vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/231470-25 (zaak A) en 13/015803-26 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het [naam PI] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 september 2026 en 15 oktober 2026. Op de laatste zitting is het onderzoek gesloten en is uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.H.B. Budde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L. Palanciyan, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van het verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij] . Zij heeft via een beveiligde videoverbinding deelgenomen aan de zitting en zij werd vertegenwoordigd door haar advocaat mr. E.T.I. Beusen, die ter terechtzitting aanwezig was.
2 Tenlasteleggingen
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
ten aanzien van zaak A
diefstal met (bedreiging met) geweld van medicatie, toebehorende aan Apotheek Slotermeer en/of [naam 1] op 1 september 2025 te Amsterdam;
ten aanzien van zaak B
primair
poging tot moord dan wel poging tot doodslag op [benadeelde partij] op 8 juni 2025 te Westzaan;
subsidiair
zware mishandeling van [benadeelde partij] op 8 juni 2025 te Westzaan.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de in zaak B primair ten laste gelegde poging tot moord op [benadeelde partij] . De in zaak B primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [benadeelde partij] kan volgens de officier van justitie wel worden bewezen. Ook het in zaak A tenlastegelegde kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak B primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het in zaak A en het in zaak B subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van zaak A
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen. Gezien het standpunt van de officier van justitie en de raadsman behoeft dit oordeel geen verdere motivering.
Ten aanzien van zaak B primair
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte aangeefster met zijn vuisten in haar gezicht heeft geslagen en dat hij haar met een scheermes in haar gezicht en langs haar hals en kaak heeft gesneden. Verdachte heeft dit ook bekend.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich daarmee schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte aangeefster onverhoeds en van achteren met een scheermesje heeft aangevallen. Verdachte heeft aangeefster bij haar keel vastgepakt en vervolgens meerdere snijbewegingen gemaakt in haar gezicht en langs haar kaak en hals. Aangeefster heeft hierdoor drie grote snijwonden opgelopen, die moesten worden gehecht met dertien hechtingen. Het scheermesje had een afmeting van ongeveer vier centimeter. Verdachte heeft verklaard dat hij de plastic rand van het scheermesje van tevoren had verwijderd. Daardoor is een deel van de snijbladen bloot komen te liggen.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet had om aangeefster om het leven te brengen. Wel kan worden bewezen dat verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangeefster.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangeefster – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is. Met name de slaap en de hals waarin zich de halsslagader bevindt zijn essentiële en kwetsbare onderdelen van het lichaam. De rechtbank is van oordeel dat het met behulp van een scheermes, waarvan de snijbladen gedeeltelijk blootliggen, snijden in de halsstreek en in de buurt van de slaap, de aanmerkelijke kans in het leven roept dat die ander hierdoor komt te overlijden. Daarnaast heeft verdachte aangeefster met zijn vuisten in haar gezicht geslagen. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht was op de dood van aangeefster, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van het bestaan van een contra-indicatie is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Het voorgaande betekent dat verdachte zal worden vrijgesproken van poging tot moord. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van zaak A
op 1 september 2025 te Amsterdam, verpakkingen medicatie, die aan Apotheek Slotermeer en/of [naam 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen medewerkers van voornoemde Apotheek Slotermeer, te weten onder andere [naam 2] en [naam 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door- naar Apotheek Slotermeer toe te gaan en langs de balie naar achteren te lopen en meerdere ladekasten te openen en in deze lades te graaien, en-(daarbij) voornoemde medewerkers (dreigend) de woorden toe te voegen: “Als ik geen medicijnen krijg, ga ik iemand vermoorden”;
ten aanzien van zaak B primair
op 8 juni 2025 te Westzaan, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, naar voornoemde [benadeelde partij] is toegegaan en
- meerdere malen een snijdende beweging met een scheermes langs de keel en hals van [benadeelde partij] heeft gemaakt en- meerdere malen in het gezicht heeft gesneden en
- met de vuist op het hoofd en in het gezicht heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van verdachte
In het strafrecht is het uitgangspunt dat men kan worden bestraft voor strafbare feiten die men begaat. In artikel 39 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is een uitzondering hierop geformuleerd. Hierin is – voor zover voor deze zaak relevant – bepaald dat hij die een feit begaat dat hem vanwege een psychische stoornis niet kan worden toegerekend, niet strafbaar is. Hiervoor moet aan drie vereisten zijn voldaan:
i) Er moet sprake zijn van een psychische stoornis op het moment van het tenlastegelegde feit;
ii) er dient sprake te zijn van een causaal verband tussen deze stoornis en het feit;
iii) de stoornis moet zodanig zijn dat deze aan de toerekening van het feit aan de verdachte in de weg staat.
In het arrest van 17 oktober 2023 heeft de Hoge Raad aan dit toetsingskader een nadere invulling gegeven. De Hoge Raad heeft hierin bepaald dat de rechter kan beslissen dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.
De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportages van 2 juni 2026 en 3 juni 2026, opgesteld door psychiater J. van der Meer respectievelijk psycholoog R.L. Paris. De psycholoog en psychiater hebben - kort gezegd - gerapporteerd, dat bij verdachte sprake is van schizofrenie en stoornissen in het gebruik van cannabis, cocaïne en alcohol. Hiervan was ten tijde van beide ten laste gelegde feiten ook sprake. In zaak B is het gedrag van verdachte volgens de psycholoog volledig bepaald door de psychotische ontregeling en de daarbij komende gebrekkige emotie- en agressieregulatie, alle voortvloeiende uit de psychotische problematiek. Volgens de psychiater zorgde de psychotische waan over bedreiging door een drugsbende ervoor dat verdachte overging tot het geweld tegen aangeefster. Zowel de psychiater als de psycholoog adviseren om dit feit in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen.
Ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde komen de psycholoog en de psychiater tot het advies om dat feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Volgens de psycholoog was ten tijde van dat feit sprake van een psychotische ontregeling, terugval in verslaving en een hoge psychische en lichamelijke lijdensdruk, die de gedragskeuze van verdachte ten dele hebben beïnvloed. Ook de psychiater benoemt dat verdachte op dat moment net uit detentie kwam waarna hij zijn antipsychotica niet meer gebruikte. Dit maakt dat er toen ook weer psychotische verschijnselen waren ontstaan bij verdachte die zijn wilsvrijheid aantastten.
De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de deskundigen op dit punt over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert dat het in zaak B primair bewezenverklaarde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend. Verdachte is ten aanzien van dit feit niet strafbaar en zal ter zake van dit feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank acht verdachte gelet op de conclusies en adviezen van de deskundigen wel strafbaar ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde.
8 Motivering van de straf en maatregel
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte in zaak A een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte in zaak A en zaak B primair de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs) met voorwaarden wordt opgelegd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van tbs met voorwaarden. Hij heeft gevorderd dat hieraan de voorwaarden worden verbonden, zoals door de reclassering zijn geadviseerd. De officier van justitie heeft verzocht om de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Indien de rechtbank na beraadslaging in raadkamer tot het oordeel zou komen dat aan verdachte een lagere gevangenisstraf dan de eis dient te worden opgelegd, waardoor de duur daarvan niet aansluit op zijn plaatsing in een kliniek, dan heeft de officier van justitie gevorderd om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen – onder dezelfde voorwaarden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden. Tot slot heeft de officier van justitie de oplegging van de Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (hierna: GVM), zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om verdachte in het in zaak A tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren en om aan hem in die zaak een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen.
Verder heeft de raadsman verzocht om geen tbs met dwangverpleging, maar een tbs met voorwaarden op te leggen. Verdachte is bereid zich aan de geadviseerde voorwaarden te houden.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich in zaak B heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en in zaak A aan een diefstal met bedreiging met geweld.
Verdachte heeft aangeefster in zaak B meermalen met een scheermesje in haar gezicht en hals gesneden. Verdachte heeft hierdoor drie snijwonden bij aangeefster veroorzaakt, waarvan zij nog altijd littekens heeft. Verdachte heeft aangeefster op uiterst kwetsbare plekken van haar lichaam geraakt, hetgeen fataal had kunnen aflopen. Aangeefster mag van geluk spreken dat zij nog in leven is. Door aldus te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit, waarmee hij inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Bovendien maken dergelijke strafbare feiten een grote inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken zij gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.
In zaak A heeft verdachte door te dreigen met geweld medicatie gestolen bij een apotheek. Dit is voor de slachtoffers die op dat moment aan het werk waren een traumatische ervaring geweest. Uit hun verklaring blijkt dat zij erg bang waren en dachten dat verdachte hen daadwerkelijk iets aan zou doen. Ook dit is een ernstig feit, waarmee verdachte blijk heeft gegeven zijn eigen belang voorop te stellen en weinig rekening te houden met de gevolgen daarvan voor anderen.
Uittreksel Justitiële Documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 9 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte zich in het verleden veelvuldig aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Voor die feiten zijn aan hem zowel voorwaardelijke als onvoorwaardelijke (gevangenis)straffen opgelegd. Die straffen hebben hem er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Pro Justitia rapportage
Zowel de psychiater J. van der Meer als de psycholoog R.L. Paris schatten het recidiverisico op gewelddadig gedrag zonder nadere interventies in als ‘hoog’. Volgens de psychiater is de grootste zorg dat verdachte zijn medicatie weer staakt als gevolg waarvan er psychotische verschijnselen ontstaan en er incidenten kunnen plaatsvinden. De psycholoog benoemt dat bij verdachte sprake is van schizofrenie met paranoïde wanen en verslavingsproblematiek, welke gepaard gaan met affectieve, gedragsmatige en cognitieve instabiliteit. Daarnaast heeft verdachte beperkt inzicht in de stoornis. Deze factoren tezamen maken volgens de psycholoog dat de kans op recidive wordt verhoogd.
De psychiater en de psycholoog adviseren om aan verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, nu een intensieve behandeling noodzakelijk is om de kans op recidive te verkleinen. De psychiater hamert erop dat om het recidiverisico te verlagen het nodig is dat verdachte zijn medicatie tegen psychotische verschijnselen blijft gebruiken. Hij acht ook psycho-educatie nodig over de schizofrenie waar verdachte aan lijdt. Het is nodig dat het cannabisgebruik, het gebruik van cocaïne en alcoholgebruik in remissie blijven. Het advies van beide deskundigen is om de behandeling in een forensisch kader te laten plaatsingen. Volgens de psychiater kan deze beginnen op een verhoogd beveiligingsniveau (zoals een FPK) en later worden afgeschaald naar een lager beveiligingsniveau met een streven naar ambulante behandeling met begeleid wonen. Daar verdachte gemotiveerd op de psychiater overkomt en hij volgens hem inziet dat zijn achterdocht onderdeel is van een psychiatrische stoornis, meent de psychiater dat er geen reden is voor een tbs met dwangverpleging. Daarbij wordt benoemd dat de psychose reeds met medicatie in remissie is gegaan en de verwachting niet is dat een langdurige klinische behandeling nodig zal zijn.
Reclasseringsadvies
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 4 augustus 2026. Hieruit blijkt – kort samengevat – het volgende. Bij verdachte is sprake van frequente recidive en een zorgelijk delictpatroon aangaande risicovol en agressief gedrag. Het bewezenverklaarde maakt deel uit van het bestaande delictpatroon. Het risico op recidive en letselschade wordt ingeschat als hoog. Het middelengebruik en de psychische
problematiek worden door de reclassering als belangrijkste risico factoren aangemerkt. Daarnaast ontbreekt het verdachte aan beschermende factoren zoals huisvesting, dagbesteding en een stabiele financiële situatie. Eerdere interventies hebben niet geleid tot een gedragsverandering/afname van het recidiverisico en er is geen sprake van een zorg- of reclasseringsverleden waar vertrouwen uitspreekt voor een regulier voorwaardelijk kader met bijzondere voorwaarden. De reclassering is, mede door de complexiteit en de ernst van de problematiek van verdachte en het hoge risico op recidive en letselschade, van mening dat interventies zijn geïndiceerd. De complexe problematiek van betrokkene vereist volgens de reclassering langdurige monitoring, behandeling, begeleiding, sturing en motivering. Ook de reclassering vindt dat verdachte zich gemotiveerd opstelt. Daarbij is volgens de reclassering ook sprake van enig ziektebesef. Ook de reclassering acht het van groot belang dat verdachte zijn voorgeschreven medicatie blijft gebruiken, daar dit mede van invloed is op de haalbaarheid van de behandeling en het risico op onttrekken aan het toezicht. De reclassering adviseert gematigd positief over een tbs-maatregel met voorwaarden. De reclassering heeft gelet daarop een aantal voorwaarden geadviseerd die aan deze maatregel kunnen worden verbonden.
Deskundige op zitting
De deskundige, D. Tempelman, reclasseringswerker, heeft het reclasseringsadvies op de zitting bevestigd en waar nodig aangevuld. Zij heeft te kennen gegeven dat het advies om aan verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, nog altijd gematigd positief is. Volgens de deskundige is verdachte gemotiveerd en erkent hij sinds kort zijn diagnose. Dat is al een grote stap vooruit. Tegelijkertijd hangt het slagen van de tbs-maatregel met voorwaarden volgens de deskundige af van het medicatiegebruik en het abstinent blijven van middelen. De deskundige heeft aangegeven dat de reclassering heeft meegewogen dat in geval van de oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden, de mogelijkheid tot omzetting daarvan in een tbs-maatregel met dwangverpleging een stok achter de deur is.
E-mail van de casemanager van 2 september 2026
Op 2 september 2026 heeft de casemanager van verdachte per e-mail een update gegeven omtrent het gedrag van verdachte sinds juni 2026. Uit deze e-mail volgt dat verdachte volgens de casemanager weliswaar netjes meewerkt aan zijn behandeling, maar dat hij meerdere keren is betrapt op het smokkelen van medicatie. Aan hem zijn twee disciplinaire straffen opgelegd wegens het opsparen en bewaren van medicatie op cel. Ook heeft hij een disciplinaire straf opgelegd gekregen wegens fysiek geweld jegens een medegedetineerde en voor het negeren van de opdrachten van het personeel. Daarnaast heeft hij een ordemaatregel opgelegd gekregen omdat hij een medewerker persoonlijk heeft bedreigd, waarbij hij een steekwapen heeft gefabriceerd van koelkastmaterialen.
Tbs-maatregel met verpleging van overheidswege
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee misdrijven waar naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer op is gesteld. Verder volgt de rechtbank de psychiater en de psycholoog in de conclusies dat bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Gelet op het gewelddadige karakter van de gepleegde feiten, is het vanwege de algemene veiligheid van personen noodzakelijk dat aan verdachte een tbs-maatregel wordt opgelegd. Uit de rapportages blijkt dat het risico op herhaling van gewelddadig gedrag als hoog wordt ingeschat zonder nadere interventies.
Anders dan de deskundigen en de reclassering hebben geadviseerd en de officier van justitie heeft geëist, acht de rechtbank, ook gelet op het gedrag van de verdachte tijdens de behandeling ter terechtzitting en de e-mail die zij op 2 september 2026 van de casemanager heeft ontvangen, de oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden geen reële en passende mogelijkheid.
De rechtbank overweegt hiertoe allereerst dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan twee zeer ernstige strafbare feiten, te weten een poging tot doodslag en een diefstal met bedreiging met geweld. Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij zich in het verleden veelvuldig heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, waaronder gewelds- en vermogensdelicten. Eerdere voorwaardelijk opgelegde straffen met een behandeltraject en toezicht, hebben verdachte er niet van weerhouden zich wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Uit het advies van de psychiater en het advies van de reclassering blijkt dat het ter voorkoming van recidive van groot belang is dat verdachte medicatietrouw is en dat het cannabisgebruik, het gebruik van cocaïne en alcoholgebruik in remissie blijven. Dat verdachte op dit moment abstinent is van middelen en hij medicatietrouw is, is de rechtbank onvoldoende gebleken. Hoewel verdachte op de terechtzitting heeft aangegeven dat hij ziek is en hulp nodig heeft, is de rechtbank van oordeel dat hij zijn problematiek nog altijd externaliseert en dat het hem aan voldoende ziekte-inzicht ontbreekt. Zo is hij nog steeds van mening dat het slachtoffer in zaak B hem bedreigde en dat hij uit verdediging heeft gehandeld omdat zij hem zou gaan vermoorden. Voor de rechtbank staat vast dat verdachte te kampen heeft met complexe psychiatrische en agressiereguleringsproblematiek waarvoor hij behandeld moet worden. Daar is naar het oordeel van de rechtbank een zeer strak kader voor nodig. Uit de e-mail van de casemanager van 2 september 2026 volgt dat er ook de afgelopen periode nog (ernstige) incidenten hebben plaatsgevonden en dat het verdachte nog altijd niet lukt om zich aan de regels te houden. Verdachte smokkelt met de noodzakelijke medicatie en heeft binnen detentie opnieuw een steekwapen geprepareerd. De rechtbank heeft er dan ook onvoldoende vertrouwen in dat verdachte op dit moment in staat is om zich te committeren aan een tbs met voorwaarden en in een minder beveiligde setting veilig kan functioneren. Naar het oordeel van de rechtbank is de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege de enige passende optie om de maatschappij voldoende tegen verdachte te beschermen en het recidiverisico te beperken. De rechtbank zal daarom de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege aan verdachte opleggen.
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat de bewezen geachte feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.
Motivering van de strafoplegging
De ernst van het bewezenverklaarde in zaak A rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het strafblad van verdachte, naast het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, de oplegging van een gevangenisstraf. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte in zaak A, de oplegging van tbs met dwangverpleging en rekening houdend met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
De rechtbank legt geen GVM op
De reclassering heeft in haar rapport geadviseerd om, als een gevangenisstraf of de maatregel tbs wordt opgelegd, de GVM ex artikel 38z Sr op te leggen. De reclassering adviseert de oplegging van deze maatregel, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs of gevangenisstraf.
De rechtbank zal de door de reclassering geadviseerde GVM niet opleggen. Bij de maatregel tbs met dwangverpleging dienen meerdere stappen van verlof te worden doorlopen voordat een veroordeelde volledig terugkeert in de maatschappij. Dit gebeurt geleidelijk, waarbij voldoende mogelijkheden beschikbaar zijn om het gedrag van een veroordeelde te blijven monitoren en beïnvloeden. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat een GVM naast de tbs met dwangverpleging in deze zaak van toegevoegde waarde zal zijn.
8 Beslag
Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
Medicamenten/hulpmiddelen (6705401).
Teruggave rechthebbende
De rechtbank zal de teruggave van de medicijnverpakking gelasten aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van dit voorwerp kan worden aangemerkt.
9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 5.000,- aan vergoeding van materiële schade en
€ 15.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de materiële schade heeft de benadeelde partij aangevoerd dat gelet op een eventuele vervolgprocedure in hoger beroep zij een vergoeding ter hoogte van € 5.000,- vordert voor toekomstige zorg en/of laserkosten. Zij verzoekt de vordering in de onderhavige procedure in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de immateriële schade vordert de benadeelde partij een bedrag van € 12.750, welk bedrag met 25% dient te worden verhoogd, omdat er sprake is van opzet.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft het immateriële deel kan worden toegewezen. Ten aanzien van het materiële deel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, aangezien dit toekomstige schade betreft.
De raadsman heeft aangevoerd dat het materiële deel van de vordering dient te worden afgewezen, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd.
Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering is volgens de raadsmanvergoeding van een bedrag van € 6.000,- op zijn plaats. Voor het overige deel van de gevorderde schadevergoeding dient niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij te volgen.
Materiële schade
Ten aanzien van het materiële deel van de vordering geldt dat dit toekomstige schade betreft. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van haar vordering, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het in zaak B primair bewezenverklaarde. De benadeelde partij heeft ernstig letsel opgelopen in haar gezicht waar nog altijd littekens van zichtbaar zijn. Daardoor wordt zij dagelijks met de gevolgen van het incident geconfronteerd.
Op grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.
Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding heeft het de rechtbank zich gebaseerd op de Rotterdamse schaal, categorie 9.2, sub c (middelzware littekenvorming) en gaat uit van een schadevergoeding van een bedrag van € 12.750 ,-. De rechtbank ziet geen aanleiding de schadevergoeding met een kwart te verhogen, ondanks dat er sprake is geweest van opzet. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit volledig ontoerekeningsvatbaar was.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De rechtbank zal dit bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 8 juni 2025. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 12.750,-. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast. Gelet op de vastgestelde volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van het feit waarvoor de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, stelt de rechtbank de toe te passen gijzeling vast op 0 (nul) dagen.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken
ten aanzien van zaak B, primair
poging tot doodslag
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], ten aanzien van het in zaak A bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte voor het in zaak B bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Ten aanzien van zaak A
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Ten aanzien van zaak A en zaak B primair
Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.
Gelast de teruggave aan de rechtmatige eigenaar van:
Medicamenten/hulpmiddelen (6705401).
Beslissing op vordering benadeelde partij [benadeelde partij] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 12.750,- (twaalfduizend zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 12.750,- (twaalfduizend zevenhonderdvijftig euro), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 (nul) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en J.O. Rutten, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2026.