeefster bang was voor verdachte. Die dag stond hij haar voor haar deur op te wachten. Toen aangeefster naar buiten kwam en verdachte zag is ze weggerend, terug de lift in en heeft zij de hulp van een buurvrouw ingeroepen. Verdachte is pas na een interventie van de buurvrouw vertrokken8. Ook heeft verdachte haar herhaaldelijk berichten met bedreigende inhoud gestuurd9.
De rechtbank komt gezien het voorgaande tot de conclusie dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Hoewel het in het algemeen begrijpelijk kan zijn dat iemand probeert een relatiebreuk te herstellen, is verdachte daarin met zijn intense, dwingende en vasthoudende manier van benaderen gedurende een periode van drie maanden, veel te ver gegaan. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt. Anders dan de raadsman heeft betoogd acht de rechtbank gelet op het voorgaande de belaging bewezen over de volledige periode zoals ten laste gelegd van 24 januari 2025 tot en met 20 april 2025.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 2:
in de periode van 24 januari 2025 tot en met 20 april 2025 te Amstelveen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- meermalen langs de woning van die [slachtoffer] te gaan en/of daarbij aan te bellen en/of op de deur te kloppen en
- meermalen zich bij de woning van die [slachtoffer] op te houden en/of die [slachtoffer] daar op te wachten en
- meermalen WhatsApp-berichten en/of sms-berichten, met verschillende nummers, te sturen aan die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] niet reageerde op die berichten en/of aangaf dat hij moest stoppen en/of deze nummers blokkeerde en
- meermalen te bellen naar die [slachtoffer] en
- zijn familie en vrienden te vragen om Whatsapp-berichten te sturen naar die [slachtoffer] en
- meermalen ongevraagd boodschappen en/of geld en/of cadeaus bij de woning van die [slachtoffer] te brengen of te bezorgen of achter te laten en
- die [slachtoffer] uit te nodigen voor een gezamenlijke bankrekening,
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
6 De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 93 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij dienen bijzondere voorwaarden te worden gesteld zoals opgenomen in het reclasseringsadvies, waaronder een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor haar woonadres. De officier van justitie heeft gevorderd om deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf van 200 uren gevorderd. Ook vordert de officier van justitie dat aan verdachte op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd in de vorm van een contactverbod met aangeefster [slachtoffer] en een locatieverbod voor haar woning voor de duur van twee jaren. Daarbij heeft de officier van justitie verzocht te bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt bij de eerste overtreding twee weken, bij de tweede overtreding drie weken, oplopend telkens met één week, oplopend tot een totaal van maximaal zes maanden.
Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring rekening te houden met het feit dat verdachte geen relevante documentatie heeft en hij volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek. Ook verzoekt de verdediging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij is een vader van twee kinderen die hij iedere dag naar school brengt en ophaalt, zodat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hem onevenredig zwaar zou treffen. De raadsman verzoekt daarom bij oplegging van een eventuele straf verdachte te veroordelen tot het uitvoeren van een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster [slachtoffer] . Hij heeft haar wens om geen contact met hem te hebben niet gerespecteerd en een grote inbreuk gemaakt op haar persoonlijke integriteit en levenssfeer. De dwingende en volhardende manier waarop verdachte daarbij te werk is gegaan, vindt de rechtbank ernstig en zorgelijk. Verdachte kon het eindigen van de relatie niet verkroppen en is vele grenzen over gegaan om aangeefster ertoe te bewegen toch de relatie voort te zetten. Dergelijk handelen rechtvaardigt zonder meer een strafrechtelijke sanctie. Extra zorgelijk is bovendien dat verdachte inmiddels weliswaar is gestopt met de stalking, maar dat hij ter zitting nog steeds niet leek in te zien welke impact zijn handelen op aangeefster heeft gehad. Dat maakt dat de rechtbank het belangrijk vindt dat de straf ook gericht is op voorkoming van herhaling van dergelijk gedrag in de toekomst.
Persoonlijke omstandigheden
Bij de bepaling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank ziet dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een vergelijkbaar strafbaar feit. Bovendien heeft hij na zijn aanhouding volledig meegewerkt aan het onderzoek en heeft verdachte zich gehouden aan de voorwaarden die zijn gesteld aan de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, waaronder een contactverbod met aangeefster.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies met betrekking tot de persoon van verdachte van 12 december 2025. De inhoud van dit advies bevestigt de indruk die de rechtbank op de zitting van verdachte heeft gekregen. In het advies is vermeld dat het psychosociaal functioneren en de houding van verdachte mogelijke risicofactoren vormen. Verdachte toont zelfinzicht, maar lijkt de schuld deels te leggen bij zijn ex-partner. Tegelijkertijd is betrokkene een gevoelig persoon, die sterk kan reageren op prikkels en
omgevingsinvloeden. In het advies is als positief benoemd dat verdachte vrijwillig hulp heeft gezocht bij [zorginstelling] en er nu onderzoek plaatsvindt op de aanwezigheid van ADHD. De reclassering acht het van belang dat verdachte meer inzicht krijgt in zijn gedrag en waar dit vandaan is gekomen en concludeert dat verdere behandeling kan bijdragen aan het
verminderen van het risico op recidive in toekomstige partnerrelaties.
Tenslotte houdt de rechtbank in de strafmaat rekening met het feit dat verdachte zijn leven redelijk goed op orde lijkt te hebben. Verdachte heeft een baan met een vast inkomen en een woning waarin hij momenteel samen woont met zijn broer. Verdachte heeft verder twee kinderen uit een eerdere relatie die hij iedere dag van en naar school brengt.
De op te leggen straffen en maatregelen
Met inachtneming van het voorgaande en mede gezien de straffen die blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, komt de rechtbank tot een gevangenisstraf van 63 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan zestig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij wordt onder meer de bijzondere voorwaarde gesteld dat verdachte de reeds gestarte behandeling bij [zorginstelling] voortzet in het kader van de ambulante behandelverplichting. Ook neemt de rechtbank de overige bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering in het rapport van 12 december 2025 zijn geadviseerd over, met inbegrip van een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor haar woonadres.
Nu verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde en de rechtbank geen aanwijzingen ziet dat verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal zij de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Daarnaast legt de rechtbank ook een onvoorwaardelijke taakstraf op aan verdachte van 120 uur met bevel en, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.
Ten aanzien van de op basis van artikel 38v Sr gevorderde maatregel is de rechtbank van oordeel dat het als bijzondere voorwaarde opgelegde contact- en locatieverbod een voldoende adequate stok achter de deur is om herhaling te voorkomen. Een separate oplegging van een 38v Sr maatregel vindt de rechtbank daarom, mede ook gezien het feit dat verdachte zich tot nu toe steeds heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden, onevenredig.
9 Vordering benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 3.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de immateriële schadevergoeding toe te wijzen zoals gevorderd met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen en subsidiair dat deze moet worden gematigd. De raadsman stelt dat de vordering moet worden verrekend met de cadeaus die verdachte aan [slachtoffer] heeft gegeven, nu er sprake is van onverschuldigde betaling.
Het oordeel van de rechtbank
Ter onderbouwing van de door haar geleden schade heeft [slachtoffer] onder meer een verklaring overgelegd van een GZ-psycholoog, die verklaart dat [slachtoffer] momenteel aanzienlijke geestelijke klachten ondervindt als gevolg van de belaging (met als DSM classificatie PTSS). Uit de verklaring van de psycholoog blijkt dat [slachtoffer] ten tijde van het incident reeds voor andere problematiek in behandeling was, maar volgens de psycholoog heeft de stalking geleid tot een terugval daarin. Gezien deze verklaring in samenhang bezien met de inhoud van het dossier is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer] immateriële schade heeft geleden doordat zij ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’. Op grond van het bepaalde in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft zij daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en gezien de normbedragen zoals die voor dergelijke gevallen gelden op basis van de Rotterdamse schaal, komt het gevorderde bedrag van € 3.000,00 de rechtbank niet onredelijk voor. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan (24 januari 2025).
De rechtbank passeert het gevoerde verrekeningsverweer, reeds omdat het volgens verdachte zelf om schenkingen ging (in de zin van boek 7 titel 3 van het Burgerlijk Wetboek). Er is dus geen sprake van betalingen zonder rechtsgrond en dus ook geen sprake van onverschuldigde betaling.
In het belang van [slachtoffer] wordt, als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f (oud) en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
10 Beslissing
Verklaart het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 2:
belaging.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 60 dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door [zorginstelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is al gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1994, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Locatieverbod (zonder elektronische monitoring)
Veroordeelde bevindt zich niet Amstelveen: [straten] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 24 januari 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 3.000,00 (drieduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 24 januari 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. J.V.L. van Well en R. Verdonk, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 januari 2026.
[…]
[…]