GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202600151
datum beslissing: 28 mei 2026
BESLISSING
op het beslagrekest van
E.C.R. CARIBBEAN REALTY (BONAIRE) B.V.,
gevestigd op Bonaire,
verzoeker,
hierna: ECR,
gemachtigden: mrs. S.H. Barten en J.E. Lovert,
tegen
[gerekwestreerde],
wonend in de Verenigde Staten van Amerika,
gerekwestreerde,
hierna: [gerekwestreerde],
gemachtigde: mr. J.K. Althoff.
1 De procedure
Op 24 maart 2026 is het verzoekschrift met producties op de griffie van dit Gerecht ingediend.
Het Gerecht heeft bepaald dat voor de behandeling van het verzoek een mondelinge behandeling zal worden gehouden. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Namens ECR is de heer [directeur ECR] (directeur van ECR) verschenen, bijgestaan door mrs. Barten en Lovert. [gerekwestreerde] heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van Dort (kantoorgenoot van mr. Althoff); hij is via een videoverbinding aanwezig geweest.
Ten slotte is bepaald dat uiterlijk op 29 mei 2026 uitspraak zal worden gedaan.
2 Het verzoek
ECR wenst conservatoir eigenbeslag te leggen op een vordering die [gerekwestreerde] op ECR zal verkrijgen in verband met een aanhangige bodemprocedure bij dit Gerecht met registratienummer BON202400384. Daarbij verzoekt ECR haar vordering inclusief rente en kosten voorlopig te begroten op USD 1.422.462,00.
3 De beoordeling
De achtergrond van het geschil
gerekwestreerde] heeft aandelen in de naamloze vennootschap Latino Americana de Inversiones N.V. (hierna: LAI), handelend onder de naam Eden Beach Resort, verkocht aan ECR. Over de uitvoering van de daarbij horende overeenkomsten is tussen partijen een geschil ontstaan.
Op 13 augustus 2024 is door [gerekwestreerde] tegen ECR een procedure bij dit Gerecht gestart waarin hij vordert dat ECR wordt veroordeeld tot nakoming van haar betaalverplichtingen. In die procedure heeft ECR tegenvorderingen ingesteld. Met haar tegenvorderingen heeft ECR geëist dat zij een aantal door haar gestelde schadeposten mag verrekenen met bedragen die zij in verband met de koop van aandelen aan [gerekwestreerde] moet betalen. Op 26 november 2026 is in die procedure een tussenvonnis gewezen.
In het tussenvonnis van 26 november 2026 is beslist dat [gerekwestreerde] in de gelegenheid wordt gesteld om een akte in het geding te brengen dat jaarrekeningen zijn goedgekeurd. Verder is geoordeeld dat als [gerekwestreerde] de jaarrekeningen heeft goedgekeurd, zijn vorderingen in conventie voor toewijzing gereed liggen en ECR (gedeelten van) de koopsom van de aandelen aan hem moet betalen.
De tegenvorderingen van ECR zijn in het tussenvonnis van 26 november 2026 afgewezen, omdat de gegrondheid van het beroep van ECR op verrekening niet eenvoudig vast te stellen is.
ECR heeft aangekondigd haar tegenvorderingen in een afzonderlijke bodemprocedure aanhangig te zullen maken.
Het verlof tot het leggen van conservatoir eigenbeslag wordt verleend
Aan haar verzoek tot het leggen van conservatoir eigenbeslag legt ECR ten grondslag dat [gerekwestreerde] tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst van de aandelen. Volgens ECR heeft [gerekwestreerde] in die koopovereenkomst gegarandeerd dat de belastingschuld en andere schulden van LAI maximaal een bepaald bedrag bedragen en blijken de schulden in werkelijkheid hoger te zijn. Voor het bedrag dat de schulden de afgegeven garanties overstijgen vordert ECR schadevergoeding. Daarnaast weigert [gerekwestreerde] een rekening-courantschuld aan LAI af te lossen. LAI heeft die vordering aan ECR gecedeerd. ECR vordert terugbetaling van de rekening-courantschuld.
gerekwestreerde] voert geen verweer tegen de gecedeerde vordering aan ECR in verband met de rekening-courantschuld aan LAI. De overige vorderingen van ECR worden door [gerekwestreerde] betwist. Het verzoek tot het leggen van beslag moet volgens [gerekwestreerde] worden afgewezen, omdat die vorderingen in de lopende procedure al zijn afgewezen. De vorderingen zijn pas onlangs naar voren gebracht en niet toen ECR de koopsom van de aandelen moest betalen. Daarom is er sprake van een vertragingstactiek en wordt de vordering van [gerekwestreerde] op ECR daarmee gefrustreerd.
Dat de vorderingen van ECR tegen [gerekwestreerde] in de lopende procedure zijn afgewezen betekent niet dat het verlof tot het leggen van beslag moet worden afgewezen. De vorderingen van ECR zijn in het tussenvonnis van 26 november 2026 afgewezen, omdat de gegrondheid van het beroep van ECR op verrekening niet eenvoudig vast te stellen was. Inhoudelijk heeft het Gerecht nog niet over de vorderingen geoordeeld. ECR heeft verklaard dat de (hoogte van de) vorderingen pas op een later moment bij ECR bekend zijn geworden, omdat haar fiscalist in verband met de gebrekkige administratie van LAI lang bezig is geweest met het onderzoeken van de (belasting)schuld. In de lopende bodemprocedure zijn de vorderingen in eerste instantie als reconventionele vorderingen ingesteld en door het Gerecht toegelaten. Van misbruik van recht is geen sprake. Het Gerecht ziet bij de huidige stand van zaken onvoldoende grond om aan te nemen dat van een opeisbare vordering van ECR tot schadevergoeding geen sprake kan zijn. Daarover zal in de nog aanhangig te maken afzonderlijke bodemprocedure moeten worden geoordeeld. Het verzochte verlof om conservatoir eigenbeslag te leggen zal daarom worden verleend.
Begroting van de vordering
ECR verzoekt haar vordering voorlopig te begroten op USD 1.100.384,61 aan hoofdsom en USD 85.000,00 aan kosten ter vaststelling van schade, incassokosten, proceskosten en wettelijke rente. ECR verzoekt vervolgens de optelsom van de hiervoor genoemde bedragen te verhogen met USD 237.077,00 in verband met “beslag- en accessoire kosten”.
Het Gerecht zal de vordering van ECR voorlopig begroten op een bedrag van USD 1.100.384,61 aan hoofdsom plus een bedrag van USD 45.000 aan kosten ter vaststelling van schade van JRK Adviesmaatschappij N.V., waarvan door ECR een brief met prijsopgave in het geding gebracht is. De optelsom van deze bedragen wordt overeenkomstig de opslag voor rente en kosten uit de beslagsyllabus verhoogd tot een totaalbedrag van USD 1.397.192,30. De componenten incassokosten, proceskosten en wettelijke rente die ECR heeft betrokken bij het bedrag van USD 85.000,00 liggen reeds besloten in de opslag uit de beslagsyllabus. Daarom worden die componenten niet betrokken bij de voorlopige begroting van haar vordering.
4 De beslissing
Het Gerecht:
begroot de vordering van verzoekster inclusief rente en kosten op USD 1.397.192,30 (zegge: één miljoen driehonderdzevenennegentigduizend honderdtweeënnegentig dollar dertig cent);
verleent ECR verlof om ten laste van [gerekwestreerde] conservatoir eigenbeslag te leggen onder zichzelf, op alle gelden welke zij verschuldigd is of zal zijn aan ECR;
bepaalt dat de eis in hoofdzaak binnen 4 weken na het (eerstgelegde) beslag moet worden ingesteld;
verklaart de beslissingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit verlof is verleend door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, op 28 mei 2026.