ECLI:NL:OGEABES:2026:135

Datum uitspraak
28-05-2026
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
400.00025/26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vrijspraak witwassen. Een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen ontbreekt. Het aangetroffen geldbedrag en de omstandigheden waaronder dit is overhandigd sluiten niet zonder meer aan bij de typologieën van witwassen. Verdachte heeft gebruik willen maken van een zogenoemde ‘ondergrondse bank’ voor het vervoer van een groot contant geldbedrag. Dat gebruik kan verklaren waarom verdachte over een aanzienlijk contant geldbedrag beschikte. Een criminele herkomst van het geld volgt niet uit het dossier.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Parketnummer: 400.00025/26

Uitspraak: 28 mei 2026 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteland],

wonende op Bonaire, [adres].

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.J. Winkel, advocaat op Bonaire.

De officier van justitie, mr. D.C. Smits, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de maand mei 2025, op het eiland Bonaire, een

voorwerp, te weten geldbedrag van $ 10.000,- heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen (aan [medeverdachte]), terwijl hij wist of

begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

Het Gerecht acht het ten laste gelegde witwassen niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Het Gerecht overweegt hierover als volgt aan de hand van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 9 mei 2025 voerde de Koninklijke Marechaussee een ondermijningscontrole in samenwerking met de Douane en het Regionale Informatie- en Expertisecentra uit op de luchthaven Flamingo Airport. Deze controle bestond uit het controleren van passagiers die voornemens waren uit te reizen naar de Dominicaanse Republiek.

Omstreeks 09:10 uur werd verdachte in hetzelfde onderzoek, [medeverdachte], gecontroleerd. Tijdens deze controle werd bij [medeverdachte] een totaalbedrag van USD 29.645,- aangetroffen, welk bedrag hij op verschillende plaatsen op en aan zijn lichaam trachtte te vervoeren. In zijn onderbroek werd een bedrag van USD 10.000,- aangetroffen. In zijn tas bevonden zich meerdere enveloppen met daarop namen geschreven, met bedragen variërend van USD 40,- tot USD 700,- voor een totaal van USD 1.871,-. Voorts werd in zijn linkerborstzak een bedrag van USD 5.000,- en in zijn portemonnee een bedrag van USD 745,- aangetroffen. Na zijn aanhouding en inverzekeringstelling werd tijdens de insluiting in de JICN nog een bedrag van USD 12.000,- in de onderbroek van [medeverdachte] aangetroffen.

Verdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de in beslag genomen geldbedragen voor verschillende kennissen wilde vervoeren naar de Dominicaanse Republiek om dit geld, eenmaal daar aangekomen, aan de familie en/of zakenpartners van die kennissen te geven. Verdachte heeft verklaard dat hij een bedrag van USD 10.000,- aan medeverdachte [medeverdachte] heeft overhandigd, teneinde dit bedrag naar de Dominicaanse Republiek te vervoeren en aldaar af te geven aan een zakenpartner van verdachte.

Het Gerecht stelt op basis van voornoemde feiten en omstandigheden vast dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de diensten van verdachte [medeverdachte] als ondergronds bankier.

Het Gerecht ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde witwassen. Daarvoor moet aannemelijk zijn dat het voorwerp, het geldbedrag van USD 10.000,-, afkomstig is uit enig misdrijf.

Toetsingskader witwassen

Voor een bewezenverklaring van het in de tenlastelegging van witwassen opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van artikel 435a jo. 435c Sr BES vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit kan volgen dat het voorwerp niét uit misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo’n verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet uit misdrijf afkomstig is.

Wanneer de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Toepassing toetsingskader

Van het geldbedrag van USD 10.000,- is niet komen vast te staan dat dit geldbedrag direct uit enig misdrijf afkomstig is.

Het door verdachte aan verdachte [medeverdachte] overhandigde geldbedrag en de omstandigheden waaronder dit is overhandigd, voldoen niet zonder meer aan de typologieën van witwassen. Zo staat het bedrag van USD 10.000,- in beginsel in verhouding tot het legale inkomen van verdachte. Daarnaast heeft verdachte geen relevante strafrechtelijke antecedenten en heeft hij niet geweigerd een verklaring af te leggen over de herkomst van het geld, is deze verklaring in lijn met die van de medeverdachten, is er geen sprake geweest van versluierd taalgebruik. Voorts werd het geldbedrag door verdachte geteld aangeleverd, bestond het uit één valuta en overwegend uit coupures van USD 50,- of groter.

Dat verdachte gebruik heeft willen maken van een ‘ondergrondse bank’ voor het vervoer van het geldbedrag, kan ook verklaren waarom verdachte beschikte over een groot contant geldbedrag. Maar maakt nog niet dat reeds sprake is van een vermoeden dat dat geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Uit het dossier en de bestaande literatuur over ondergronds bankieren valt immers op te maken dat het vervoeren van (grote) contante geldbedragen ook past binnen de werkwijze van ondergronds bankieren. Ondergronds bankieren is niet per definitie uitsluitend gericht op criminele gelden en het enkele gebruikmaken van een dergelijk systeem levert op zichzelf geen witwassen op. Een mogelijke criminele herkomst van het geldbedrag komt uit het dossier niet naar voren.

Het Gerecht is concluderend van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden, ook in onderling verband en samenhang bezien, onvoldoende zijn om daaraan een gerechtvaardigd vermoeden te ontlenen dat verdachte zich heeft beziggehouden met witwassen. Aan het verlangen van de verdachte dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit kan volgen dat het voorwerp niét uit misdrijf afkomstig is, wordt dus niet toegekomen.

De slotsom is dat het Gerecht niet bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.C.B. Hubben, bijgestaan door mr. J.J. Scholte ter Horst, (zittingsgriffier), en op 28 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.

mr. J.J. Scholte ter Horst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »