ECLI:NL:RBAMS:2026:10004

Datum uitspraak
28-09-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Zaaknummer
120247017 WM VERZ 25-23023
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De strook waar het voertuig van betrokkene op stond geparkeerd, is een locatie ingericht als een parkeergelegenheid voor bromfietsen en bakfietsen. Gelet op artikel 27 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) 1990 dat bromfietsen en (bak)fietsen op het trottoir moeten parkeren kan naar het oordeel van de kantonrechter de strook waar het voertuig stond geparkeerd worden aangemerkt als trottoir, daarbij in aanmerking genomen dat de betegeling van de strook op gelijke hoogte ligt met de strook ernaast die is bedoeld voor voetgangers, en dat de strook van de rijbaan is afgescheiden met een licht verhoogde trottoirband. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht. Ongegrond

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

kantonrechter: mr. J.M.B. Cramwinckel

zaaknummer: 12027017 WM VERZ 25-23023

beslissing van: 28 september 2026

func.: 43837

Afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 28 september 2026 inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:

[betrokkene]

[adres]

(verder: betrokkene)

voor wie beroep is ingesteld door: Verkeersboete.NL / mr. N.G.A. Voorbach

(verder: gemachtigde)

welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 30 juli 2025 en is gericht tegen de beslissing van 21 juli 2025 van de officier van justitie (verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992.

CJIB-nummer: [nummer]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Aan betrokkene is bij beschikking van 28 februari 2025 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wahv opgelegd. Namens betrokkene heeft gemachtigde tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep is behandeld op de openbare zitting van 28 september 2026. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.

Namens gemachtigde is de heer [naam] bij de zitting verschenen.

Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep ongegrond is.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Aan betrokkene is bij de inleidende beschikking wegens een verkeersgedraging een administratieve sanctie opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat met het motorvoertuig met kenteken [kenteken] , waarvoor betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is, niet de rijbaan is gebruikt door stil te staan op het trottoir, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad. Deze gedraging is geconstateerd op 5 januari 2025 om 00:36 uur op de Beursstraat ter hoogte van nummer 23 te Amsterdam.

2. Het beroep is tijdig ingesteld.

3. Gemachtigde voert tegen de beslissing van verweerder aan dat betrokkene stelt dat de gedraging niet is begaan, omdat in deze zaak geen sprake is van een trottoir maar van een ‘ander weggedeelte’. De vermeende pleeglocatie is evident niet ingericht voor het verkeer van voetgangers, nu het gaat om parkeerplekken voor auto’s/bromfietsen. De gedraging is daarom niet begaan.

Verder stelt gemachtigde dat de hoogte van de sanctie disproportioneel is en er een correctie noodzakelijk is. Per 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes met 10% verhoogd. De verhoging bestaat voor 5,7% uit een (vermeende) inflatiecorrectie en voor 4,3% uit het dichten van de justitiebegroting. De verhoging is om meerdere redenen onrechtmatig. Gemachtigde stelt dat de sanctiebedragen na voornoemde verhogingen in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. De sanctiebedragen dienen te worden verlaagd naar de hoogtes van vóór 1 maart 2024.

Namens betrokkene wordt verzocht het beroep gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

4. Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat gelet op de verklaring van de verbalisant en de in het geding gebrachte foto’s de aan betrokkene verweten gedraging voldoende is komen vast te staan. Er zijn op het trottoir kleine parkeervakken aangebracht, die evident niet bedoeld zijn om een auto te parkeren. Dat er wel bromfietsen mogen parkeren maakt niet dat er geen sprake is van een trottoir ter plaatse. Verweerder verzoekt de kantonrechter om het beroep ongegrond te verklaren.

5. Naar aanleiding van het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder voert gemachtigde aan dat de pleeglocatie niet is ingericht voor voetgangers. De bromfietsvakken hebben dezelfde uitstraling als de parkeerplekken voor auto’s. De gedraging kan niet worden vastgesteld.

6. Het volgende wordt overwogen.

7. De verbalisant verklaart in het zich in het dossier bevindende zaakoverzicht dat het onderhavige voertuig met vier wielen op het trottoir stond geparkeerd. De verbalisant heeft geen activiteit rond het voertuig waargenomen in de vorm van laden of lossen van goederen dan wel het in of uit laten stappen van personen. Er was geen bestuurder bij het voertuig aanwezig.

Er zijn foto’s van de aan betrokkene verweten gedraging in het geding gebracht.

8. Naar aanleiding van het door gemachtigde gevoerde verweer dat het hier geen trottoir betreft maar een ander weggedeelte heeft de kantonrechter zich door middel van Google Maps Streetview nader georiënteerd op de situatie ter plaatse.

9. De wet kent geen definitie van de begrippen trottoir en voetpad, zodat bij het bepalen of een weggedeelte als trottoir moet worden aangemerkt, uit wordt gegaan van hoe het weggedeelte zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet.

De strook waar het voertuig van betrokkene op stond geparkeerd, is een locatie ingericht als een parkeergelegenheid voor bromfietsen en bakfietsen. Gelet op artikel 27 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) 1990 dat bromfietsen en (bak)fietsen op het trottoir moeten parkeren kan naar het oordeel van de kantonrechter de strook waar het voertuig stond geparkeerd worden aangemerkt als trottoir, daarbij in aanmerking genomen dat de betegeling van de strook op gelijke hoogte ligt met de strook ernaast die is bedoeld voor voetgangers, en dat de strook van de rijbaan is afgescheiden met een licht verhoogde trottoirband. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht.

Ten aanzien van de evenredigheid van het sanctiebedrag:

10. Gemachtigde heeft aangegeven dat hij het niet eens is met de hoogte van het sanctiebedrag. Hierbij heeft hij gewezen op het evenredigheidsbeginsel.

11. Onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met nummer ECLI:NL:GHARL:2025:4719 overweegt de kantonrechter als volgt. Dat de financiële taakstelling van de overheid bij de onderhavige verhoging van het sanctietarief een rol heeft gespeeld, maakt niet dat is gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir of met het specialiteitsbeginsel. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit waarbij de sanctietarieven per 1 maart 2024 zijn verhoogd blijkt echter niet dat de regelgever heeft beoordeeld of het (uiteindelijk) vastgestelde sanctiebedrag nog evenredig is. Dit dient dus door de kantonrechter te worden beoordeeld.

12. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994. Naar het oordeel van de kantonrechter is een sanctiebedrag van € 120,00 (exclusief administratiekosten à € 9,00) voor de onderhavige gedraging niet onevenredig. Het sanctiebedrag staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is in dit geval dus geen sprake. De door gemachtigde aangevoerde omstandigheden geven geen aanleiding tot matiging. Het beroep wordt derhalve ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:

13. Gelet op de uitkomst van de procedure wordt voor een toekenning van een proceskostenvergoeding, zoals namens betrokkene is verzocht, geen aanleiding gezien.

14. Daarom wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kantonrechter:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.

De griffier De kantonrechter

Datum verzending

Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »