ECLI:NL:RBAMS:2026:6534

Datum uitspraak
30-01-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
13/079428-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor gekwalificeerde opzetaanranding. Geen aanleiding voor een contactvebod.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/079428-25

Datum uitspraak: 30 januari 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam , meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1967,

wonende op het adres [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. Kuijpers, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] en wat mw. [persoon 1] , medewerker van Slachtofferhulp Nederland, namens haar naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

opzetaanranding van [benadeelde partij] op 3 maart 2025 in Amsterdam voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelede opzetaanranding kan worden bewezen. De officier van justitie heeft verzocht om verdachte partieel vrij te spreken van de onderdelen van de tenlastelegging die zien op dat verdachte op aangeefster is gaan liggen en zijn tong in haar mond heeft gestoken.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat er twee lezingen zijn van wat er gebeurd is in de nacht van 2 op 3 maart 2025. Indien de rechtbank van oordeel is dat sprake is van wettige bewijsmiddelen, dan ontbreekt de voor een bewezenverklaring vereiste overtuiging. Die ontbrekende overtuiging hangt samen met de stellige ontkenning van verdachte en de alternatieve lezing die hij heeft gegeven voor het verloop van de avond, welke lezing naar het oordeel van de verdediging niet wordt weerlegd door de inhoud van het dossier. Verdachte heeft verklaard dat hij en aangeefster op die avond hebben gedanst, elkaar hebben aangeraakt en uit eenzelfde glas hebben gedronken. Dit heeft ervoor gezorgd dat zijn DNA is gevonden op de lippen en de hals van aangeefster. Dit scenario is reëel en niet onaannemelijk. Het aangetroffen DNA sluit deze alternatieve verklaring van verdachte niet uit. In de ogen van de verdediging is daarom niet buiten redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Inleiding

Uit hetgeen door verdachte en aangeefster is verklaard over het verloop van de avond blijkt dat zij elkaar eerder die avond zijn tegen gekomen in een bar in Amsterdam. Zij was daar met een goede vriend uit [plaats 2] , genaamd [getuige] , en met een andere man uit [plaats 1] die zij eerder die avond had ontmoet. Aangeefster en [getuige] wilden op enig moment naar huis en verdachte bood haar en de twee mannen aan om hen tegen een vergoeding thuis te brengen. Ze spraken af dat verdachte eerst de man uit [plaats 1] thuis zou afzetten en daarna aangeefster en [getuige] naar [plaats 2] zou rijden. Nadat de man uit [plaats 1] was afgezet, is verdachte weer gaan rijden. Op een gegeven moment heeft verdachte de auto gestopt. De verklaringen van aangeefster en verdachte met betrekking tot wat er vervolgens is gebeurd lopen uiteen, in die zin dat aangeefster verklaart dat zij vervolgens in de auto is aangerand en verdachte dat ontkent.

4.3.2.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde aanranding moet de rechtbank allereerst beoordelen of de verklaring van aangeefster over wat er in de auto heeft plaatsgevonden betrouwbaar is en vervolgens of er voor haar verklaring voldoende redengevend steunbewijs voorhanden is, dat afkomstig is uit een andere bron dan zijzelf.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster

Aangeefster heeft ter plaatse direct na het incident, in het informatieve gesprek zeden enkele uren later en in haar aangifte een verklaring afgelegd. In grote lijnen komen die verklaringen op het volgende neer:

Aangeefster zat achterin de auto en [getuige] voorin. Verdachte parkeerde opeens zijn auto langs de kant, stapte uit de auto en ging rechts achterin naast haar zitten. Hij kwam eerst richting haar en toen zij meer naar achter ging, pakte hij met één hand haar keel. Zij was op dat moment overrompeld en had het idee dat verdachte haar domineerde. Hij kuste haar op de mond. Dit duurde niet lang, want zij duwde hem weg met haar armen en handen. Ze schreeuwde wat hij aan het doen was en dat zij naar huis wilde, waarop verdachte zei dat hij met haar mee naar huis ging. Doordat zij verdachte een goede duw kon geven, is zij uiteindelijk uit de auto kunnen stappen.

De rechtbank is van oordeel dat aangeefster consistent heeft verklaard over het feit dat verdachte bij haar achterin de auto is gaan zitten, haar bij haar keel heeft vastgepakt en haar kuste. De rechtbank acht deze verklaringen van aangeefster daarom betrouwbaar en bruikbaar als bewijs.

Dat zij op een later moment nog aanvullend heeft verklaard over ook nog andere handelingen van verdachte, zoals dat verdachte op haar ging liggen, haar keel dichtkneep en zijn tong in haar mond heeft geduwd, doet niet af aan de geloofwaardigheid van haar verklaring dat zij door verdachte is aangerand. De rechtbank ziet wel aanleiding om gelet ook op het tijdsverloop behoedzaam om te gaan met de verklaring van aangeefster over de handelingen waarover zij pas eerst in haar aanvullende verklaring heeft verteld.

Steunbewijs

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Getuige [getuige]

Getuige [getuige] heeft zowel ter plaatse als tijdens het getuigenverhoor verklaard dat hij op een gegeven moment achterom keek en zag dat verdachte achterin de auto bij aangeefster zat. [getuige] heeft verder verklaard dat het erop leek dat verdachte zich op aangeefster forceerde.

Voor zover de verklaringen van [getuige] , zoals door de raadsman is betoogd, over de exacte handelingen van verdachte in de auto niet helemaal met elkaar overeenkomen, is de rechtbank van oordeel dat die inconsistentie niet van dien aard is dat om die reden aan de betrouwbaarheid van de verklaringen moet worden getwijfeld. De rechtbank acht de verklaringen van [getuige] op de hiervoor genoemde punten consistent en samenhangend en daarom betrouwbaar en bruikbaar als steunbewijs.

DNA onderzoek

Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) volgt dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat het aangetroffen DNA-mengprofiel op beide zijden van de hals en op de mond van aangeefster onder meer afkomstig is van verdachte dan van een willekeurige, onbekende persoon. Gelet op de bewijswaarde van de resultaten van het DNA-onderzoek gaat de rechtbank ervan uit dat voornoemde aangetroffen DNA-sporen afkomstig zijn van verdachte. Dit ondersteunt de verklaring van aangeefster dat de verdachte met zijn hand haar keel heeft vastgepakt en haar op de mond heeft gezoend.

Waarneming verbalisanten en forensisch onderzoek aangeefster

Voorts ondersteunen de letselbeschrijving zoals verwoord door de verbalisanten die direct na het incident ter plaatse aanwezig waren en de bevindingen in het forensisch onderzoek naar aangeefster de verklaring van aangeefster. Hieruit volgt dat aan beide kanten in de nek van aangeefster rode striemen van ongeveer 5 tot 10 centimeter lang op de huid zijn waargenomen.

Verklaring verdachte

Volgens verdachte heeft er geen aanranding plaatsgevonden, maar een woordenwisseling over de betaling van de rit waarna aangeefster is vertrokken. Hij ontkent dat hij naast verdachte is gaan zitten op de achterbank. Volgens verdachte is zijn DNA op de hals en lippen van aangeefster gekomen doordat hij en aangeefster in de bar eerder die avond samen hebben gedanst, elkaar hebben aangeraakt en uit elkaars glazen hebben gedronken.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte in de auto achterin bij aangeefster is geweest. Zijn verklaring dat hij niet achterin bij aangeefster is gaan zitten, strookt dus niet met de inhoud van de bewijsmiddelen. Daarbij komt ook dat verdachte pas nadat hij werd geconfronteerd met het aangetroffen DNA heeft verklaard over contact met aangeefster in de kroeg en deze verklaring ook een aantal keer heeft gewijzigd.

Gelet op het vorengaande staat naar het oordeel van de rechtbank buiten twijfel vast dat verdachte zich op een gegeven moment op de achterbank heeft begeven en haar heeft gekust. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de onderdelen ‘zijn tong meermalen, althans eenmaal, in de mond van die [benadeelde partij] te steken/stoppen’ en ‘op die [benadeelde partij] te liggen/zitten’ niet buiten redelijke twijfel kunnen worden vastgesteld. De rechtbank acht om dezelfde reden ook het onderdeel ‘(vervolgens) haar keel dicht te knijpen’ niet bewezen.

Gekwalificeerde opzetaanranding

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de ten laste gelegde gekwalificeerde opzetaanranding bewezen kan worden.

Verdachte heeft aangeefster onverhoeds op de mond gezoend. Uit de verklaring van aangeefster volgt dat zij zich heeft verzet tegen verdachte. Zij heeft geprobeerd verdachte van haar af te duwen, heeft geschreeuwd en uiteindelijk is het haar gelukt om zich van hem los te trekken en weg te rennen. Hiermee staat vast dat verdachte wist dat aangeefster dit niet wilde. Daarnaast stelt de rechtbank gelet op deze omstandigheden vast dat hier tevens sprake was van geweld.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich op 3 maart 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetaanranding van aangeefster.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 3 maart 2025 te Amsterdam, met een persoon, te weten [benadeelde partij] , seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- die [benadeelde partij] onverhoeds op/rondom haar mond te kussen,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde partij] daartoe de wil ontbrak,

en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door en vergezeld van geweld, door

- die [benadeelde partij] bij haar nek vast te pakken/grijpen.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie dagen, gelijk aan de duur van het voorarrest, en een taakstraf van 60 uren wordt opgelegd.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij een veroordeling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft primair verzocht een taakstraf met een voorwaardelijk deel en subsidiair een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest en eventueel een voorwaardelijke straf.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanranden van aangeefster door haar in zijn auto bij haar keel vast te pakken en op de mond te zoenen, waarbij het aangeefster na verzet met veel kracht is gelukt om zich van verdachte te bevrijden. Aangeefster heeft tijdens de aanranding pijn gevoeld en is zeer angstig geweest. Zij wist niet wat haar overkwam en heeft alles gedaan wat zij op dat moment kon doen om bij verdachte weg te komen. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Daarnaast heeft verdachte gebruik gemaakt van geweld door aangeefster bij haar keel te pakken waardoor zij letsel heeft opgelopen. Dat dit voor aangeefster een angstige en bedreigende situatie is geweest, acht de rechtbank goed voorstelbaar. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de slachtofferverklaring die op de zitting is voorgelezen, blijkt dat aangeefster nog steeds last heeft van wat haar is aan gedaan. Zij schrijft dat zij de dagen en weken na het incident in complete angst heeft geleefd, nachtmerries had en niet normaal in slaap kon komen. Door angstgevoelens en paniekaanvallen wordt zij nog steeds in haar dagelijks leven belemmerd.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij het vertrouwen van aangeefster in hem als een betrouwbare persoon die haar na een avond stappen een lift naar huis zou geven, heeft geschaad. Met zijn gedrag draagt verdachte bij aan het vergroten van het gevoel van onveiligheid bij vrouwen op straat en in het uitgaansleven. Dat blijkt ook concreet uit het feit dat aangeefster sinds het incident niet zonder meer met anderen durft mee te rijden, zo blijkt uit haar slachtofferverklaring.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte van 19 december 2025. Verdachte is een first offender ten aanzien van zedendelicten.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten over verdachte waaronder het reclasseringsadvies van 18 december 2025. Daarin wordt beschreven dat het schorsingstoezicht zeer moeizaam is verlopen, dat verdachte geen hulpvraag heeft en zich niet ontvankelijk toont voor gedragsverandering, waarbij het onduidelijk is of er sprake is van onwil of onvermogen. Er wordt geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat de reclassering geen ingang ziet voor delictgerelateerde interventies. De reclassering ziet verder geen contra-indicaties voor een werkstraf. Tot slot schrijft de reclassering dat verdachte bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn woning zal kwijtraken en dat hij een beperkt sociaal netwerk heeft om op terug te vallen. Daarnaast is verdachte arbeidsongeschikt, ontvangt een uitkering en ervaart stress en schaamte door de strafzaak.

Straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf beoogt de rechtbank recht te doen aan de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor aangeefster. Verder houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat – conform de eis van de officier van justitie – een gevangenisstraf van drie dagen, wat gelijk is aan het voorarrest, en een taakstraf van 60 uren passend en geboden is. De rechtbank ziet, gelet op het reclasseringsadvies, geen aanleiding om een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Contactverbod

Aangeefster heeft het Openbaar Ministerie verzocht om te vorderen dat aan verdachte een contactverbod wordt opgelegd met aangeefster. Zij is na het incident verdachte toevallig tegengekomen in een kroeg in Amsterdam, waardoor zij in paniek is geraakt. De rechtbank kan een contactverbod als bedoeld in artikel 38v Sr om aangeefster of andere personen te beschermen en om herhaling van strafbaar gedrag door verdachte te voorkomen opleggen. De rechtbank ziet, evenals de officier van justitie, geen aanleiding tot het opleggen van een contactverbod omdat niet is gebleken van enig herhalingsgevaar ten opzichte van aangeefster: niet is gebleken dat verdachte opzettelijk contact heeft gezocht met aangeefster. Nu er geen sprake is van herhalingsgevaar ziet de rechtbank af van het opleggen van een contactverbod.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 1.750,-- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie acht toewijzing van de vordering tot een bedrag van 1.000 euro op zijn plaats, kijkend naar de Rotterdamse schaal. De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Volgens de raadsman dient de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard, en bij een bewezenverklaring tot een bedrag van 1.000 euro toegewezen te worden en voor het overige te worden afgewezen.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien het hier om een zedendelict gaat, waarbij de benadeelde partij met geweld aangerand is. Dit veroorzaakte een ernstige inbreuk op haar lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, gelet op de Rotterdamse schaal en rekening houdend met de vergoedingen die in vergelijkbare strafzaken zijn toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 1.000,--. De vordering wordt dan ook toegewezen tot dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (3 maart 2025) tot aan de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22b, 22c, 22d, 36f (oud) en 241 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

gekwalificeerde opzetaanranding.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 1.000,-- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 1.000,- (duizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Smayel, voorzitter,

mrs. C. Bruil en J.M. van Hall, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 januari 2026.

[…]

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »