ECLI:NL:OGEAC:2025:387

Datum uitspraak
25-08-2025
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
CUR202401913
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. De bestuurder moet de door hem van de rekening van de vennootschap overgeboekte bedragen aan de vennootschap terugbetalen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202401913

Vonnis van 25 augustus 2025

in de zaak van

CARIBBEAN PETROLEUM REFINERY B.V., gevestigd in Curaçao, eiseres,

hierna: CPR,gemachtigde: mr. H.W. Braam,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonend in [woonplaats],

hierna: [gedaagde 1],

2. [bedrijf 1],

gevestigd in Curaçao,

hierna: [BEDRIJF 1],gedaagden,

hierna gezamenlijk: [gedaagden c.s.],gemachtigde: mr. S. Terpstra.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift van 3 juni 2024, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- de aanvullende producties 8 tot en met 10 van [gedaagden c.s.],

- de akte vermeerdering van eis van 5 juni 2025, met aanvullende producties 10 tot en met 15b,

- het e-mailbericht van 5 juni 2025 van (de gemachtigde van) CPR dat de eisvermeerdering wordt ingetrokken,

- de aanvullende productie 11 van [gedaagden c.s.],

- de mondelinge behandeling van 6 juni 2025,

- de pleitnotities.

1.2.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2 Waar gaat de procedure over?

2.1

Tussen partijen is in geschil of [gedaagden c.s.] de bedragen van USD 50.000 en USD 200.000, die op respectievelijk 10 november en 2 december 2022 van de bankrekening van CPR naar die van [BEDRIJF 1] zijn overgemaakt, aan CPR terug moeten betalen.

2.2

CPR vordert - samengevat – dat het gerecht [gedaagden c.s.] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan CPR van (de tegenwaarde in Cg van) USD 250.000, te vermeerderen met de wettelijke rente, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden c.s.] in de proceskosten.

2.3

Het gerecht zal [gedaagden c.s.] hoofdelijk veroordelen tot betaling van

USD 250.000 en hierna uitleggen hoe het tot dit oordeel komt na eerst de vaststaande feiten te hebben vermeld.

3 De feiten

3.1

Op 14 juni 2022 is CPR opgericht door Caribbean Petroleum Refinery Holding B.V. (hierna: de Holding). Alle aandelen in CPR werden geplaatst bij de Holding, terwijl [BEDRIJF 1] hield alle aandelen in de Holding. Als eerste bestuurders van CPR werden benoemd: [gedaagde 1], [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) is later ook bestuurder van CPR geworden.

3.2

Op 10 november 2022 heeft [gedaagde 1] een bedrag van USD 50.000 van de bankrekening van CPR naar de bankrekening van [BEDRIJF 1] overgemaakt.

3.3

Op 2 december 2022 heeft [gedaagde 1] een bedrag van USD 200.000 van de bankrekening van CPR naar de bankrekening van [BEDRIJF 1] overgemaakt.

3.4

Bij akte van levering van 14 december 2022 heeft [BEDRIJF 1] de door haar gehouden aandelen in de Holding aldus overgedragen dat er een structuur ontstond waarbij CPR middellijk vier UBO’s had: [gedaagde 1] (33%), [betrokkene 2] (33%), [betrokkene 1] (33%) en L.F. [betrokkene 4] (1%).

3.5

In een brief van 10 januari 2023 heeft de MCB, de bank waar CPR bankierde, de bankrelatie met CPR met ingang van 28 februari 2023 beëindigd.

3.6

Op 21 maart 2023 heeft de Holding, vertegenwoordigd door [gedaagde 1], al haar aandelen in CPR verkocht en geleverd aan [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]), eveneens vertegenwoordigd door en gelieerd aan [gedaagde 1].

3.7

Op 21 maart 2023 heeft [bedrijf 2] [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ontslagen als bestuurders van CPR.

3.8

Op 31 maart 2023 heeft [gedaagde 1] zich laten uitschrijven als bestuurder van de Holding, waarna op 7 april 2023 [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 4] tot bestuurders zijn benoemd.

3.9

Op 18 april 2023 heeft de Holding [gedaagde 1] ontslagen als bestuurder van CPR en [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 4] benoemd tot bestuurders van CPR.

3.10

Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 8 april 20241 heeft dit gerecht het volgende beslist:

“(…)

- vernietigt het besluit van de Holding van 21 maart 2023 tot overdracht van de aandelen in CPR aan [bedrijf 2];

- verklaart voor recht dat het besluit van [bedrijf 2] van 21 maart 2023 tot ontslag van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] als bestuurders van CPR nietig is;

- verklaart voor recht dat het besluit van de Holding van 18 april 2023 geldig is.

(…)”

4 De beoordeling

4.1

CPR stelt dat [gedaagden c.s.] gehouden zijn het bedrag van USD 50.000, dat op

10 november 2022 en het bedrag van USD 200.000 dat op 2 december 2022 door [gedaagde 1] van de bankrekening van CPR naar de bankrekening van [BEDRIJF 1] is overgemaakt aan CPR terug te betalen. De vorderingen van CPR rusten op verschillende grondslagen: onrechtmatige daad, onverschuldigde betaling en bestuurdersaansprakelijkheid.

Ten aanzien van het bedrag van USD 50.000

4.2 [

gedaagden c.s.] betwisten dat sprake is van onverschuldigde betaling. Zij stellen dat er sprake was van een rekening-courantverhouding tussen [BEDRIJF 1] en CPR. Het ging bij het bedrag van USD 50.000 om de betaling aan [BEDRIJF 1] van de door [BEDRIJF 1] voor CPR voorgeschoten bedragen. Volgens [gedaagden c.s.] beschikte CPR tot in de tweede helft van 2022 niet over een eigen bankrekening, daarom heeft [BEDRIJF 1] verscheidene betalingen verricht (voorgeschoten) ten behoeve van CPR. Deze betalingen zagen voornamelijk op de oprichting van CPR, waaronder het aannemen en betalen van personeel en acquisitie in verband met de overname van de [YY]. Die kosten overschreden verre het bedrag van USD 50.000. Daarnaast heeft MCB in januari 2023 de bankrelatie met CPR beëindigd, dit leidde ertoe dat [BEDRIJF 1] opnieuw betalingen heeft gedaan die voor rekening van CPR kwamen. Gezien de omvang van de door [BEDRIJF 1] voorgeschoten bedragen heeft CPR, na verrekening, geen vordering op [BEDRIJF 1]. Partijen hebben in goede tijden afspraken gemaakt, die niet schriftelijk zijn vastgelegd en waarvan CPR nu doet alsof deze nooit hebben bestaan, maar partijen waren op de hoogte van bovenstaande gang van zaken, aldus [gedaagden c.s.] Voorts voeren [gedaagden c.s.] aan dat de transacties plaatsvonden in de relatie tussen CPR en [BEDRIJF 1], zodat [gedaagde 1] in privé daar buiten staat.

Aansprakelijkheid [BEDRIJF 1]

4.3

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van bestuurder van CPR op 10 november 2022 een bedrag van USD 50.000 heeft overgemaakt van de bankrekening van CPR naar die van [BEDRIJF 1], waarvan hij eveneens bestuurder was. CPR heeft weersproken dat hiervoor een rechtsgrond aanwezig was. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat [BEDRIJF 1] geen bedragen heeft voorgeschoten aan CPR in de periode van oprichting waarin CPR nog geen bankrekening had en dat er na de sluiting van CPR’s bankrekening bij MCB zijn geen betalingen gedaan vanuit de eigen middelen van [BEDRIJF 1]. In die periode werd de financiering van CPR voortgezet door [bedrijf x], vertegenwoordigd door [betrokkene 2], aldus CPR.

4.4

Het beroep op het bestaan van een rekening-courantverhouding is kennelijk, zo begrijpt het gerecht althans, bedoeld als een betalingsverweer - dat wil zeggen, betaling door middel van verrekening. Welke betalingen door [BEDRIJF 1] dan zouden zijn verrekend, is echter niet concreet gemaakt, zodat het gerecht dit verweer passeert. [BEDRIJF 1] heeft slechts in algemene termen genoemd waarop de betalingen betrekking hadden, maar van haar mocht worden verwacht dat zij concreet maakte welke betalingen zij voor CPR heeft verricht. Bijvoorbeeld door het overleggen van facturen en door middel van bankafschriften waaruit de aard, het tijdstip en het bedrag van de betalingen blijkt, waarvan zij stelt ze voor CPR te hebben verricht. Het lag (ook) op de weg van [BEDRIJF 1] om te onderbouwen dat er een afspraak of een overeenkomst ten grondslag lag aan de overboeking van dit bedrag. Dit alles heeft zij niet gedaan. Nu [BEDRIJF 1] dit alles heeft nagelaten, blijkt uit niets de door haar gestelde betalingen en afspraken, daarmee heeft zij niet aangetoond dat zij recht heeft op het bedrag van USD 50.000, zodat het gerecht als vaststaand aanneemt dat het bedrag onverschuldigd aan [BEDRIJF 1] is betaald.

Aansprakelijkheid [gedaagde 1]

4.5

CPR heeft gevorderd dat [gedaagde 1] naast [BEDRIJF 1] hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van USD 50.000. Aan de betaling lag geen rechtsgeldige titel ten grondslag. [gedaagde 1] is daarom ten opzichte van CPR tekortgeschoten in de behoorlijke vervulling van zijn taak als bedoeld in artikel 2:14 BW, aldus CPR.

4.6

In artikel 2:14 BW is bepaald dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Een bestuurder die zijn taak als bestuurder niet behoorlijk vervult, is daarvoor aansprakelijk als hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

4.7

De stelplicht en bewijslast dat er sprake is van (bijzondere) omstandigheden die een persoonlijk verwijt en daarmee aansprakelijkheid van de bestuurder voor de gestelde schade opleveren, rusten op CPR conform de hoofdregel van artikel 150 Rv. Vaststaat dat [gedaagde 1] USD 50.000 heeft overgeboekt naar [BEDRIJF 1], een aan hemzelf gelieerde vennootschap waarvan hij enig bestuurder was, terwijl hij wist dat daarvoor geen rechtsgrond was. Het gerecht is van oordeel dat die omstandigheden maken dat [gedaagde 1] zijn taak als bestuurder van CPR onbehoorlijk heeft vervuld en hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde 1] is gehouden de schade die door zijn handelen is ontstaan te vergoeden, die wordt gesteld op USD 50.000.

Ten aanzien van USD 200.000

4.8 [

gedaagden c.s.] voeren aan dat de overboeking van USD 200.000 van CPR aan [BEDRIJF 1] zijn grondslag vindt in de door hem overgelegde geldleningsovereenkomst, ondertekend door [betrokkene 1]. [gedaagden c.s.] hebben daarnaast een schriftelijke verklaring overgelegd van [betrokkene 3], voormalig bestuurder van CPR, dat er sprake was van een geldleningsovereenkomst aan [BEDRIJF 1], waarvan alle bestuurders op de hoogte waren.

Volgens [gedaagden c.s.] was deze lening bestemd voor de aflossing van de hypotheek op het huis van [gedaagde 1]. Deze lening is verrekend met de niet ontvangen managementvergoedingen. Volgens [gedaagden c.s.] heeft het geheel zich afgespeeld tussen CPR en [BEDRIJF 1], zodat [gedaagde 1] daar persoonlijk buiten staat. Van bestuurdersaansprakelijkheid is dan ook geen sprake, aldus [gedaagde 1].

4.9

CPR voert aan dat de verklaringen van [gedaagden c.s.] hierover misleidend zijn en dat er sprake is van misbruik van bevoegdheden door [gedaagde 1]. De echtheid van de geldleningsovereenkomst wordt betwist net als de daaronder geplaatste handtekening. CPR heeft aangifte gedaan tegen [gedaagde 1] wegens verduistering en valsheid in geschrifte. Voor zover uitgegaan zou moeten worden van de geldleningsovereenkomst, stelt CPR dat de lening binnen één jaar had moeten worden terugbetaald, hetgeen niet is gebeurd. [gedaagde 1] heeft het bedrag naar zichzelf overgeboekt voor de aflossing van zijn lening op zijn woning. De persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1] vloeit volgens CPR niet alleen voort uit de omstandigheid dat het bedrag is aangewend voor zijn privébelang, maar ook uit het gegeven dat hij weigert het bedrag terug te storten op de rekening van CPR, terwijl hij het geld niet heeft aangewend voor de aflossing van zijn lening.

Aansprakelijkheid [BEDRIJF 1]

4.10

Naar het oordeel van het gerecht hebben [gedaagden c.s.] in het licht van de gemotiveerde betwisting door [BEDRIJF 1] onvoldoende onderbouwd dat er sprake is geweest van een geldlening van CPR aan [BEDRIJF 1]. Er is door [gedaagden c.s.] een geldleningsovereenkomst overgelegd en een verklaring van [betrokkene 3] van juli 2024 inhoudende dat tussen de partners, [BEDRIJF 1] en [gedaagde 1] een lening van USD 200.000 was overeengekomen, voor de aflossing van het huis van [gedaagde 1] op Curaçao. Daar staat echter tegenover dat de overige bestuurders - ook ter zitting - hebben verklaard dat er geen sprake was van een geldlening, er meerdere varianten van de geldleningsovereenkomsten zijn, [betrokkene 1] de handtekening onder de overgelegde geldleningsovereenkomsten heeft betwist en CPR terzake aangifte heeft gedaan van diefstal. Het gerecht zal [gedaagden c.s.] terzake echter geen bewijsopdracht geven, omdat ook als ervan wordt uitgegaan dat er sprake is van een rechtsgeldige geldleningsovereenkomst tussen CPR en [BEDRIJF 1] van USD 200.000, geldt dat [BEDRIJF 1] deze lening tot op heden niet heeft terugbetaald, terwijl dit volgens de overeenkomst binnen één jaar had moeten gebeuren. Daarmee is [BEDRIJF 1] gehouden het bedrag van USD 200.000 aan CPR terug te betalen.

4.11 [

BEDRIJF 1] heeft in dit verband een beroep op verrekening gedaan met niet ontvangen managementvergoedingen. CPR heeft echter gemotiveerd weersproken dat [BEDRIJF 1] hierop aanspraak kan maken. In het licht van deze betwisting heeft [BEDRIJF 1] haar stelling dat er sprake zij recht had op een managementvergoeding niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld met een managementovereenkomst of andere stukken. Het beroep op verrekening faalt dan ook. [BEDRIJF 1] zal daarom worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van USD 200.000 aan CPR vermeerderd met de gevorderde rente.

Aansprakelijkheid [gedaagde 1]

4.12

Vervolgens is de vraag of [gedaagde 1] naast [BEDRIJF 1] aansprakelijk kan worden gehouden voor terugbetaling van USD 200.000, ook als vast zou zijn komen te staan dat er een leenovereenkomst zou zijn gesloten tussen [BEDRIJF 1] en CPR. Voor de beoordeling van die vraag is van belang of [gedaagde 1] als bestuurder van [BEDRIJF 1] een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt omdat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [BEDRIJF 1] de verplichtingen uit de leenovereenkomst niet is nagekomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan voor CPR optredende schade. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden in onderlinge samenhang van belang. [gedaagde 1] heeft als enig bestuurder van [BEDRIJF 1] bewerkstelligd dat [BEDRIJF 1] geld heeft ontvangen voor de aflossing van een door hem in privé aangegane hypothecaire lening. [BEDRIJF 1] heeft vervolgens geen enkele aflossing verricht en zich (in deze procedure) beroepen op verrekening. Het beroep op verrekening is echter afgewezen, zodat vast staat dat [gedaagde 1] als bestuurder van [BEDRIJF 1] zonder valide gronden ervoor heeft gezorgd dat [BEDRIJF 1] haar betalingsverplichtingen niet nakwam. Onweersproken is immers gebleven dat [gedaagde 1] heeft geweigerd het bedrag terug te storten naar CPR en [BEDRIJF 1] geen verhaal biedt. [gedaagde 1] zal daarom naast [BEDRIJF 1] worden veroordeeld USD 200.000 terug te betalen.

Beroep op klachtplicht wordt afgewezen

4.13 [

gedaagden c.s.] hebben aangevoerd dat voor zover al sprake is van gebreken in door [gedaagden c.s.] verrichte prestaties, daarover niet is geklaagd binnen bekwame termijn nadat CPR deze heeft ontdekt of had moeten ontdekken en zij doen aldus een beroep op art. 6:89 BW.

4.14

Het gerecht volgt hen hierin niet. Art. 6:89 BW bepaalt dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd.

In het geval van [BEDRIJF 1] geldt (onverschuldigde betaling, geldleningsovereenkomst) dat in die situatie niet sprake van een gebrekkige of ondeugdelijke prestatie van de ontvangers van de betaling waarover zou kunnen worden geklaagd door de partij die de betaling heeft verricht. Dat laatste is echter voor een beroep op de klachtplicht wel een vereiste.

In het geval van [gedaagde 1] geldt (interne bestuurdersaansprakelijkheid) dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat aan een bestuurder die ter afwering van zijn aansprakelijkheid op de voet van art. 2:14 BW jegens de rechtspersoon, geen beroep kan toekomen op art. 6:89 BW. Dit vloeit voort uit de aard van de rechtsverhouding tussen bestuurder en rechtspersoon en uit de omstandigheid dat een rechtspersoon bezwaarlijk kan worden tegengeworpen dat de bestuurder tijdens zijn aanstelling ter zake van onbehoorlijke taakvervulling door hemzelf als bestuurder tegenover de rechtspersoon, nalaat namens die rechtspersoon te protesteren bij zichzelf. Het voorgaande geldt eveneens voor de ingevolge art. 2:14 lid 2 BW hoofdelijk met die bestuurder verbonden medebestuurders nu onder meer de collegiale verhoudingen binnen het bestuur kunnen bemoeilijken dat binnen bekwame tijd wordt geprotesteerd tegen onbehoorlijke taakvervulling van een medebestuurder2.

Bewijsaanbod

4.15

Het bewijsaanbod van [gedaagden c.s.] wordt gepasseerd, deels omdat er onvoldoende is gesteld om tot bewijs tot worden toegelaten, deels omdat wat is aangeboden te bewijzen niet tot een andere uitkomst kan leiden.

Slotsom

4.16

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagden c.s.] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van (de tegenwaarde in Cg van) USD 250.000 aan CPR, vermeerderd met de onweersproken gevorderde wettelijke rente vanaf 10 juni 2024.

Proceskosten

4.17

Omdat [gedaagden c.s.] (grotendeels) in het ongelijk worden gesteld, worden zij hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten. De kosten van CPR worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 4.450 aan griffierecht, Cg 6.000 aan gemachtigdensalaris en Cg 652,90 aan oproepingskosten.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.18

De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.

5 De beslissing

Het gerecht:

5.1.

veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk tot betaling aan CPR van (de tegenwaarde in Cg van) USD 250.000, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

10 juni 2024 tot aan de dag van betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk in de proceskosten van CPR van

Cg 11.102,90;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Tubben, rechter, bijgestaan door mr. H. Akbuz, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »