ECLI:NL:RBAMS:2020:958

Datum uitspraak
05-02-2020
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Zaaknummer
C/13/673656 / HA ZA 19-1076
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Incidenteel vonnis. Vrijwaringsincident (referte). Incident tot treffen voorlopige voorziening (afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang). Verkapte vordering art. 843a Rv (afgewezen).

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/673656 / HA ZA 19-1076

Vonnis in incident van 5 februari 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

3BHORECA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

verweerster in het incident tot oproeping in vrijwaring,

advocaat mr. J.G.D. Fleers te Utrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerder 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [verweerder 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

eisers in het incident tot oproeping in vrijwaring,

advocaat mr. H.C. Bijleveld te Amsterdam.

Partijen worden hierna 3BHoreca en [verweerders] genoemd. [verweerders] wordt afzonderlijk ook [verweerder 1] en [verweerder 2] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de gelijkluidende dagvaardingen tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, met producties,

  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens houdende conclusie van antwoord in incident, met producties,

  • de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 De feiten voor zover van belang in de incidenten

2.1.

Op 11 juli 2018 hebben 3BHoreca en [verweerder 1] een intentieverklaring getekend met betrekking tot de voorgenomen verkoop door [verweerder 1] van de aandelen die zij hield in Andante Hotel B.V. (hierna Andante) aan 3BHoreca. De beoogde aandelentransactie werd zijdens [verweerder 1] begeleid door haar accountant Eelman & Partners B.V. (hierna E&P).

2.2.

Bij koopovereenkomst van 19 november 2018 heeft 3BHoreca alle aandelen in Andante gekocht van [verweerder 1] voor een bedrag van € 1.375.000,-. De aandelen zijn geleverd op 4 januari 2019.

2.3.

De koopovereenkomst bevat garantiebepalingen met betrekking tot de hoogte van het eigen vermogen en het werkkapitaal van Andante.

2.4.

[verweerder 2] is statutair bestuurder van [verweerder 1] .

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1. 3

BHoreca vordert in de hoofdzaak, kort gezegd, verklaringen voor recht dat [verweerder 1] is tekort geschoten in nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst, dat [verweerder 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en daarom naast [verweerder 1] aansprakelijk is en verder betaling van bedragen van € 201.504,- en € 50.000,- vermeerderd met rente en kosten.

4 De vordering in het incident dat is ingesteld door 3BHoreca

4.1. 3

BHoreca vordert, samengevat, dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, totdat uitspraak is gedaan in de bodemzaak, [verweerders] hoofdelijk veroordeelt om binnen twee dagen (1) € 100.000,- te betalen als voorschot op de veroordeling in de hoofdzaak en (2) bewijs te leveren van het feit dat de vermogenspositie van [verweerder 1] voldoet aan de eisen die de vermogensinstandhoudingsverklaringen van 19 november 2019 (de rechtbank begrijpt dat bedoeld wordt 2018) daaraan stellen, zulks door middel van het verlenen van inzage in de eigen vermogenspositie van [verweerder 1] en het aantonen dat het eigen vermogen van [verweerder 1] onverwijld kan worden omgezet in liquide middelen indien noodzakelijk voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van [verweerder 1] uit de koopovereenkomst, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag indien en voor zover niet aan deze veroordeling wordt voldaan tot een maximum van € 75.000,-, alsmede in de kosten van het incident.

4.2.

[verweerders] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De vordering in het incident dat is ingesteld door [verweerders]

5.1.

vordert dat de rechtbank bepaalt dat haar wordt toegestaan om E&P in vrijwaring op te roepen.

5.2. 3

BHoreca heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6 De beoordeling in het incident dat is ingesteld door 3BHoreca

6.1.

Op grond van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding (lid 1), mits de voorlopige voorziening samenhangt met de vordering in de hoofdzaak (lid 2). Toewijzing van een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer daarbij voldoende belang is. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat de afloop van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht.

6.2. 3

BHoreca vordert betaling van een voorschot op de betalingsvordering in de hoofdzaak. In het geval van een voorlopige voorziening bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. De rechter zal in de afweging van de belangen van partijen mede acht moeten slaan op het restitutierisico voor het geval de vordering in de bodemprocedure wordt afgewezen, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

6.3.

[verweerders] heeft bestreden dat er sprake is van een schadevergoedingsplicht aan haar zijde en onder meer als verweer aangevoerd dat 3BHoreca geen spoedeisend belang heeft. Dit verweer slaagt. 3BHoreca heeft ter onderbouwing van haar spoedeisend belang slechts verwezen naar de koopovereenkomst, stellende dat partijen daarin zijn overeengekomen dat de nakoming door [verweerder 1] van haar schadevergoedingsplicht naar haar aard spoedeisend is. Dit is onvoldoende. Nu 3BHoreca niet heeft toegelicht waarom zij de afloop van het geding in de hoofdzaak niet kan afwachten, is het spoedeisend belang van de geldvordering niet komen vast te staan zodat die zal worden afgewezen.

6.4. 3

BHoreca vordert verder dat [verweerders] bewijs bijbrengt als vermeld in 4.1 onder (2). Met [verweerders] wordt geoordeeld dat niet duidelijk is op welke grond [verweerder 1] gehouden zou zijn om inzage te geven in haar vermogenspositie. Daarnaast geldt dat sprake lijkt te zijn van een verkapte vordering ex artikel 843a Rv waarvoor afzonderlijke eisen gelden. Gesteld noch gebleken is dat daaraan is voldaan. Tenslotte wordt overwogen dat 3BHoreca ook in dit verband niet heeft toegelicht waarom zij reeds in dit stadium van de procedure inzage in de vermogenspositie van [verweerder 1] zou dienen te krijgen. Indien nodig kan in de hoofdzaak aan [verweerders] bewijs worden opgedragen. Daarover zal alsdan moeten worden beslist, maar er is geen aanleiding om in dit verband nu al bewijs op te dragen.

6.5.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen in het incident van 3BHoreca worden afgewezen. Zij zal worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verweerders] tot op heden begroot op € 1.707,- (1 punt x tarief € 1.707,-).

6.6.

De nakosten worden begroot en toegewezen als na te melden.

7 De beoordeling in het incident dat is ingesteld door [verweerders]

7.1. 3

BHoreca heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Nu is voldaan aan de vereisten voor een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring – [verweerders] heeft (voldoende onderbouwd) gesteld dat E&P krachtens haar rechtsverhouding tot haar verplicht is de nadelige gevolgen van een verlies door [verweerders] van de hoofdzaak te dragen – zal deze vordering worden toegewezen.

7.2.

Nu 3BHoreca zich heeft gerefereerd, worden geen kosten toegekend.

8 De beslissing

De rechtbank

in het incident dat is ingesteld door 3BHoreca

8.1.

wijst het gevorderde af,

8.2.

veroordeelt 3BHoreca in de proceskosten aan de zijde van [verweerders] tot op heden begroot op € 1.707,-,

8.3.

veroordeelt 3BHoreca in de na dit vonnis aan de zijde van [verweerders] ontstane nakosten, begroot op € 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 82,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw,

in het incident dat is ingesteld door [verweerders]

8.4.

staat toe dat [verweerders] E&P in vrijwaring oproept tegen een terechtzitting van vier weken na heden,

in de hoofdzaak

8.5.

verwijst de zaak naar de rol van 18 maart 2020 voor het nemen van een conclusie van antwoord door [verweerders] en houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2020.1

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »