HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/00224 B
Datum 5 november 2019
BESCHIKKING
op de beroepen in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 2 januari 2018, nummers RK 17/2138 en RK 17/2139, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend
door
[klager 2],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 197,
en
[klager 3],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de betrokkenen.
1 Geding in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de betrokkenen. Middelen van cassatie zijn namens dezen niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klagers niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van de beroepen
Nu de betrokkenen niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie hebben doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 447, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de betrokkenen in het beroep niet kunnen worden ontvangen.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart de betrokkenen niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2019.