RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/775880 / HA ZA 25-1506
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] (Tsjechië),
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.C. Kool,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. C. van Baalen-van IJzendoorn.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] van 12 september 2025 en akte overlegging producties producties 1 t/m 39,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] , tevens eis in reconventie, met producties 1 t/m 68,
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] , met producties 40 t/m 42,
- het tussenvonnis van 1 april 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, waar gelijktijdig de behandeling plaatsvond van het verzoekschrift van [gedaagde] , zaaknummer C/13/779747/HA RK 25/430.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Op is [overlijdensdag] 2020 de heer [erflater] (hierna: erflater) overleden. Hij was op dat moment onder huwelijkse voorwaarden, waarbij iedere vorm van gemeenschap is uitgesloten, getrouwd met mevrouw [echtgenote] (hierna: de echtgenote).
Bij testament van 15 september 2015 (hierna: het testament) heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt en heeft hij zijn twee kinderen, [eiser] en [gedaagde] , tot zijn enig erfgenamen benoemd. [eiser] en [gedaagde] hebben de nalatenschap beiden zuiver aanvaard. Tot de nalatenschap van erflater behoorde onder meer, naast banktegoeden, een woning gelegen aan [adres 1] (hierna: de woning), een garage gelegen aan [adres 2] (hierna: de garage), en een aandeel in een perceel grond gelegen aan [adres 3] (hierna: de kavel).
Verder heeft erflater in het testament aan [eiser] , [gedaagde] en aan de echtgenote een legaat toegekend. Ten aanzien van de legaten van [eiser] en [gedaagde] luidt het testament, voor zover hier relevant, als volgt:
“(…)
3. Legaat zoon [eiser]
Ik legateer aan mijn zoon [eiser] mijn banktegoeden inclusief effecten, met uitzondering van tegoeden op en/of rekeningen, zulks na voldoening van:
a. alle schulden drukkende op mijn nalatenschap conform artikel 4.7 Burgerlijk Wetboek, en
b. het sub 2.d. gemelde geldlegaat (rechtbank: een bedrag van € 550.000,00 aan de echtgenote);
ik bepaal, dat mijn zoon [eiser] het door hem ontvangen legaat dient in te brengen in mijn nalatenschap, zoals hierna bepaald.
4. Legaat [gedaagde]
Ik legateer aan mijn zoon [gedaagde] mijn huis met tuin en ondergrond gelegen te [adres 1] , kadastraal bekend [gemeente] sectie [kadastrale aanduiding 1] , mijn garage gelegen te [plaats] kadastraal bekend [gemeente] sectie [kadastrale aanduiding 2] zomede mijn aandeel in het perceel grond grenzend aan de tuin van [adres 4] en een geheel uitmakend met die tuin, kadastraal bekend [gemeente] sectie [kadastrale aanduiding 3] .
Ik bepaal dat mijn zoon [gedaagde] het door hem ontvangen legaat dient in te brengen in mijn nalatenschap zoals hierna bepaald, en, dat hij de voorwaarde met betrekking tot de voldoening van de inbrengsom, zoals hierna onder 7 omschreven en de verplichting voortvloeiende uit de meerwaardeclausule, zoals hierna onder 8 omschreven, accepteert. De waarde van het gelegateerde registergoed dient in onderling overleg te worden vastgesteld en bij gemis aan overeenstemming daarbij door een taxateur aan te wijzen door de kantonrechter te Middelburg. (…)
(…)
7. Verrekening inbrengverplichtingen
Uitgaande van mijn actuele vermogenssituatie zal de inbrengwaarde van het legaat 4 hoger zijn dan dat van legaat 3.
Mijn zoon [eiser] zal de banktegoeden kunnen gebruiken voor de betaling van het door hem verschuldigde successierecht.
Mijn zoon [gedaagde] zal het door hem verschuldigde successierecht uit eigen vermogen moeten voldoen en/of daarvoor een (hypothecaire) geldlening kunnen nemen met het hem gelegateerde als onderpand (hypotheek).
Het door mijn zoon [gedaagde] wegens een hogere inbrengverplichting schuldig gebleven bedrag aan zijn mede-erfgenaam [eiser] is opeisbaar vijf jaar na mijn overlijden.
Rente:
Over het door mijn zoon [gedaagde] schuldig gebleven bedrag is hij aan mijn zoon [eiser] een rente verschuldigd van vier procent (4%) per jaar, gerekend vanaf de dag van mijn overlijden tot aan de dag van voldoening van de hoofdsom of deel daarvan.
De rente is opeisbaar tegelijk met de hoofdsom of het gedeelte daarvan zoals hiervoor aangegeven, derhalve na vijf jaar na mijn overlijden.
Het door mijn zoon [gedaagde] aan hoofdsom en rente verschuldigde is in afwijking van het vorenstaande direct en zonder ingebrekestelling opeisbaar bij vervreemding van gemeld registergoed of gedeelte daarvan (…)
Zekerheidsstelling:
Ik bepaal dat mijn zoon [gedaagde] , tot zekerheid van de hiervoor genoemde verplichtingen en de verplichtingen uit de hierna onder 8 te noemen meerwaarde clausule ten behoeve van mijn zoon [eiser] een recht van hypotheek vestigt op het hiervoor genoemde registergoed, een en ander ter beoordeling aan de executeur. (…)
8. Bijzondere regeling met betrekking tot het onder 4 gelegateerde
MEERWAARDE CLAUSULE
Met betrekking tot de toedeling van het huis te [plaats] aan [gedaagde] , zoals hiervoor onder 4 gemeld bepaal ik, dat indien [gedaagde] danwel zijn erfgenamen of rechthebbenden binnen tien jaar na mijn overlijden tot vervreemding van het gelegateerde of een gedeelte daarvan overgaan zoon [eiser] gerechtigd is tot de helft van de verkoop opbrengst (…) voor zover die verkoopopbrengst dan wel verkoopwaarde is gelegen boven de inbrengwaarde.
[eiser] is gerechtigd tot dit bedrag op de dag van de vervreemding. (…)
(…)”
[eiser] en [gedaagde] hebben beiden het legaat dat erflater bij testament aan hen heeft toegekend aanvaard.
Op 9 november 2020 heeft [gedaagde] per e-mail onder meer het volgende aan de heer [naam] (destijds de executeur in de nalatenschap van erflater) laten weten:
“(…)
[eiser] & ik hebben dit weekend over alles overeenstemming bereikt.
(…)
Verder heb ik de overeen gekomen waarderingen van het vastgoed en de eend op papier gezet. (…)”
Bij zijn e-mail van 9 november 2020 heeft [gedaagde] een bestand gevoegd. Daarin staat, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“ overeen gekomen boedel waardering
(…)
Huis € 987.500,00
Kavel € 100.000,00
Garage € 42.500,00
(…)”
Op enig moment heeft [gedaagde] het stuk grond waarop de woning is gelegen, gesplitst in drie percelen: een perceel met nummer [nummer 1] , een perceel met nummer [nummer 2] en een perceel met nummer [nummer 3] . Het perceel met nummer [nummer 1] heeft [gedaagde] op 26 juli 2022 aan de buurman verkocht voor een bedrag van € 12.285,00. Het perceel met nummer [nummer 2] heeft een oppervlakte van 146 m2, en is toegevoegd aan de kavel. Het perceel met nummer [nummer 3] , inclusief de daarop gelegen woning, heeft [gedaagde] op 5 februari 2024 verkocht voor een bedrag van € 900.000,00. De woning is op 22 mei 2025, met instemming van [eiser] , aan de kopers geleverd.
In de periode na het overlijden van erflater hebben partijen geprobeerd overeenstemming te bereiken over de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Dat is tot op heden niet gelukt.
Op 21 mei 2025 hebben partijen een depotovereenkomst gesloten, op grond waarvan een deel van de verkoopopbrengst van de woning en het afgesplitste stuk grond dat aan de buurman is verkocht, te weten een bedrag van € 222.000,00, in depot wordt gehouden bij de notaris.
3 Het geschil
In conventie
[eiser] vordert – samengevat, na vermindering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt om binnen vijf werkdagen na dit vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 204.021,43, vermeerderd met de testamentaire rente van 4% vanaf 5 september 2025,
II. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 17.875,12 althans € 2.795,11 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,
III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
[gedaagde] vordert, voorwaardelijk, voor zover de rechtbank in conventie tot het oordeel komt dat toekenning van de testamentaire rente over de vordering van [eiser] niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt geacht, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde] vanaf 14 november 2021 bevrijd is van zijn verplichting tot vergoeding van de testamentaire rente aan [eiser] ,
II. [eiser] veroordeelt in de proceskosten.
[eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , althans tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
In conventie en in reconventie
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.
De verhouding tussen partijen
Vaststaat dat partijen als erfgenamen deelgenoten zijn in de onverdeelde nalatenschap van erflater. Daarnaast zijn partijen legatarissen, wat maakt dat zij beiden schuldeiser zijn van de nalatenschap, in die zin dat zij op grond van artikel 4:117 lid 1 BW een vorderingsrecht hebben tot afgifte van het legaat. De zaken die aan [eiser] en [gedaagde] zijn gelegateerd behoren niet tot hetgeen tussen hen (als erfgenamen) moet worden gescheiden en gedeeld, zodat zij afgifte daarvan uit de onverdeelde boedel kunnen vorderen.1 Nu aan [eiser] en [gedaagde] een legaat tegen inbreng van de waarde daarvan is toegekend, zijn zij tegelijkertijd ook schuldenaar van de nalatenschap. In deze procedure staan de verplichtingen van [gedaagde] als legataris ten opzichte van de nalatenschap van erflater centraal.
Inbreng en rente
Partijen zijn het erover eens dat uit het testament volgt dat [gedaagde] verplicht is de waarde van de aan hem gelegateerde zaken in te brengen in de nalatenschap, dat partijen die waarde in gezamenlijk overleg moeten vaststellen en ook, althans dat wordt niet door [gedaagde] bestreden, dat hij op grond van punt 7 van het testament over die overeengekomen waarde van het gehele legaat rente aan [eiser] verschuldigd is van 4% per jaar, gerekend vanaf de dag van het overlijden van erflater. Evenmin staat ter discussie dat partijen op enig moment afspraken hebben gemaakt over de waarde van de aan [gedaagde] gelegateerde zaken, waarbij zij de waarde van de woning op € 987.500,00 hebben begroot, de waarde van de kavel op € 100.000,00 en de waarde van de garage op € 42.500,00, zodat de totale waarde van het legaat van [gedaagde] neerkomt op € 1.130.000,00.
[eiser] stelt dat [gedaagde] gelet op de gemaakte afspraken over de waarde van het legaat van [gedaagde] , en na andere verrekeningen in het kader van de verdeling van de nalatenschap, een bedrag van € 204.021,43 aan hem verschuldigd is. Met betaling daarvan is de nalatenschap van erflater volgens [eiser] afgewikkeld. Bij de berekening van dit bedrag is ook rekening gehouden met de testamentaire rente, die [gedaagde] aan [eiser] moet voldoen omdat hij tot op heden niet aan zijn inbrengverplichting heeft voldaan, aldus [eiser] .
[gedaagde] stelt daartegenover dat de destijds gemaakte afspraak over de waarde van het legaat erop was gebaseerd dat het legaat spoedig zou worden afgegeven, zodat [gedaagde] zijn inbreng kon laten financieren. Omdat het legaat door toedoen van [eiser] nooit is afgegeven, kon [gedaagde] geen financiering krijgen en daarom niet aan zijn inbrengverplichting voldoen. [eiser] stelde immers steeds onredelijke en blokkerende voorwaarden aan het afgeven van het legaat. Onder deze omstandigheden is het volgens [gedaagde] onredelijk als hij nu, gelet op de negatieve waardeontwikkeling die in de tussentijd is opgetreden, nog eraan gehouden wordt om het legaat in te brengen tegen de destijds overeengekomen waarde. Eerder ligt voor de hand dat zijn inbrengverplichting gelijk moet zijn aan de netto-opbrengst van de aan hem gelegateerde zaken, die voor wat betreft de woning lager ligt dan de eerder overeengekomen waarde. Om dezelfde redenen is het volgens [gedaagde] ook niet redelijk als hij de testamentaire rente aan [eiser] moet voldoen. Omdat [eiser] weigerde het legaat af te geven, is de rente onnodig opgelopen. Tot slot heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat sprake is van schuldeisersverzuim in de zin van artikel 6:58 van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu [gedaagde] vanwege de weigering van [eiser] om het legaat af te geven niet aan zijn inbrengverplichting kon voldoen.
De rechtbank begrijpt de stelling van [gedaagde] zo, dat hij zich op het standpunt stelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als hij eraan wordt gehouden de destijds overeengekomen waarde van het legaat in te brengen en de testamentaire rente aan [eiser] te voldoen (artikel 6:2 lid 2 BW). Bij toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid dient de rechter terughoudendheid te betrachten. Vaststaat dat de afgifte van het legaat aan [gedaagde] , de verschuldigdheid van de testamentaire rente en de verdere afwikkeling van de nalatenschap van erflater door voortdurend debat tussen [eiser] en [gedaagde] is vastgelopen. Uit de uitgebreide correspondentie die partijen in het geding hebben gebracht, valt echter niet af te leiden dat dit alleen of in overwegende mate aan de gedragingen van één van hen te wijten is, meer in het bijzonder, aan apert onredelijke standpunten of gedragingen van [eiser] . Eerder volgt daaruit dat steeds nieuwe meningsverschillen tussen partijen ontstonden en dat partijen meermaals niet of pas na verloop van tijd op elkaars standpunten reageerden, waardoor het tot op heden niet tot afgifte van het legaat en betaling van de inbreng is gekomen. Van schuldeisersverzuim is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Partijen kwamen er gewoonweg niet met elkaar uit en wisten geen overeenstemming te bereiken. Daarmee is, anders dan [gedaagde] meent, nog niet de conclusie gerechtvaardigd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij gehouden is om in te brengen tegenover de overeengekomen waarde en daarnaast de testamentaire rente aan [eiser] te voldoen.
[gedaagde] heeft verder nog aangevoerd dat de woning voor een lager bedrag dan de tussen partijen overeengekomen waarde is verkocht, en het ook om die reden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om [gedaagde] aan de eerder overeengekomen waarde te houden. De rechtbank volgt hem daarin niet. Bij de verkoop van de woning heeft [gedaagde] namelijk het perceel waarop de woning is gelegen gesplitst in meerdere percelen. Een van die percelen is aan de buurman verkocht. Het andere afgesplitste perceel is niet verkocht, maar was wel onderdeel van de waarde die partijen destijds ten aanzien van woning zijn overeengekomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] toegelicht dat het gaat om 146 m2 tuin, waarvoor een vierkante meter prijs geldt van € 700,00. Als dat bij de verkoopprijs van de woning wordt opgeteld, komt dat volgens [gedaagde] uit op € 987.500,00. Nu dat gelijk is aan de waarde die partijen voor de woning zijn overeengekomen, ziet de rechtbank niet in waarom het op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [gedaagde] aan die waarde zou worden gehouden.
Voorwaardelijke eis in reconventie
Nu de rechtbank het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar acht dat [gedaagde] testamentaire rente aan [eiser] verschuldigd is, wordt toegekomen aan de beoordeling van de reconventionele vordering van [gedaagde] . [gedaagde] stelt daartoe dat hij vanaf 14 november 2021 geen testamentaire rente aan [eiser] verschuldigd is, omdat [eiser] zijn medewerking aan levering van het legaat vanaf die datum ten onrechte heeft geweigerd en [gedaagde] daardoor zijn verplichtingen niet kon nakomen. Daarmee is [eiser] in schuldeisersverzuim geraakt (artikel 6:58 BW), aldus [gedaagde] .
[eiser] heeft betwist dat van schuldeisersverzuim sprake is, voor zover deze regeling al van toepassing is op de verhouding van erfgenaam en legataris. [eiser] voert verder aan dat geen sprake is van een verhindering waardoor [gedaagde] zijn verplichting niet kon nakomen en dat [gedaagde] al een deel van zijn legaat heeft ontvangen, zodat de vordering van [gedaagde] in reconventie moet worden afgewezen.
De rechtbank overweegt dat een legaat een verbintenis schept, zodat de bepalingen uit boek 6 van het BW daar in beginsel op van toepassing zijn. Dat geldt dus ook voor de daarin opgenomen bepalingen met betrekking tot schuldeisersverzuim (art. 6:58 BW e.v.). Zoals hiervoor onder 4.6 is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank van schuldeisersverzuim echter geen sprake. Beide partijen hebben er immers een aandeel in gehad dat het legaat tot op heden niet is afgegeven. Indien de oorzaak van de verhindering mede aan de kant van de schuldenaar ligt, treedt geen schuldeisersverzuim in. Dat betekent dan ook dat de reconventionele vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen.
Conclusie
Het voorgaande maakt dat inbrengverplichting van [gedaagde] gelijk is aan de waarde die partijen zijn overeengekomen ten aanzien van de aan [gedaagde] gelegateerde zaken. Daarnaast is [gedaagde] over die inbreng de testamentaire rente aan [eiser] verschuldigd, met ingang van het moment van overlijden van erflater. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat hij de overige (verreken)posten die [eiser] bij de berekening van zijn vordering heeft betrokken niet betwist. Ook de berekening van de testamentaire rente die in de vordering van [eiser] vervat is, is niet ter discussie gesteld. Dit alles maakt dat de rechtbank de vordering van [eiser] waarbij [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 204.021,43, te vermeerderen met de testamentaire rente vanaf 5 september 2025, zal toewijzen.
Buitengerechtelijke kosten
[eiser] maakt in conventie aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 17.875,12 althans € 2.795,22. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiser] heeft onvoldoende gespecificeerd welke werkzaamheden zijn aan te merken als buitengerechtelijke werkzaamheden en dat kan aan de hand van de lijst met declaraties, waarbij de onderliggende facturen ontbreken, ook niet worden vastgesteld. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
Proceskosten in conventie en in reconventie
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De rechtbank
In conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 204.021,43, te vermeerderen met de testamentaire rente van 4% per jaar, vanaf 5 september 2025 tot de dag van volledige betaling,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
In reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. |
||