ECLI:NL:HR:2026:1635

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Hoge Raad
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
25/02309
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Caribische zaak. Verbintenissenrecht. Overeenkomstenrecht. Procesrecht. Bewijsrecht. Art. 145 lid 1 Rv Curaçao. Contractuele boete. Matiging. Mocht hof bewijsaanbod passeren op grond dat schuldenaar onvoldoende heeft aangevoerd?

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/02309

Datum 9 oktober 2026

ARREST

In de zaak van

[eiser tot cassatie] ,

wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: [eiser tot cassatie] ,

advocaten: B.T.M. van der Wiel, L.V. van Gardingen en L.A. Burwick,

tegen

FUNDASHON KORPORASHON PA DESAROYO DI KORSOU,

gevestigd in Curaçao,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: Korpodeko,

advocaten: J.W.H. van Wijk en J.W. de Jong.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding verwijst de Hoge Raad naar:

a. het arrest in de zaak 21/05304 van de Hoge Raad van 2 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:846);

b. het vonnis in de zaak AR 48367/2011-CUR2017H00145 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 25 maart 2025.

[eiser tot cassatie] heeft tegen het vonnis van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Korpodeko heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser tot cassatie] mede door D.V.W. Hakhoff.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt in het principale beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar het hof.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals weergegeven in rov. 2.1 van het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2023 in deze zaak.1

2.2

Deze zaak gaat, samengevat, over de vraag of [eiser tot cassatie] een contractuele boete is verschuldigd omdat hij een beding in de tussen partijen gesloten overeenkomst heeft overtreden. In het thans bestreden vonnis is alleen nog het beroep van [eiser tot cassatie] op (verdere) matiging van de boete aan de orde.

2.3

Het hof2 heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen (voetnoot weggelaten):

“3.7 Zoals hiervoor overwogen staat vast dat [eiser tot cassatie] de boete heeft verbeurd vanwege schending van een contractuele bepaling. In geval van verbeurte van een contractuele boete kan de schuldenaar zich op grond van artikel 6:94 lid 1 BW beroepen op matiging van de boete. Van de bevoegdheid tot matiging mag de rechter slechts terughoudend gebruik maken. Voor matiging bestaat volgens vaste rechtspraak slechts aanleiding indien het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij dient de rechter niet alleen te letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. De stelplicht en bewijslast van voor matiging relevante factoren ligt op de weg van degene die zich op matiging beroept.

3.8

[eiser tot cassatie] heeft zich in dat verband beroepen op een aantal omstandigheden die het Hof in zijn eindvonnis heeft meegewogen in de rov. 2.18 tot en met 2.22, die in cassatie niet zijn bestreden. Die oordelen hebben tot matiging van de boete geleid. Het bedrag dat aan boete is toegewezen (NAf 6.911.820) bedraagt slechts een klein deel van de boete die op grond van artikel 8 is verschuldigd (USD 13.864.235). Daarmee is de boete dus reeds aanzienlijk gematigd.

3.9

Het Hof is bij zijn oordeel in het eindvonnis om de boete niet nog verder te matigen ervan uitgegaan dat [eiser tot cassatie] nagenoeg het volledige bedrag van de lening van Korpodeko in eigen zak heeft gestoken en aan DAE heeft onthouden (rov. 2.7, 2.8, 2.23 en 2.24). Het Hof heeft zich daarvoor onder meer gebaseerd op de door Korpodeko in geding gebrachte notulen van 26 november 2010 (…). Omdat [eiser tot cassatie] zich over die stelling van Korpodeko niet meer had kunnen uitlaten was naar het oordeel van de Hoge Raad sprake van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, op grond waarvan de Hoge Raad het eindvonnis van het Hof heeft vernietigd en de zaak heeft terug gewezen.

(…)

3.10

In deze procedure na terugwijzing heeft [eiser tot cassatie] alsnog de gelegenheid gekregen om zich over die stelling van Korpodeko uit te laten. (…)

Reactie [eiser tot cassatie] na verwijzing

3.11

Ter weerspreking van de stelling van Korpodeko dat [eiser tot cassatie] de Korpodeko-gelden aan DAE heeft onthouden, heeft [eiser tot cassatie] een groot aantal producties in geding gebracht waarin centraal staat de verklaring van (…) [CFO bij DAE] , destijds CFO bij DAE. Volgens [eiser tot cassatie] heeft Korpodeko haar verwijt onvoldoende onderbouwd omdat: i) de notulen waarop Korpodeko zich baseert niet volledig en niet authentiek zijn (want niet tijdens de vergadering letterlijk opgetekend door een bij de vergadering aanwezige notulist, maar achteraf gereconstrueerd) en daarmee niet betrouwbaar zijn en ii) uit de beweerdelijke notulen niet de gevolgtrekking is te maken die Korpodeko stelt. Bovendien zijn de Korpodeko-gelden nooit in de macht van [eiser tot cassatie] geweest.

3.12

Daarnaast heeft [eiser tot cassatie] nog twee omstandigheden aangevoerd die volgens hem tot (verdere) matiging moeten leiden, te weten i) de achtergrond van de aandelenverkoop door [eiser tot cassatie] en ii) de rol van [directeur van Korpodeko] .

Betrouwbaarheid van de notulen

3.13

[eiser tot cassatie] heeft zich niet eerder op het standpunt gesteld dat de notulen zoals die door Korpodeko bij akte overlegging producties van 5 maart 2019 in het geding zijn gebracht, niet betrouwbaar zijn. Het Hof is van oordeel dat dit, anders dan Korpodeko lijkt te betogen, niet tardief is of anderszins in strijd met de eisen van een goede procesorde. Immers, Korpodeko heeft de notulen pas in een laat stadium van de procedure overgelegd en nog later (zo laat dat [eiser tot cassatie] daarop niet meer kon reageren) pas daaraan het verwijt ontleend dat [eiser tot cassatie] de Korpodeko-gelden in eigen zak heeft gestoken danwel aan DAE heeft onthouden.

3.14

[eiser tot cassatie] heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de notulen van de vergadering van 26 november 2010 niet juist weergeven wat tijdens die vergadering van het managementteam van DAE is besproken en dat daarom daaraan geen waarde kan worden toegekend. [eiser tot cassatie] heeft gesteld (op basis van de verklaring van [CFO bij DAE] ) dat de notulen pas geruime tijd na de desbetreffende vergadering zijn opgemaakt naar aanleiding van handgeschreven aantekeningen van [CFO bij DAE] . Uit de verklaring van [CFO bij DAE] kan dat echter niet worden afgeleid. [CFO bij DAE] verklaart dat er vanaf het moment dat het verkooptraject van DAE begon (vanaf begin 2010) geen verslagen meer van het managementteam van DAE werden gemaakt en dat hij weliswaar zelf handgeschreven aantekeningen maakte van die vergaderingen, maar dat die niet werden uitgewerkt en niet werden opgenomen in het archief van de vennootschap. [CFO bij DAE] heeft echter ook verklaard dat [CEO bij DAE] hem op 3 november 2010 heeft gevraagd zijn handgeschreven aantekeningen van de periode daarvoor af te geven aan de secretaresse van [CEO bij DAE] , die op basis van die aantekeningen gespreksverslagen zou maken, dit om met het oog op de mogelijke verkoop van de vennootschap de archieven alsnog compleet te maken. Uit de verklaring van [CFO bij DAE] kan echter niet of onvoldoende duidelijk worden afgeleid dat deze reconstructie door de secretaresse van [CEO bij DAE] ook heeft plaatsgevonden inzake de notulen van 26 november 2010. Dit ligt niet voor de hand, nu het na 3 november 2010 volgens [CFO bij DAE] juist de bedoeling was de archieven te completeren met, naar valt aan te nemen, betrouwbare notulen. [eiser tot cassatie] heeft ook geen handgeschreven aantekeningen van [CFO bij DAE] van de desbetreffende vergadering overgelegd. [CFO bij DAE] zou die aantekeningen volgens zijn verklaring meteen na de vergadering hebben overhandigd aan de secretaresse van [CEO bij DAE] om door haar te laten uitwerken. Ook dat past in het plaatje dat de aantekeningen van die specifieke vergadering wel meteen zijn uitgewerkt en niet pas maanden later zijn “gereconstrueerd”.

3.15

Daarbij komt het volgende. [CEO bij DAE] , dat staat vast, was bij alle vergaderingen aanwezig, ook die van 26 november 2010. Aannemelijk is dan ook – [CFO bij DAE] sluit dat in zijn verklaring ook niet uit – dat [CEO bij DAE] zijn secretaresse, die de aantekeningen tot notulen heeft uitgewerkt, op de hoogte heeft gesteld van wat er tijdens de vergadering is besproken, en hij bij het uitwerken ervan heeft geholpen en die uitwerking heeft gecontroleerd, vooral omdat het vanaf 3 november 2010 volgens de verklaring van [CFO bij DAE] kennelijk juist wel van belang was om betrouwbare notulen te kunnen laten zien. Volgens [eiser tot cassatie] is het zeer onaannemelijk dat [CEO bij DAE] met behulp van de aantekeningen van [CFO bij DAE] zich zou hebben herinnerd wat er tijdens de vergaderingen woordelijk is besproken. Het Hof overweegt daarover dat de notulen slechts een zakelijke weergave zijn van wat er tijdens de vergadering is besproken. Daarbij is niet (…) uit te sluiten dat sommige details van hetgeen is besproken wellicht in de notulen niet, niet volledig of niet (geheel) correct zijn vermeld. Dat is echter moeilijker vol te houden naarmate een vermelding, zoals in dit geval, meer specifiek en meer gedetailleerd is. In de passage in de notulen waarom het hier gaat (zie citaat in 3.17) wordt tot twee keer toe expliciet gesproken over de Korpodeko-gelden. Dat kan zonder nadere uitleg, die [eiser tot cassatie] op dat specifieke punt niet geeft, niet worden afgedaan als een onbelangrijk detail dat [CEO bij DAE] zich niet juist heeft herinnerd. Integendeel. Het betreft een heel specifieke vermelding, waarbij een vergissing of verwarring niet erg voor de hand ligt.

3.16

De conclusie is dat [eiser tot cassatie] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de notulen van 26 november 2010 op dit punt niet betrouwbaar en daarmee in strijd met de waarheid zijn. Het Hof komt daarom niet toe aan het bewijsaanbod van [eiser tot cassatie] op de punten (…).

Hoe moeten de notulen worden begrepen?

3.17

[eiser tot cassatie] stelt vervolgens dat uit de notulen niet volgt dat [eiser tot cassatie] op enige wijze (Korpodeko)gelden aan DAE heeft onthouden. De desbetreffende passage kan die conclusie volgens hem niet dragen. De passage luidt:

“There is first a discussion about the rejection of (…) ( [eiser tot cassatie] , Hof) to make the money from Korpodeko available to the company as promised during the September conference call. The request for an injection of USD 450K which was promised last week (for which loan agreements were made up by DAE), was not executed Tuesday, which all brings DAE in a difficult position. (...)

(…) ( [adviseur van DEA] , adviseur van DAE, Hof) will make based on the additional assumptions a new cashflow outlook for discussions (coming) Sunday with [ [eiser tot cassatie] ] to explain the need of a usage of the funds provided by Korpodeko.”

(…)

3.20

Het Hof komt tot het oordeel dat de door [eiser tot cassatie] geschetste alternatieve lezingen geen van beide een plausibele verklaring geven voor de geciteerde passage in de notulen, anders dan dat die zo moet worden begrepen dat [eiser tot cassatie] kennelijk (enige) zeggenschap had over de Korpodeko-gelden en dat de Korpodeko-gelden dat moment – eind november 2010 – door toedoen van [eiser tot cassatie] (nog) niet ten goede waren gekomen aan DAE. Daarop ziet kennelijk ook de laatste zin in de geciteerde passage: [adviseur van DEA] will make based on the additional assumptions a new cash flow outlook for discussions (coming) Sunday with [eiser tot cassatie] to explain the need of a usage of the funds provided by Korpodeko. In die zin staat wederom een expliciete verwijzing naar de Korpodeko-gelden. Dat bevestigt naar het oordeel van het Hof de lezing van de eerste zin in de geciteerde passage dat de Korpodeko-gelden op dat moment door toedoen van [eiser tot cassatie] nog niet beschikbaar waren gesteld of ten goede waren gekomen aan DAE, dat dit wel noodzakelijk was (voor het voortbestaan van DAE) en dat [adviseur van DEA] [eiser tot cassatie] daarvan zou proberen te overtuigen aan de hand van een door hem nog op te stellen overzicht.

3.21

Uitgaande van die uitleg, die op grond van de tekst van de notulen en de omstandigheden van DAE op dat moment, zoals die uit de processtukken naar voren zijn gekomen, en alle andere omstandigheden van het geval het meest aannemelijk is, is niet relevant hoe de Korpodeko-gelden in de macht van [eiser tot cassatie] zijn gekomen. Zoals overwogen kan uit de notulen immers worden begrepen dat [eiser tot cassatie] kennelijk de beschikking had over de Korpodeko-gelden of in ieder geval daarover zeggenschap had en het (dus) in zijn macht had om die Korpodeko-gelden beschikbaar te stellen voor DAE dan wel aan DAE te onthouden.

3.22

Daarnaast geldt het volgende. Vast staat (als gesteld door [eiser tot cassatie] en niet weersproken door Korpodeko) dat de gelden van Korpodeko op 13 september 2010 zijn ontvangen door DAE. Voor de onderbouwing van zijn stelling dat de Korpodeko-gelden nooit in zijn macht zijn geweest baseert [eiser tot cassatie] zich op de verklaring van [CFO bij DAE] die verklaart dat i) de Korpodeko-gelden aan DAE zijn betaald en kort daarna volledig zijn uitgegeven, ii) na ontvangst van de Korpodeko- gelden aan [eiser tot cassatie] geen betalingen zijn gedaan, iii) de Korpodeko-gelden niet aan DAE konden worden onthouden omdat ten tijde van de ontvangst van de Korpodeko-gelden het water DAE reeds aan de lippen stond en iv) [eiser tot cassatie] op geen enkele wijze kon beschikken over of toegang had tot die gelden. Tot slot, zo stelt [eiser tot cassatie] , heeft ook de curator in het faillissement geen frauduleuze transacties van DAE aan [eiser tot cassatie] ontdekt.

3.23

Het door [eiser tot cassatie] overgelegde, door [CFO bij DAE] aan de hand van grootboekkaarten opgestelde overzicht van uitgaven (…) reikt niet verder dan tot eind september 2010. Wat is gebeurd met de Korpodeko-gelden tussen eind september 2010 en eind november 2010, toen DAE om een (extra) financiële injectie vroeg, is daaruit niet af te leiden. Uit het overzicht zelf kan niet meer worden afgeleid dan dat DAE (veel) betalingen heeft gedaan in de periode rondom de ontvangst van de Korpodeko-gelden. Wat de bron was waaruit die betalingen zijn gedaan, volgt uit dat overzicht niet; in ieder geval blijkt onvoldoende dat die uitgaven zijn gedaan vanuit de Korpodeko-gelden. Dat het water DAE toen zij de Korpodeko-gelden ontving al aan de lippen stond is op zichzelf aannemelijk, maar de daaraan door [eiser tot cassatie] verbonden conclusie dat hij daardoor de Korpodeko-gelden niet aan DAE kon onthouden, kan het Hof niet volgen. De omstandigheid dat DAE in financieel zwaar weer verkeerde was nu juist in de desbetreffende periode onderwerp van gesprek tussen [eiser tot cassatie] en DAE en maakte dat DAE juist (extra) financiële middelen nodig had. Dat [eiser tot cassatie] niet kon beschikken over gelden of rekeningen van DAE laat onverlet dat, zoals aannemelijk is, [eiser tot cassatie] als financier wel (enige) zeggenschap had over de (besteding van de) gelden en het dus in zijn macht had om gelden aan DAE te onthouden. Tot slot kan de omstandigheid dat de curator in het faillissement geen frauduleuze transacties heeft ontdekt niet zonder meer tot de conclusie leiden dat die er niet zijn geweest, temeer daar in de overgelegde faillissementsverslagenstaat dat de administratie niet compleet is.

3.24

Nu [eiser tot cassatie] er niet in is geslaagd bovenstaande uitleg door het Hof van de notulen afdoende te weerleggen gaat het Hof van die lezing uit. Op grond van al hetgeen in het voorgaande is overwogen gaat het Hof aan het bewijsaanbod van [eiser tot cassatie] voorbij, ook inzake de punten (…). [eiser tot cassatie] heeft onvoldoende gesteld om daaraan toe te komen.”

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

Onderdeel 2 van het middel richt zich tegen de rov. 3.13-3.16 en 3.18-3.20 van het bestreden vonnis. Het klaagt in de kern dat het hof niet had mogen voorbijgaan aan het bewijsaanbod van [eiser tot cassatie] op de grond dat [eiser tot cassatie] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de notulen van de vergadering van 26 november 2010 (hierna: de notulen) met betrekking tot de daarin opgenomen vermelding over de Korpodeko-gelden niet betrouwbaar en daarmee in strijd met de waarheid zouden zijn. Het hof heeft daarmee te hoge eisen gesteld aan hetgeen [eiser tot cassatie] moest aanvoeren om tot bewijslevering in de gelegenheid te worden gesteld, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus de klacht.

Onderdeel 5 richt zich tegen de rov. 3.22-3.24 van het bestreden vonnis. De onderdelen 5.2 en 5.3 klagen dat het hof ook hier te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [eiser tot cassatie] , en dat de conclusie dat [eiser tot cassatie] onvoldoende heeft gesteld om tot het door hem aangeboden bewijs te worden toegelaten, onvoldoende begrijpelijk is. Door te oordelen dat [eiser tot cassatie] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, heeft het hof miskend dat van een partij die bewijs aanbiedt van haar stellingen niet kan worden gevergd dat zij die stellingen op voorhand aannemelijk maakt, en niet valt in te zien wat van [eiser tot cassatie] nog meer had kunnen worden gevraagd in dit kader, aldus de klachten.

Deze klachten kunnen gezamenlijk worden behandeld.

3.2

Art. 145 lid 1, eerste zin, Rv Curaçao bepaalt dat indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, de rechter een getuigenverhoor beveelt, zo vaak een van de partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden.

Een grond waarop de rechter een aanbod tot het leveren van (tegen)bewijs door getuigen mag passeren, is dat de feiten waarop het aanbod betrekking heeft onvoldoende gemotiveerd zijn gesteld of onvoldoende gemotiveerd zijn betwist. Welke mate van motivering van een stelling of van een betwisting mag worden verlangd, is afhankelijk van het partijdebat en de overige omstandigheden van het geval.3 Hierbij is van belang dat van een partij die getuigenbewijs aanbiedt, niet gevergd kan worden dat zij, wil zij tot dit bewijs worden toegelaten, op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt en hetgeen de wederpartij daartegen aanvoert, ontzenuwt.4

3.3

Tegenover het beroep van [eiser tot cassatie] op matiging, heeft Korpodeko zich – bij wijze van argument waarom de boete niet (verder) gematigd zou moeten worden – op het standpunt gesteld dat [eiser tot cassatie] nagenoeg het volledige bedrag van de lening van Korpodeko in eigen zak heeft gestoken en aan DAE heeft onthouden. Korpodeko heeft zich in dat verband op de notulen beroepen.

[eiser tot cassatie] heeft gemotiveerd bestreden dat hij de Korpodeko-gelden aan DAE heeft onthouden en heeft aangevoerd dat de notulen geen juiste, betrouwbare weergave vormen van wat tijdens de desbetreffende vergadering is besproken, en dat [CFO bij DAE] , destijds CFO bij DAE, daarbij aanwezig was en dit kan bevestigen. Hij heeft verder aangevoerd dat de notulen pas geruime tijd na de vergadering zijn opgemaakt, dat [CFO bij DAE] de door de secretaresse uitgewerkte verslagen nooit heeft ingezien en dat [CFO bij DAE] nooit is gevraagd deze op juistheid te controleren. [eiser tot cassatie] heeft zich in dat verband onder meer beroepen op een schriftelijke verklaring van [CFO bij DAE] . [eiser tot cassatie] heeft verder twee alternatieve lezingen van de notulen gegeven en omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat de uitleg die Korpodeko aan de notulen geeft, niet kan kloppen.

[eiser tot cassatie] heeft aangeboden om in ieder geval [CFO bij DAE] als getuige te doen horen.

3.4

In het licht van dit partijdebat, en gelet op wat hiervoor in 3.2 is overwogen, slagen de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten. Zonder nadere motivering valt niet in te zien wat [eiser tot cassatie] redelijkerwijs nog meer had moeten aanvoeren of welke stukken hij nog meer had moeten overleggen om zijn standpunt ten aanzien van de (on)betrouwbaarheid van de notulen en de besteding van de Korpodeko-gelden voldoende te motiveren.

3.5

Het slagen van onderdeel 2 brengt reeds mee dat de door de onderdelen 3 en 4 bestreden oordelen van het hof niet in stand kunnen blijven. De onderdelen 3 en 4 behoeven daarom verder geen behandeling.

3.6

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.7

Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 6 van het principale beroep (geheel of gedeeltelijk) gegrond wordt bevonden of buiten behandeling wordt gelaten. Deze voorwaarde is niet vervuld (zie hiervoor in 3.6). Het incidentele beroep behoeft dus geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 25 maart 2025;

- wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt Korpodeko in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser tot cassatie] begroot op € 2.554,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Korpodeko deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 9 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »