ECLI:NL:OGHACMB:2026:57

Datum uitspraak
24-03-2026
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
CUR2023H00160
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Curaçao. Verdelingszaak. Curaçaose maatschappelijke opvattingen over een woning op huurgrond (ECLI:NL:OGHACMB:2024:256). Het gebruiksrecht van de woning valt in een onverdeelde nalatenschap. Het aandeel van de man in die onverdeelde nalatenschap komt in aanmerking voor verdeling.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Registratienummers: CUR201100118 – CUR2023H00160

Uitspraak: 24 maart 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[appellant],

wonend in [woonplaats],

in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

thans appellant,

gemachtigde: mr. R.S.M. Moeniralam,

tegen

[geïntimeerde],

wonend in [woonplaats],

in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.M. Bloem.

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1 De zaak in het kort

Partijen zijn in 2009 gescheiden. Vanaf 2011 heeft bij het Gerecht een langdurige procedure over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap gespeeld. Het Gerecht heeft bij eindvonnis in 2023 de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. Tegen die wijze van verdeling richt zich het hoger beroep. Het Hof betrekt in deze verdelingszaak onder meer de Curaçaose maatschappelijke opvattingen over een woning op huurgrond.

2 Het verdere verloop van de procedure

2.1

Op 25 maart 2025 heeft het Hof een tussenvonnis gewezen en bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden.

2.2

De mondelinge behandeling is eerst uitgesteld vanwege familieomstandigheden aan de zijde van de gemachtigde van de vrouw.

2.3

Na de planning van een nieuwe zittingsdatum is de mondelinge behandeling wederom uitgesteld, nu wegens ziekte van de man. Mr. Moeniralam heeft het Hof bericht dat de man vanwege een progressief ziekteverloop niet (meer) in staat zal zijn bij een mondelinge behandeling te verschijnen. Nadat de gemachtigden zich hebben kunnen uitlaten over het vervolg van de procedure heeft het Hof bij e-mail van 28 augustus 2025 partijen bericht dat de mondelinge behandeling niet doorgaat en dat en de zaak wordt verwezen naar de rol voor gelijktijdig schriftelijk pleidooi.

2.4

Op 13 januari 2026 heeft de gemachtigde van de man pleitnotities ingediend. De gemachtigde van de vrouw heeft afgezien van schriftelijk pleidooi.

2.5

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3 De verdere beoordeling

3.1

Het Hof heeft bij tussenvonnis partijen toegelaten om in hoger beroep kosteloos te procederen, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.

3.2

Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen zijn op 12 april 2001 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Op 19 mei 2009 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 9 juni 2009 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Vervolgens hebben partijen vanaf 2011 tot het eindvonnis van 4 april 2023 in eerste aanleg geprocedeerd over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Onderdeel van de huwelijksgoederengemeenschap zijn:

  • (een aandeel in) een woning gebouwd op huurgrond, gelegen te [adres A] (hierna: de woning in [wijk]);

  • (een aandeel in) een perceel/bebouwing te [wijk], kavel [kavelnummer](hierna: het perceel in [wijk]).

3.3

De vrouw heeft, kort samengevat, (in conventie) voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd de woning in [wijk] toe te delen aan de man, met vergoeding van de helft van de waarde aan haar. De man heeft, kort samengevat, (in reconventie) gevorderd de bebouwing in [wijk] bij de verdeling te betrekken.

3.4

Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de wijze van verdeling vastgesteld in die zin dat aan de man het aandeel in [adres A] en aan de vrouw het aandeel in [adres B], is toegedeeld, waarbij de man wegens overbedeling NAf 26.250 aan de vrouw moet betalen, wegens waardevermeerdering van de woning. Hiertegen richt zich het hoger beroep.

3.5

Artikel 3:185 BW bepaalt:

  1. Voor zover de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is, over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, gelast op vordering van de meest gerede partij de rechter de wijze van verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.

  2. Als wijze van verdeling komen daarbij in aanmerking:

a. toedeling van een gedeelte van een goed aan ieder der deelgenoten;

b. overbedeling van een of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde;

c. verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht.

3. Zo nodig kan de rechter bepalen dat degene die overbedeeld wordt, de overwaarde geheel of ten dele in termijnen mag voldoen. Hij kan daaraan de voorwaarden verbinden dat zekerheid tot een door hem bepaald bedrag en van een door hem bepaalde aard wordt gesteld.

De woning in [adres A]

3.6

Vast staat dat de woning in [wijk] is gebouwd op huurgrond, toebehorend aan de overheid. De grootmoeder van de man, [de grootmoeder van de man], geboren [achternaam], had een huurovereenkomst met het Land en zij betaalde huur. Het Hof stelt voorop dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning op het perceel is gebouwd door zijn grootouders. Hij heeft – onweersproken – gesteld dat hij vanaf zijn 5e jaar in de woning bij zijn grootmoeder woonde en er ook na haar overlijden altijd is blijven wonen. Partijen hebben van 1997 tot 2009 samen in de woning gewoond. Zij hebben de woning verbouwd en uitgebouwd.

3.7

Volgens de man valt de woning sinds het overlijden van zijn grootmoeder in een onverdeelde nalatenschap, waartoe hij voor 1/15e deel gerechtigd is. Hij verwijst voor dat aandeel naar de door hem bij akte van 27 januari 2014 overgelegde stamboom, opgemaakt door de Burgerlijke Stand. Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre de woning, of het aandeel daarin van de man in de nalatenschap, in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen valt en in aanmerking komt voor verdeling.

Curaçaose maatschappelijke opvattingen woning op huurgrond

3.8

Het gaat hier om een woning op grond toebehorend aan de overheid. Eigendom van grond omvat mede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd (artikel 5:20 lid 1 sub e BW). Dat zou betekenen dat de woning in [buurt] eigendom is van het Land. Uit vaste jurisprudentie van dit Hof volgt echter dat rekening moet worden gehouden met Curaçaose maatschappelijke opvattingen die meebrengen dat degene die grond van een ander (vooral, maar niet uitsluitend overheidsgrond) bebouwt in sommige gevallen een gebruiksrecht op de bebouwing verkrijgt dat derden in beginsel moeten respecteren. De Curaçaose maatschappelijke opvattingen houden ook in dat een dergelijk gebruiksrecht in beginsel aan een ander kan worden verkocht en/of overgedragen en dat derden dan het gebruiksrecht van die ander (in beginsel) dienen te respecteren. Verder houden de Curaçaose maatschappelijke opvattingen in dat een dergelijk gebruiksrecht vatbaar is voor vererving. De overheid heeft als eigenaar van bebouwde overheidsgrond in veel gevallen op grond van deze maatschappelijke opvattingen aanvaard dat aldus een exclusief gebruiksrecht is overgegaan op een koper of een erfopvolger (vonnis van dit Hof van 17 december 2024, r.o. 3.5 ECLI:NL:OGHACMB:2024:256 waarin tevens wordt verwezen naar eerdere uitspraken van het Hof hierover).

3.9

Het gebruiksrecht op de woning in [wijk] kan dus worden aangemerkt als een voor overdracht vatbaar en een op geld waardeerbaar recht. Het gebruiksrecht is bovendien vatbaar voor vererving en dat betekent dat het hier in Curaçao in een nalatenschap kan vallen. Rekening houdend met de hiervoor weergegeven Curaçaose maatschappelijke opvattingen moet worden aangenomen dat de grootmoeder van de man een exclusief gebruiksrecht had op de woning en toen zij overleed viel dat gebruiksrecht dus in de nalatenschap. De man heeft met de overgelegde stamboom voldoende onderbouwd aangetoond dat hij tot een vijftiende deel gerechtigd is tot de nalatenschap van zijn grootmoeder.

Algehele gemeenschap van goederen volgens het recht voor 1 januari 2012

3.10

Anders dan het Gerecht is het Hof van oordeel dat het aandeel van de man in de nalatenschap van zijn grootmoeder in de (inmiddels ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap valt. In rechtsoverweging 2.3 van het bestreden eindvonnis heeft het Gerecht ten onrechte aangenomen dat dit op grond van het huidige artikel 1:94 lid 2 onderdeel a BW niet zo is. Dit artikel is het herziene artikel als gevolg van de Landsverordening van 15 december 2011 tot wijziging van Boek 1 (Landsverordening herziening huwelijksvermogensrecht) waarbij de beperkte gemeenschap van goederen is ingevoerd. Deze wet is inwerking getreden op 1 januari 2012. Partijen zijn op 12 april 2001 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd (en gescheiden op 9 juni 2009). Dat betekent dat op het huwelijksgoederenregime van partijen het ‘oude’ huwelijksvermogensrecht van toepassing was. Onder dat regime vielen alle bezittingen en schulden van partijen van voor en tijdens het huwelijk in de huwelijksgoederengemeenschap, inclusief schenkingen en erfenissen, tenzij uitdrukkelijk uitgesloten (uitsluitingsclausule). In dit geval is niet gesteld of gebleken dat sprake was van een uitsluitingsclausule.

3.11

Partijen waren dus in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Niet is gesteld of gebleken dat naast de huwelijksgoederengemeenschap bij (een van) partijen sprake was van privé vermogen. Het Hof komt, anders dan het Gerecht, dus niet toe aan de vraag of sprake is van een waardevermeerdering van het aandeel van de man in de woning op grond waarvan de vrouw een vergoeding zou moeten krijgen. Hetzelfde geldt voor investeringen die de vrouw stelt te hebben gedaan met daartoe afgesloten leningen, voor en tijdens het huwelijk. Door in algehele gemeenschap te trouwen vielen deze schulden in de gemeenschap. Niet is gesteld dat de schulden op het moment van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap nog bestonden en partijen hebben ook niet verzocht deze in de wijze van verdeling te betrekken. Het Hof zal hier dan ook aan voorbij gaan.

De nalatenschap waarin het gebruiksrecht van de woning valt is niet afgewikkeld

3.12

De man heeft aangevoerd dat de nalatenschap van zijn grootmoeder nimmer is verdeeld. De vrouw heeft deze stelling betwist. In eerste aanleg is de man in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van deze stelling en het Hof is van oordeel dat hij daarin met het horen van de hieronder genoemde getuigen is geslaagd.

[broer 1 van de man] (broer van de man), heeft verklaard, samengevat en voor zover van belang, dat hij in de woning is geboren en getogen. Hij is samen met zijn broer [appellant] (de man, opm. Hof) en twee zussen door zijn oma grootgebracht. Zijn oma heette [grootmoeder van de man], zij noemden haar [roepnaam]. Nadat oma is overleden heeft zij de woning voor hen achtergelaten. De woning is van de familie die is achtergebleven. [grootmoeder van de man] oma heeft nog een zoon en een dochter; het huis is dus niet van [appellant], ook de overige familieleden kunnen aanspraak maken op de woning. Zij hebben [appellant] toestemming gegeven daar te blijven wonen; [appellant] heeft er tot het laatst met oma gewoond. Het is niet zo dat een persoon het voor het zeggen heeft over de woning; oma heeft daarover geen boodschap achtergelaten. Na de dood van oma hebben [broer van de man], [appellant] en hun vader een tijdje samen gewoond in de woning. [broer va de man] en twee zussen hebben van hun vader een perceel grond gekregen. [appellant] heeft niets gekregen. Misschien omdat [appellant] in de woning [adres A] is blijven wonen, maar [broer van de man] weet dat niet zeker omdat zijn vader daar niets over heeft gezegd. [appellant] heeft vanuit zichzelf de woning gerenoveerd, maar de woning behoort toe aan alle erfgenamen van zijn oma.

[broer 2 van de man] (broer van de man), heeft verklaard, samengevat en voor zover van belang, dat hij niet anders weet dan dat de woning [adres A] altijd daar stond. Als klein kind werd hij met zijn broers en zussen (dus ook [appellant]) door zijn vader daar afgezet. Zij verbleven bij de moeder van zijn vader, ze noemden haar [grootmoeder van de man]. Toen [grootmoeder van de man] overleed is [appellant] daar blijven wonen. [grootmoeder van de man] had geen testament, er was niets. Hij denkt dat [zus 1 van de man], [zus 2 van de man] en [broer van de man] (twee zussen en een broer) een terrein in [wijk] hebben gekregen, maar hij weet niet of dat waar is, zijn vader heeft nooit iets op papier gezet. Hij woont zelf op de Bermudaweg; dat was van zijn vader en dat is wel via de notaris geregeld voor zijn vader kwam te overlijden. Hij weet niet of geconcludeerd kan worden dat de woning te [adres A] op zijn vader is overgegaan toen [grootmoeder van de man] overleed. In die tijd bleef degene die in het huis woonde daar wonen. Er werd niets geregeld.

3.14

Uit deze verklaringen moet naar het oordeel van het Hof worden afgeleid dat de grootmoeder van de man geen testament had en ook verder niets had geregeld met betrekking tot haar nalatenschap. Uit de verklaringen leidt het Hof voorts af dat de nalatenschap van de grootmoeder van de man niet is afgewikkeld. Volgens beide getuigen is de man na het overlijden van de grootmoeder met instemming van de familie in de woning te [wijk] blijven wonen. De vrouw heeft in contra enquête haar zus, [zus van de vrouw], nog als getuige doen horen, maar deze heeft de verklaringen van de broers van de man over de nalatenschap van hun grootmoeder niet ontkracht.

Conclusies woning in [wijk]

3.15

De conclusie is dus dat (het gebruiksrecht op) de woning in [wijk] in de onverdeelde nalatenschap van de grootmoeder valt en dat de man een aandeel van 1/15e daarin heeft. Dat aandeel valt in de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Tussen partijen is niet in geschil dat het aandeel in de woning moet worden toegedeeld aan de man. De vrouw heeft recht op vergoeding van de helft van de waarde van dat aandeel.

3.16

De man heeft in eerste aanleg gesteld dat de woning een geschatte waarde heeft van (destijds NAf, nu) Cg 100.000, hooguit Cg 120.000. Volgens de stellingen van de vrouw in eerste aanleg was de woning toen Cg 140.000 waard. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de peildatum voor de waarde van de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen in beginsel de datum van de feitelijke verdeling is, tenzij de redelijkheid en billijkheid of afspraken tussen partijen anders bepalen. Nu partijen verder niet op dit uitgangspunt zijn ingegaan, gaat het Hof in redelijkheid uit van de door de man gestelde waarde van Cg 120.000. Het gaat hier om een gebruiksrecht op een woning op huurgrond. Algemeen bekend is dat de waarde daarvan lager is dan wanneer de woning gebouwd zou zijn op eigendoms- of erfpachtgrond. Het aandeel van de man in de nalatenschap is 1/15 deel. Uitgaande van een waarde van het gebruiksrecht/de woning van Cg 120.000 komt het aandeel van de man in de nalatenschap en daarmee het tussen partijen te verdelen bestanddeel neer op een bedrag van Cg 8.000. Bij toedeling van dit aandeel aan de man heeft de vrouw recht op de helft van de waarde, dat is Cg 4.000.

Perceel in [wijk]

3.17

Geen grieven zijn er gericht tegen het oordeel van het Gerecht over het perceel in [wijk] (bestreden vonnis r.o.2.7). Het Hof neemt dit oordeel over. Het aandeel van de vrouw in de opstal (50% van de waarde ad Cg 15.000) zal worden gewaardeerd op Cg 7.500 en zal worden toegedeeld aan de vrouw, tegen vergoeding van de helft van de waarde aan de man, dat is Cg 3.750.

Slotsom

3.16

Toedeling van de vermogensbestanddelen als hiervoor overwogen en verrekening van de vorderingen over en weer leidt ertoe dat de vrouw nog een vordering op de man heeft van Cg 250. Het Hof zal het bestreden vonnis bevestigen, met uitzondering van het door de man aan de vrouw te betalen bedrag. Dat zal worden vastgesteld op Cg 250. Partijen zijn ex-echtelieden en om die reden zullen de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd als na te melden.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de veroordeling tot betaling wegens overbedeling, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van Cg 250 en verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.W.A. Vonk, E.M. van der Bunt en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 24 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »