vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/156093-24
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1996,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
op dit moment gedetineerd te: [detentieadres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. van den Berg en van wat verdachte en haar raadslieden, mrs. [naam] en C.J. Tiemessen, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en dat wat mr. A. Koopsen namens haar naar voren heeft gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2023 tot en met 27 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag 2] 2008) en/of [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedag 3] 2008) en/of [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedag 4] 2009) (telkens)
heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , terwijl die [slachtoffer 1] en/ of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt (artikel 273f lid l sub 2°)immers heeft zij, verdachte, ten aanzien van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (terwijl zij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] in een begeleid wonen zorginstelling verbleven en hierdoor als kwetsbaar is/zijn aan te merken en/of dat die [slachtoffer 1] geld nodig had en/of dat die [slachtoffer 1] verslaafd was)- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] eenmaal of meermalen benaderd en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gevraagd en/of op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] e/of [slachtoffer 3] ingepraat en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] onder druk gezet en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] er toe aangezet om voor haar, verdachte, in de prostitutie te werken, en/of- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] voorgehouden dat ze (veel) geld kon(den) verdienen, en/of- aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] aangegeven dat er foto's gemaakt moesten worden.
3 Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich – overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir – op het standpunt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de mensenhandel in de vorm van seksuele uitbuiting, van de minderjarigen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ).
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Verdachte ontkent namelijk dat ze ooit meisjes heeft gevraagd in de prostitutie te werken. Subsidiair verzoekt de verdediging verdachte partieel vrij te spreken ten aanzien van de beschuldigingen die betrekking hebben op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] en ten aanzien van een deel van de ten laste gelegde periode. De verklaring van [slachtoffer 2] staat op zichzelf en vindt onvoldoende steun in het dossier. Ten aanzien van [slachtoffer 3] herhaalt de verdediging primair het verzoek om haar te horen. Subsidiair verzoekt de verdediging haar verklaring uit te sluiten van het bewijs nu er geen goede reden was dat [slachtoffer 3] niet gehoord kon worden, haar verklaring in overwegende mate ‘sole and decisive’ is en dat de verdediging niet of althans onvoldoende is gecompenseerd. Meer subsidiair dient verdachte ook van het onderdeel mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 3] te worden vrijgesproken omdat ook de verklaring van [slachtoffer 3] op zichzelf staat en geen steun vindt in het dossier. Verder dient de ten laste gelegde periode ten aanzien van [slachtoffer 1] ingekort te worden, nu er van voor september 2023 en na 5 januari 2024 geen van de ten laste gelegde handelingen kunnen worden toegeschreven aan verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
De rechtbank zal de vraag beantwoorden of het handelen van verdachte kan worden beschouwd als mensenhandel in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarbij zal de rechtbank het juridisch kader uiteenzetten. Daarna zal worden gemotiveerd tot welke conclusies de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen komt, waarbij ook hetgeen de officier van justitie en de raadslieden hebben aangevoerd zal worden besproken.
Juridisch kader
Algemeen
Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Dit wetsartikel staat in titel XVIII die ziet op de ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. De strafbaarstelling is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting daarvan.
Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr ziet op de bescherming van minderjarigen tegen (seksuele) uitbuiting door anderen. Hierbij is niet van belang of een verdachte bekend is met de minderjarigheid van het slachtoffer, aangezien de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel is. Door het tewerkstellen van minderjarigen in de prostitutie is er in het algemeen sprake van een grote inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de minderjarige.
Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr ziet, voor zover in deze zaak van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander, terwijl die ander nog geen achttien jaren oud is. Deze bepaling is niet beperkt tot uitbuiting in de prostitutie, maar ziet op alle intermenselijke relaties waarbij uitbuiting van een minderjarige aan de orde is. Het gebruik van dwangmiddelen is niet vereist. Wel moeten de handelingen en het oogmerk van uitbuiting worden bewezen. Aangenomen wordt dat er een oogmerk van uitbuiting bestaat als de verdachte het oogmerk heeft om een minderjarige in de prostitutie te laten werken.
Feiten en omstandigheden ten aanzien van [slachtoffer 1]
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen zoals opgenomen in bijlage I van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 1 oktober 2023 krijgt de politie een melding van de vader van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 2008, dat zij is weggelopen uit een woongroep en zou verblijven in een woning op de [adres] . Zij zou daar in handen zijn van loverboys en onder invloed van drugs zijn. Ter plaatse worden er door de verbalisanten meerdere personen aangetroffen bij de woning waaronder [slachtoffer 1] en verdachte. Ook worden in de woning twee volwassen mannen aangetroffen waarvan de identiteit niet is vastgesteld.
De vader van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat toen hij te horen kreeg dat [slachtoffer 1] was weggelopen, hij in paniek raakte en toen naar de begeleid wonen zorginstelling [zorginstelling] is gegaan. Daar raakte hij in contact met een meisje door hem [slachtoffer 2] werd genoemd (verder te noemen: [slachtoffer 2] ) die vervolgens contact heeft gezocht met [slachtoffer 1] . Na ongeveer een half uur gaf [slachtoffer 1] haar locatie door aan [slachtoffer 2] , waarna de vader van [slachtoffer 1] vervolgens naar de woning op de [adres] is gegaan. In de woning trof hij drie volwassen mannen aan, waarvan één in zijn onderbroek. Ook verdachte was in de woning aanwezig. Ook een derde negentienjarig meisje ‘ [naam] ’ bleek zich in de woning te bevinden. De vader van [slachtoffer 1] verklaart verder dat zijn dochter op de woongroep [zorginstelling] in contact is gekomen met verdachte die haar een baan in de prostitutie heeft aangeboden. Dit heeft hij in eerste instantie niet van [slachtoffer 1] zelf gehoord, maar later heeft zij wel gezegd dat zij een baan aangeboden had gekregen van verdachte. Dit zou hetzelfde werk zijn als wat zij deed. Verdachte en [slachtoffer 1] zouden dan samen op pad gaan en een hoop geld krijgen.
Verklaringen [slachtoffer 1]
heeft zelf meerdere verklaringen afgelegd. Hieruit volgt dat zij verdachte in september 2023 heeft leren kennen in de zorginstelling [zorginstelling] en dat zij tot 5 januari 2024 met verdachte daar heeft verbleven. Zij leerde verdachte al op de eerste dag van haar verblijf bij [zorginstelling] kennen. Toen zij vijf dagen in die zorginstelling verbleef, werd zij door verdachte benaderd met de vraag of zij klantjes (escortwerk) van haar wilde overnemen. Verdachte gaf hierbij ook aan dat [slachtoffer 1] hiervoor foto’s moest maken. [slachtoffer 1] zou dan € 250,- verdienen en zou dit zelf mogen houden van verdachte. Als [slachtoffer 1] meer dan € 250,- zou verdienen met het prostitutiewerk, dan moest zij dat geldbedrag (dat erboven zit) aan met verdachte delen. Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] volgt dat verdachte meerdere malen op verschillende dagen en op verschillende manieren aan haar heeft gevraagd of zij escortwerk wilde doen. Aangezien [slachtoffer 1] geld nodig had, heeft ze getwijfeld om het escortwerk te gaan doen. Volgens [slachtoffer 1] wist verdachte dat zij geld nodig had en dat [slachtoffer 1] verslaafd was aan verschillende soorten drugs.
Verder verklaart [slachtoffer 1] dat verdachte haar op 1 oktober 2023 met de taxi heeft meegenomen naar een woning in Amsterdam. Verdachte had haar gezegd dat ze naar een vriend van haar gingen. [slachtoffer 1] dacht dat ze met zijn drieën in de woning zouden zijn, maar – eenmaal aangekomen bij de woning – bleken er vijf mensen in de woning te zijn. In de woning was een jongen in een boxershort en een meisje in een bh en een string aanwezig. Toen zij in de woning was, heeft zij gehoord dat een meisje seks had met een van de mannen die in de woning aanwezig was. Verdachte heeft ook die avond aan [slachtoffer 1] gevraagd of zij het wilde doen met de man die een boxershort aanhad. Die man zou dan alles voor haar betalen en dure spullen voor haar kopen. [slachtoffer 1] verklaart dat ze opgelucht was dat haar vader haar heeft gevonden in de woning omdat ze anders bang was dat ze misschien wel seks had gehad met een van de mannen.
Verklaring verdachte
Verdachte ontkent [slachtoffer 1] meerdere malen te hebben benaderd om in de prostitutie te werken. Zij heeft [slachtoffer 1] weliswaar op 1 oktober 2023 meegenomen naar een woning in Amsterdam, maar in dit huis waren vrienden aanwezig en geen klanten. Ook heeft er in de woning geen seks plaatsgevonden.
3.3.3.1 Bewezenverklaring
Hoewel verdachte ontkent dat zij [slachtoffer 1] heeft benaderd voor prostitutiewerk, gaat de rechtbank uit van de verklaringen van [slachtoffer 1] . Haar verklaringen zijn namelijk consistent, gedetailleerd en vinden op essentiële onderdelen steun in de overige bewijsmiddelen. Dat [slachtoffer 1] en verdachte onder de hierboven beschreven omstandigheden zijn aangetroffen in de woning op 1 oktober 2023 steunt haar verhaal. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan de juistheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] te twijfelen.
Handelingen
Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden volgt dat de minderjarige [slachtoffer 1] en verdachte samen in de begeleid wonen zorginstelling [zorginstelling] verbleven in de periode van september 2023 tot en met 5 januari 2024. Verdachte heeft na vijf dagen meermalen aan [slachtoffer 1] gevraagd om haar klantjes over te nemen en daarbij aangegeven dat er foto's gemaakt moesten worden. Ook heeft verdachte vervolgens [slachtoffer 1] op 1 oktober 2023 naar een woning gebracht waar ook meerderjarige mannen aanwezig waren. Zoals uit de verklaring van [slachtoffer 1] en haar vader blijkt, stond een van de aanwezige mannen in zijn onderbroek. Uit het voorgaande volgt dat verdachte de minderjarige [slachtoffer 1] heeft geworven om in de prostitutie te werken en heeft vervoerd naar de woning in Amsterdam.
Oogmerk van uitbuiting
Dat verdachte het oogmerk van uitbuiting heeft gehad, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de bewijsmiddelen. Daaruit kan immers worden afgeleid dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] verslaafd was aan verschillende soorten drugs en dat zij geld nodig had. Verdachte heeft meerdere malen aan [slachtoffer 1] voorgehouden dat zij veel geld zou kunnen verdienen of dure spullen zou kunnen krijgen door te werken in de prostitutie. Daarnaast diende [slachtoffer 1] als zij meer dan € 250,- zou verdienen, de winst met verdachte te delen. Uit de voorgaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank dan ook dat het oogmerk van verdachte gericht is geweest op uitbuiting in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr.
Hoewel het niet noodzakelijk is voor de bewezenverklaring, overweegt de rechtbank dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat het ook daadwerkelijk tot betaalde seks is gekomen tussen [slachtoffer 1] en een ander persoon.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr.
Partiële vrijspraak pleegperiode
Zoals hierboven uiteengezet heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij 5 dagen nadat zij in september 2023 in de begeleid wonen zorginstelling [zorginstelling] terecht was gekomen, door verdachte benaderd is met de vraag of zij klantjes van haar wilde overnemen. [slachtoffer 1] heeft vervolgens tot 5 januari 2024 met verdachte bij [zorginstelling] verbleven. Op die dag is zij gesloten geplaatst in een woongroep bij [naam woongroep] . De rechtbank zal dan ook alleen de periode van september 2023 tot en met 5 januari 2024 bewezen verklaren.
Conclusie
Op grond van wat hierboven is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich ten aanzien van [slachtoffer 1] in de periode van september 2023 tot en met 5 januari 2024 schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr.
Partiële vrijspraak ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]
Ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling te komen. De verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dat zij ook door verdachte zouden zijn benaderd om in de prostitutie te werken, vindt onvoldoende steun in het dossier. Deze verklaringen zijn – anders dan die van [slachtoffer 1] – te algemeen en onvoldoende gedetailleerd met betrekking tot wanneer, hoe en onder welke omstandigheden verdachte hen zou hebben benaderd om in de prostitutie te werken. Ten aanzien van [slachtoffer 3] geldt bovendien het volgende. Ondanks dat [slachtoffer 3] heeft verklaard dat verdachte een keer aan haar heeft gevraagd om in de prostitutie te werken, is het onduidelijk wanneer dit aan haar gevraagd zou zijn. Volgens [slachtoffer 3] was namelijk ook [slachtoffer 1] aanwezig toen verdachte aan haar vroeg om in de prostitutie te werken, maar [slachtoffer 1] verklaart alleen over een appgesprek wat zij zou hebben meegelezen op de telefoon van [slachtoffer 3] . De rechtbank is van oordeel dat het snapchatgesprek tussen getuige [getuige] en [slachtoffer 3] ook onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. In dit gesprek wordt met name gesproken over verdachte en [slachtoffer 1] en volgt niet dat ook [slachtoffer 3] door verdachte zou zijn benaderd om in de prostitutie te gaan werken. Er zit daarnaast geen getuigenverklaring of ander bewijsmiddel in het dossier die hun verklaringen ondersteunt.
Anders dan door de officier van justitie bepleit, ziet de rechtbank onvoldoende grond om door middel van schakelbewijs tot bewezenverklaringen te komen. Voor schakelbewijs is het volgens vaste jurisprudentie nodig dat er concrete verklaringen liggen die op essentiële punten overeenkomen of kenmerkende gelijkenissen vertonen, waardoor er sprake is van een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte, de zogenaamde modus operandi. Hoewel zowel [slachtoffer 1] , als [slachtoffer 3] als [slachtoffer 2] verklaard hebben dat zij door verdachte zijn benaderd om in de prostitutie te werken, is door het ontbreken van details over de (gestelde) werkwijze van verdachte het vaststellen een specifieke modus operandi niet goed mogelijk. Dat betekent dat de rechtbank van oordeel is dat niet op grond van schakelbewijs tot een bewezenverklaring gekomen kan worden ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] .
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken voor zover de tenlastelegging ziet op de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] .
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 1 september 2023 tot en met 5 januari 2024 te Amsterdam, een ander, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag 2] 2008) (telkens) heeft geworven en vervoerd, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] , terwijl die [slachtoffer 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (artikel 273f lid l sub 2°)immers heeft zij, verdachte, ten aanzien van die [slachtoffer 1] (terwijl zij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] in een begeleid wonen zorginstelling verbleef en hierdoor als kwetsbaar is aan te merken en dat die [slachtoffer 1] geld nodig had en dat die [slachtoffer 1] verslaafd was)- die [slachtoffer 1] meermalen benaderd en (vervolgens) die [slachtoffer 1] gevraagd en op die [slachtoffer 1] ingepraat en die [slachtoffer 1] er toe aangezet om voor haar, verdachte, in de prostitutie te werken, en- die [slachtoffer 1] voorgehouden dat ze (veel) geld kon verdienen, en- aan die [slachtoffer 1] aangegeven dat er foto's gemaakt moesten worden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5 De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier blijkt dat er diverse (psychische) problemen bij verdachte zijn. Aangezien het aannemelijk is om te veronderstellen dat die psychische problematiek ook bestond ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit, dient er rekening mee gehouden te worden dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar was.
Oordeel van de rechtbank
Hoewel er in deze zaak geen psychiatrisch of psychologisch onderzoek heeft plaatsgevonden bij verdachte, is de rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat zij psychische problemen heeft die ten tijde van de bewezen verklaarde feiten ook aanwezig waren. Verdachte is in 2020 gediagnosticeerd met een ongespecificeerde schizofreniespectrum‐ of andere psychotische stoornis en een stoornis in cannabisgebruik en in 2025 is er nog een zorgmachtiging afgegeven waarbij zij maandelijks depotmedicatie toegediend heeft gekregen. Ook ter terechtzitting maakt verdachte af en toe een verwarde en afwezige indruk. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte het bewezen verklaarde in verminderde mate toerekenen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte (volledig) uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
De rechtbank hecht er aan in dit kader nog het volgende op te merken. In het strafdossier is sprake van meerdere indicaties, (onder meer in de verklaring van het slachtoffer) dat verdachte mogelijk zelf zou worden uitgebuit door een of enkele van de mannen die in het dossier zijn genoemd. Niet onbelangrijk is dat het slachtoffer in deze zaak wel door één van de mannen zou zijn ingezet voor het dealen van verdovende middelen (“in plaats van het verkopen van haar lichaam”). Die indicaties komen ook voor in de over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportages. De rechtbank heeft de lezing dat verdachte ook zelf slachtoffer was en de namen van de namen van die mannen aan de verdachte voorgelegd, en haar gevraagd of dat mogelijk het geval was. Verdachte heeft zich daarover niet anders uitgelaten dan de enkele ontkenning daarvan. De rechtbank heeft als gevolg daarvan ten aanzien van die mogelijke slachtofferrol van verdachte geen feiten en omstandigheden kunnen vaststellen die tot een andere dan de hier weergegeven conclusie leiden.
7 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging verzoekt de persoonlijke omstandigheden van verdachte in strafverminderende zin mee te laten wegen. Verdachte was en is uiterst kwetsbaar. Daarnaast waren de omstandigheden in de instelling [zorginstelling] zeer beroerd, wat ook blijkt uit het overgelegde rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd over die instelling. Verdachte wil niet meewerken aan bijzondere voorwaarden, maar ook een gevangenisstraf gaat haar problemen ook niet oplossen. De verdediging verzoekt daarom te volstaan met een straf die gelijk is aan de duur van het voorarrest.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit, namelijk door het werven en vervoeren met het oogmerk om de destijds 15-jarige (en ten opzichte van haar, 12 jaar jongere) [slachtoffer 1] seksueel uit te buiten. Verdachte heeft [slachtoffer 1] namelijk meermaals gevraagd of zij in de prostitutie wilde werken en daarnaast heeft zij [slachtoffer 1] ook gebracht naar een woning met meerderjarige mannen waar seksuele handelingen plaatvonden maar aldaar aanwezige jonge vrouwen. Het door de verdachte gepleegde feit is te kwalificeren als mensenhandel. Mensenhandel is een zeer ernstig strafbaar feit en wordt daarom doorgaans dienovereenkomstig bestraft. Dat komt omdat mensenhandel een grote inbreuk maakt op lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers, zeker als dat, zoals hier, een zo jong, kwetsbaar en beïnvloedbaar minderjarig slachtoffer betreft.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat verdachte documentatie heeft maar niet eerder is verdacht van of veroordeeld is voor strafbare feiten als de onderhavige.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 15 augustus 2025 van de GGZ reclassering Fivoor. Hieruit blijkt dat er zorgen zijn op meerdere leefgebieden. Zo ontbreekt het betrokkene aan stabiele huisvesting. Verdachte heeft namelijk geen eigen woning en verblijft op verschillende plekken. Verder is er onvoldoende zicht op haar middelengebruik en zijn er zorgen over het netwerk waar zij zich in bevindt. Ook zijn er zorgen over haar werk in de prostitutie. Daarnaast is verdachte in 2023 ook gediagnostiseerd met een ongespecificeerde schizofrenie spectrum of andere psychotische stoornis en een stoornis in cannabisgebruik. Verder komt uit het rapport naar voren dat verdachte op dat moment een zorgmachtiging had waarbij zij maandelijks depotmedicatie kreeg toegediend.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het aanvullende reclasseringsrapport van 27 mei 2026 van de GGZ reclassering Fivoor. Uit dit rapport blijkt dat de reclassering zorgen over haar heeft en zij een langdurig klinisch traject noodzakelijk achten. De reclassering adviseert echter een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen omdat verdachte heeft aangegeven hieraan geen medewerking te willen verlenen. Zonder de medewerking van verdachte is het niet mogelijk is om een klinische opname te adviseren en uit te voeren. Verder komt uit het rapport naar voren dat de eerder verleende zorgmachtiging in november 2025 is geëindigd, waarna verdachte gestopt is met de depotmedicatie en volledig uit beeld is geraakt. Verdachte meldt zich dan ook niet bij de reclassering, waardoor ook ambulante zorg niet van de grond is gekomen.
De op te leggen straf
Uit bovengenoemde stukken en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat verdachte een zeer kwetsbare vrouw is. Verdachte heeft al langere tijd ernstige (psychische) problemen. Zoals hiervoor toegelicht was dit ook zo ten tijde van het strafbare feit waardoor de rechtbank het bewezen verklaarde in verminderde mate zal toerekenen aan verdachte. De rechtbank zal hier dan ook in strafverminderende zin rekening mee houden. De vraag in deze zaak is dan ook welke straf passend is.
Hoewel er grote zorgen zijn over verdachte, wil zij niet meewerken aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden, waaronder een langdurige klinische opname. Ter terechtzitting heeft verdachte verder aangegeven dat zij niet terug wil naar de gevangenis en daarnaast liever niet meer in Nederland zou willen wonen. Ook heeft zij aangegeven dat zij op 2 augustus 2026 met haar familie op vakantie naar Marokko gaat en dat zij daar dan graag wil en kan blijven. Hoewel de rechtbank hoopt dat dit voor verdachte goed uit zal pakken, heeft zij – gelet op de problemen die verdachte heeft – grote zorgen over hoe het met verdachte zal gaan als zij zonder hulp wordt vrijgelaten. De rechtbank vindt het, al het voorgaande in aanmerking nemend, passend en geboden om verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 145 dagen met aftrek van het voorarrest. Dit betekent dat verdachte op 1 augustus 2026 vrij zal komen en de volgende dag met haar familie af kan reizen naar Marokko om haar leven daar voort te zetten.
Nu verdachte ter zitting heeft aangegeven dat zij niet wil meewerken aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden en verdachte in de tijd dat zij geschorst was geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd, ziet de rechtbank geen aanleiding een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
De rechtbank komt tot een beduidend lagere straf dan de eis van de officier van justitie, omdat zij deze straf gezien het hiervoor overwogene meer passend vindt en omdat zij verdachte voor een deel van de tenlastelegging heeft vrijgesproken.
8 Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt partijen
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [slachtoffer 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 145 dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 5 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 1.000,- (zegge: duizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 5 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. B. Vogel en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.
[…]
[…]
[…] […]
[…] […][…]
[…] […] […] […] […]
[…]
[…] […]
[…]
[…] […] […] […] […]
[…] […][…]
[…]
[…] […]