22 oktober 1996
Strafkamer
nr. 3507 Besch.
JM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 15 februari 1996 op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door [klaagster] , wonende te [woonplaats] , ingediende beklag strekkende tot teruggave aan haar van de in bovenvermelde beschikking omschreven goederen.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door [klager] . Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad [klager] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn cassatieberoep.
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.1. Het door [klager] ingestelde cassatieberoep betreft een beschikking, door de Rechtbank gegeven op een door [klaagster] ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv.
4.2. Ingevolge artikel 445 van het Wetboek van Strafvordering staat tegen beschikkingen beroep in cassatie niet open dan in de gevallen in dat wetboek bepaald. Nu in gemeld wetboek geen bepaling voorkomt ingevolge welke tegen een beschikking als de onderhavige beroep in cassatie openstaat aan anderen dan het openbaar ministerie en de klager, kan [klager] in het door hem ingestelde beroep niet worden ontvangen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [klager] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice- president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Keijzer en Corstens, in bijzijn van de griffier Bogaert in raadkamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 1996.