ECLI:NL:RBAMS:2025:2245

Datum uitspraak
05-03-2025
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C13/761300 / HA ZA 24-1376
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Overeenkomsten tussen partijen zijn rechtsgeldig tot stand gekomen. Gedaagde heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/761300 / HA ZA 24-1376

Vonnis van 5 maart 2025 (bij vervroeging)

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

ZIQITZA HEALTH CARE LIMITED,

te Mumbai (India),

eisende partij,

hierna te noemen: ZHC,

advocaat: mr. S.C. Blonk,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. R. Ridder.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 december 2024, met producties 1 tot en met 4,- de conclusie van antwoord met één bijlage.

1.2.

Partijen hebben eenstemmig laten weten af te willen zien van een mondelinge behandeling. Deze is dan ook niet gehouden.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

ZHC is een in India gevestigd bedrijf gespecialiseerd in het leveren van ambulanceservices.

2.2.

[gedaagde] is de [naam functie] van de besloten vennootschap International Centre for Emergency Techniques B.V. (hierna: ICET). ICET heeft als doel landen en organisaties te assisteren bij het verbeteren van plannen, acties en besluitvorming bij rampen en crises. Dit wordt zowel op commerciële basis als pro bono gedaan.

2.3.

ZHC en ICET vormden samen een consortium (hierna: het Consortium) om in aanmerking te komen voor een overheidsopdracht (hierna: de aanbesteding), uitgegeven door de regering van Rajasthan, India, voor de exploitatie van de ambulancedienst voor noodgevallen in de staat Rajasthan. ZHC en ICET sloten verschillende overeenkomsten om het Consortium te formaliseren en als zodanig een bieding in te dienen voor de aanbesteding.

2.4.

Het Consortium won de aanbesteding. De opdracht is daarna uitgevoerd.

2.5.

Na afloop van de opdracht heeft de regering van Rajasthan een onderzoek gelast met betrekking tot klachten die zijn geuit over de uitvoering van de opdracht. Dit onderzoek werd onder andere uitgevoerd door het Central Bureau of Investigation (hierna: het CBI). Het CBI concludeerde dat meerdere overeenkomsten tussen ZHC en ICET die ten grondslag liggen aan het Consortium niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen.

2.6.

ZHC is een arbitrageprocedure gestart bij het London Court of Internatonal Arbitration (hierna: LCIA) – de in de overeenkomsten tussen partijen aangewezen instantie om de geldigheid van de overeenkomsten te beoordelen – om alle documenten waarvan de geldigheid door het CBI in twijfel is getrokken te valideren. Het LCIA oordeelde dat het niet bevoegd was, omdat [gedaagde] niet langer de bevoegdheid had om namens ICET op te treden als gevolg van het feit dat ICET inmiddels ontbonden was.

2.7.

ZHC is in 2024 een procedure tegen [gedaagde] begonnen, omdat [gedaagde] als [naam functie] van ICET verschillende overeenkomsten en documenten heeft ondertekend. Daarbij vorderde zij voor recht te verklaren dat deze overeenkomsten en documenten rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft bij vonnis van 31 juli 2024 de vorderingen van ZHC toegewezen, omdat [gedaagde] de daaraan ten grondslag liggende feiten heeft erkend.

2.8.

In die procedure is de door ZHC en ICET verstrekte volmacht ‘Power of Attorney for Lead Member of Consortium’, waarbij ZHC werd aangewezen als Lead Member en wettelijke vertegenwoordiger van het Consortium, niet in het geding gebracht.

3 Het geschil

3.1.

ZHC vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de volmacht ‘Power of Attorney for Lead Member of Consortium’ namens ICET rechtsgeldig tot stand is gekomen.

3.2.

[gedaagde] is in de procedure verschenen, maar verweert zich niet tegen de vordering. [gedaagde] erkent dat de volmacht ‘Power of Attorney for Lead Member of Consortium’ namens ICET rechtsgeldig tot stand is gekomen.

4 De beoordeling

4.1.

De bevoegdheid van deze rechtbank om van het geschil kennis te nemen vloeit voort uit het bepaalde in artikel 2 en artikel 99 Rv.

4.2.

Nu [gedaagde] de vorderingen en de daaraan ten grondslag liggende feiten niet heeft betwist wordt de vordering van ZHC toegewezen.

4.3.

De rechtbank ziet aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.4.

Omdat dit vonnis declaratoir is, blijft de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad achterwege.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de volmacht ‘Power of Attorney for Lead Member of Consortium’ namens ICET rechtsgeldig tot stand is gekomen,

5.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters, rechter, bijgestaan door mr. R.D. Lok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »