RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/785450 / KG ZA 26-235 MK/GR
Vonnis in kort geding van 17 april 2026
in de zaak van
ELISABETH OTTER-KNOLL STICHTING,
te Amsterdam,
eisende partij bij dagvaarding van 30 maart 2026,
hierna te noemen: de stichting,
advocaat: mr. J.J.M. Saelman,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon.
1 De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 8 april 2026 heeft de stichting de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft ter zitting verweer gevoerd. Bij de mondelinge behandeling was namens de stichting haar [functie] [naam] aanwezig, bijgestaan door mr. Saelman. [gedaagde] verscheen in persoon. Na aanhouding is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
De stichting verzorgt woonruimte voor senioren, die in beginsel ouder zijn dan 65 jaar. Zij bezit in Buitenveldert aan het adres Loowaard een complex met circa 120 ruime service-appartementen voor senioren. Daarnaast verhuurt de stichting circa tien kleine appartementen aan studenten, die zich bereid verklaren hand- en spandiensten te verrichten voor de oudere huurders.
In maart 2018 heeft de stichting aan de moeder van [gedaagde] het appartement met nummer [nummer] (hierna: de woning) verhuurd.
De moeder van [gedaagde] verbleef begin januari 2026 in het ziekenhuis. Zij is daar op 11 januari 2026 overleden. Op haar sterfbed heeft zij de sleutels van de woning aan de toen bij haar aanwezige familieleden, waaronder haar zus, overhandigd.
De huurovereenkomst liep nog door tot 31 maart 2026.
De stichting heeft contact geprobeerd te leggen met [gedaagde] , de vermoedelijke erfgenaam van de moeder.
Op 2 maart 2026 is [gedaagde] met de sleutel die de familie had ontvangen ingetrokken in de woning waar zij sindsdien verblijft.
Op 12 maart 2026 heeft [gedaagde] de stichting verzocht of zij drie maanden langer in de woning mocht blijven. De stichting heeft dat ter plekke geweigerd en gezegd dat de woning op 31 maart 2026 moet zijn ontruimd.
Bij brief van 24 maart 2026 heeft de stichting de ontruiming en oplevering van de woning per 31 maart 2026 (nogmaals) aangezegd.
[gedaagde] heeft daaraan niet voldaan.
3 Het geschil
De stichting vordert – samengevat – [gedaagde] te veroordelen de woning binnen drie dagen na betekening van het vonnis geheel leeg en ontruimd aan de stichting ter beschikking te stellen en met alle daarin aanwezige personen en goederen te hebben verlaten en ontruimd, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat zij door een gedwongen ontruiming praktisch op straat staat. [gedaagde] zou daarom graag in de woning blijven; temeer omdat zij na het recente overlijden van haar moeder in een rouwproces zit en het verblijf in de woning haar in deze fase (beter) door dat proces heenleidt, mede in verband met de rust (van medebewoners) en de aanwezigheid van een tuin. Bovendien stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat haar aanwezigheid in de woning de stichting ten goede komt (zij bakt koekjes en brengt de post rond voor de oudere huurders), omdat een gemengde woongroep beter is voor de cohesie. Dit in tegenstelling tot een woongroep met louter senioren, wat leidt tot gettovorming.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de stichting daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Hoewel ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt en bij de beoordeling van een dergelijke vordering in kort geding – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid moet worden betracht, zal de vordering tot ontruiming worden toegewezen. De voorzieningenrechter begrijpt dat de gevolgen hiervan voor [gedaagde] groot zijn, maar de belangen van de stichting wegen zwaarder. Daartoe is het volgende redengevend.
Vast staat dat de stichting eigenaar is van de woning en dat [gedaagde] zonder recht en titel in de woning verblijft. Uitgangspunt is dan ook dat [gedaagde] de woning moet verlaten. Het spoedeisend belang van de stichting is er in gelegen dat zij – conform haar statutaire doelstelling – de woning wenst te verhuren aan een van de vele (de stichting stelt: circa 300) wachtende senioren. De stichting draagt daarvoor ook een verantwoordelijkheid.
De stichting heeft, uit medeleven met [gedaagde] moeilijke situatie, haar verblijf in de woning tot april 2026 oogluikend toegestaan. Dit betekent niet dat [gedaagde] daarmee recht heeft op langdurig verblijf. Dat [gedaagde] het fijn vindt in de woning, ook gegeven de fase van haar leven, en bereid is de huurlasten te betalen is onvoldoende zwaarwegend om het belang van de stichting haar eigendom te kunnen gebruiken te overstijgen.
Wel acht de voorzieningenrechter een langere ontruimingstermijn op zijn plaats. Zij heeft een urgentieverklaring op de sociale huurmarkt, maar het is niet aannemelijk dat zij binnen drie dagen een nieuwe woning zal hebben. De voorzieningenrechter zal de ontruimingstermijn op één maand stellen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De voorzieningenrechter past daarbij het forfaitaire minimale salaristarief toe van € 760,00. De proceskosten van de stichting worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
735,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
760,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.837,02 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van de stichting zijn, en de sleutels af te geven aan de stichting,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.837,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
Coll: JD