RECHTBANK AMSTERDAM
Wrakingskamer
Beslissing op het onder rekestnummer C/13/704675 / HA RK 2021-237 ingeschreven verzoek tot verschoning ingediend door:
mr. H.M.A.E. van Ooijen, rechter in opleiding bij de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.
1 Verloop van de procedure
Bij de afdeling Publiekrecht van de Rechtbank te Amsterdam is onder parketnummer 13/173658-21 een strafzaak (de strafzaak) aanhangig.
Op 12 juli 2021 zal de raadkamer gevangenhouding in de strafzaak plaatsvinden ten overstaan van - onder meer - de rechter.
2 Het verzoek
Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat bij de voorbereiding is gebleken dat de verdachte in de strafzaak wordt bijgestaan door een advocaat, tevens oud-kantoorgenoot van de rechter. De rechter heeft tot januari 2020 bij deze advocaat op kantoor gewerkt.
3 De beoordeling
Op grond van het bepaalde in artikel 518 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient in een verschoningsprocedure te worden beslist of er sprake is van de in artikel 512 Sv genoemde feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Uit voormelde bepaling valt af te leiden dat de behandeling van een verschoningsverzoek, anders dan de behandeling van een wrakingsverzoek, niet ter terechtzitting behoeft plaats te vinden. De rechtbank zal daarom zonder mondelinge behandeling een beslissing nemen op het verzoek.
Verschoning is een middel ter verzekering van (het vertrouwen in) de rechterlijke onpartijdigheid.
De rechter heeft aangevoerd zich niet meer vrij te voelen de zaak te behandelen gelet op de tot voor kort gemeenschappelijke werkkring met de advocaat van verdachte. Door de hiervoor beschreven verwevenheid is naar het oordeel van de Wrakingskamer sprake van omstandigheden waardoor het vertrouwen in de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.
De rechtbank:
wijst het verzoek tot verschoning toe en bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak met parketnummer 13/173658-21 wordt voortgezet voor een andere rechter;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 518 lid 2 Sv. wordt toegezonden aan:
de raadsvrouw van de verdachte,
de officier van justitie;
de rechter.
Aldus gegeven door mr. P.B. Martens, voorzitter, mr. N.C.H. Blankevoort en mr. H.M. Patijn, leden, op 9 juli 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.