ECLI:NL:HR:2026:1668

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Hoge Raad
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
26/01539
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 26/01539

Datum 9 oktober 2026

ARREST

op het door [X] B.V. (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2026, nrs. 25/479 tot en met 25/482.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 29 mei 2026 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.

1.2

De griffier van de Hoge Raad heeft op 30 juni 2026 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Belanghebbende heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt met een op 8 juli 2026 via het webportaal van de Hoge Raad ingediende brief.

1.3

Belanghebbende voert in de brief van 8 juli 2026 – samengevat – aan dat het op straffe van niet-ontvankelijkheid vooraf moeten betalen van griffierecht als voorwaarde voor het in behandeling nemen van een cassatieberoep zich niet verhoudt met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in samenhang gelezen met artikel 52 daarvan. Belanghebbende stelt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie desgevraagd zal oordelen dat het griffierecht pas achteraf mag worden geheven bij een ongegrond beroep, omdat deze wijze van heffing veel evenrediger is dan de in artikel 8:41 van de Awb voorgeschreven wijze van heffing. Volgens belanghebbende is de Hoge Raad verplicht hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

1.4

Hetgeen belanghebbende in de brief van 8 juli 2026 aanvoert, levert geen grond op voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Dit brengt mee dat het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »