ECLI:NL:GHSHE:2026:2443

Datum uitspraak
22-07-2026
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
20-002080-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Medeplegen van stoffen en voorwerpen te koop aanbieden en voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Parketnummer : 20-002080-25

Uitspraak : 22 juli 2026

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 15 juli 2025, in de strafzaak met parketnummer

03-106092-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het aan haar tenlastegelegde en is de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon, [verdachte] , gelast.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen heeft de advocaat-generaal primair gevorderd dat het hof deze goederen zal onttrekken aan het verkeer en subsidiair dat het hof deze goederen verbeurd zal verklaren.

De verdediging heeft primair bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht dat het hof de teruggave aan de beslagene zal gelasten.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Appelschriftuur

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de in het dossier voorhanden zijnde appelschriftuur, welke pas op 6 februari 2026 is verstrekt aan de verdediging, niet is gedagtekend noch is ondertekend en evenmin is gedagstempeld door de griffie, waardoor niet vastgesteld kan worden dat aan de eisen van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering wordt voldaan.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, gelet op het door hem ter terechtzitting in hoger beroep verstrekte e-mailbericht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De politierechter heeft bij vonnis van 15 juli 2025 de verdachte vrijgesproken van het aan haar tenlastegelegde. De officier van justitie heeft tegen deze beslissing bij akte d.d. 28 juli 2025 hoger beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet door de officier van justitie binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven worden ingediend op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen.

Hoewel de in het dossier voorhanden zijnde appelschriftuur niet is gedagtekend, is het hof van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de appelschriftuur tijdig is ingediend. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal een e-mailbericht verstrekt waaruit dit naar het oordeel van het hof volgt. Op maandag 11 augustus 2025 te 09.54 uur heeft adjunct officier van justitie (i.o.) [naam 2] van het arrondissementsparket Limburg aan onder andere advocaat-generaal mr. [naam 1] een e-mailbericht verzonden met als onderwerp: RE: Appel instellen 03-106092-24 en 03-106091-24, met in de CC opgenomen [naam 3] van het arrondissementsparket Limburg, met de volgende inhoud:

‘Tijdens mijn vakantie heeft mijn collega [naam 3] het hoger beroep ingesteld en de appelschriftuur ingediend inzake [verdachte] en [medeverdachte] . Zie bijlage voor de ingescande stukken, deze kan ik helaas (nog) niet uploaden in GPS.’

Het e-mailbericht bevat een bijlage met de ingescande akte van instellen hoger beroep en voornoemde in het dossier voorhanden zijnde appelschriftuur. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal te kennen gegeven dat [naam 3] een officier van justitie betreft.

Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat kan worden vastgesteld dat officier van justitie [naam 3] in de week voorafgaand aan maandag 11 augustus 2025 de appelschriftuur heeft ingediend en derhalve dat dit is geschied binnen de termijn van 14 dagen na het instellen van het hoger beroep.

Met betrekking tot de omstandigheid dat de appelschriftuur niet is ondertekend, overweegt het hof dat de wet niet de eis stelt dat een appelschriftuur door de indiener daarvan is ondertekend. De niet-ondertekening van de appelschriftuur leidt derhalve niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep.

Concluderend is het hof van oordeel dat de appelschriftuur tijdig is ingediend en hiermee is voldaan aan de eisen van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging.

Bestuurlijke controle

Voorts heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep, op gronden nader verwoord in de pleitnota – kort weergegeven – in de kern aangevoerd dat er sprake is van een onrechtmatige ‘bestuurlijke’ controle en dat hiermee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dan wel bewijsuitsluiting, dan wel strafvermindering. De bestuurlijke controle is uitgevoerd ten behoeve van een ander doel, namelijk het inzetten van opsporingsbevoegdheden. De politie was aldaar ter plaatse en bezig met het ‘afvangen’ van alles wat uit de richting van de [locatie] kwam. Hiermee is sprake van het misbruiken van bevoegdheden (détournement de pouvoir) en de procedure als geheel is niet meer eerlijk te noemen, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Juridisch kader

Op grond van artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de strafrechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat: a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd; b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit, en c. het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

De toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij ‘het voorbereidend onderzoek’ tegen de verdachte. Op grond van artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Daarnaast heeft ‘het voorbereidend onderzoek’ in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering wordt bedoeld, heeft te oordelen. Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek.

Deze begrenzing tot vormverzuimen die zijn begaan bij ‘het voorbereidend onderzoek’ tegen de verdachte, sluit echter niet uit dat de vraag aan de orde kan komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. Uit de rechtspraak die op dit punt is gewezen, ligt als algemene overkoepelende maatstaf besloten dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.

Bij de beoordeling van een vermeend vormverzuim houdt de strafrechter blijkens artikel 359a, tweede lid Sv rekening met de wettelijke beoordelingsfactoren, zijnde: a) het belang dat het geschonden voorschrift dient, b) de ernst van het verzuim en c) het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Voor wat betreft het belang dat door het vormverzuim is geschonden, geldt als uitgangspunt dat het belang van de verdachte geschonden dient te zijn en niet dat van een ander. Het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in artikel 359a, tweede lid Sv.

Het oordeel van het hof

Het verweer van de verdediging is kennelijk een verweer op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd. Met het oog daarop mag van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van die factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Het verweer van de raadsman voldoet daar niet aan, zodat het reeds daarom niet kan slagen.

Voorts is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat het door de verdediging beweerdelijke vormverzuim niet is begaan bij ‘het voorbereidend onderzoek’ tegen de verdachte en derhalve is artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing. Zoals hiervoor weergegeven kan in een dergelijk geval de vraag aan de orde komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering ligt. Hieromtrent overweegt het hof dat anders dan ontdekking van het gepleegde feit het hof geen belang ziet en dit belang kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang en kan niet gelden als nadeel in de zin van artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Daarbovenop overweegt het hof het navolgende. Uit het dossier volgt dat op 15 maart 2022 op het adres [locatie] een bestuurlijke controle werd uitgevoerd door ambtenaren/toezichthouders van de gemeente Echt, waarbij men van start is gegaan op het adres [adres 2] . De politie heeft de toezichthouders bij de controle ondersteund, daar het vermoeden bestond dat op het adres [adres 3] een growshop aanwezig was. Het is een legitiem belang van de gemeente dat bedrijfs- en andere panden overeenkomstig het bestemmingsplan worden gebruikt. Dat de ervaring leert dat er een gerede kans bestaat dat er bij controles van bedrijfspanden en garageboxen regelmatig ook strafbare feiten worden geconstateerd, in het bijzonder de aanwezigheid van goederen die geschikt zijn voor de bereiding of bewerking van verdovende middelen, verdovende middelen en/of wapens, doet daaraan niet af. Het samenwerken daarin met onder andere de politie acht het hof eveneens legitiem, onder meer omdat artikel 5:15 Awb daarin uitdrukkelijk voorziet, mits evenredig en is niet in strijd met enige rechtsregel. Dat zou alleen anders kunnen zijn indien de toezichtsbevoegdheden uitsluitend zijn gebruikt voor de opsporing. Dan immers wordt bestuursrechtelijk optreden misbruikt voor strafrechtelijke doelen en worden aldus strafvorderlijke voorschriften omzeild. Daarvan is te dezen echter geen sprake geweest. In de onderhavige zaak was naar het oordeel van het hof sprake van een integrale controle. Hierbij waren toezichthouders van de gemeente betrokken. Zij hebben alle loodsen gelegen aan [locatie] aan een bestuurlijke controle onderworpen. Anders dan de verdediging is het hof niet van oordeel dat in deze zaak bestuursrechtelijk optreden is misbruikt voor strafrechtelijke doelen en dat aldus strafvorderlijke voorschriften zijn omzeild. Volgens het hof was het optreden van de gemeentelijke autoriteiten rechtmatig, omdat de toezichthouders van de gemeente bevoegd waren tot een dergelijke controle en er geen aanwijzingen zijn dat er van meet af aan ongeoorloofde bijbedoelingen waren bij de inzet van deze toezicht- en controlebevoegdheden. Van ‘détournement de pouvoir’ en onrechtmatig handelen, zoals door de verdediging aangevoerd, was dan ook geen sprake.

Ten overvloede overweegt het hof dat zelfs wanneer een redelijk vermoeden bestond dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit met betrekking tot de loodsen [adres 4] en [adres 3] , dit op zichzelf nog niet in de weg staat aan het uitoefenen van controlebevoegdheden (mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen). De enkele omstandigheid dat een controlebevoegdheid is aangewend naar aanleiding van informatie die zou kunnen wijzen op betrokkenheid bij enig strafbaar feit maakt de uitoefening van die bevoegdheid niet onrechtmatig.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging en het hof is van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 15 maart 2022 te Echt, gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten

- 46, althans één of meer ventilatoren en/of

- 11, althans één of meer assimilatielampen en/of

- 15, althans één of meer water verwarmers en/of

- 22, althans één of meer kachels en/of

- 25, althans één of meer dompelpompen en/of

- 71, althans één of meer luchtslangen en/of

- 793, althans één of meer groeimiddelen en/of

- 6, althans één of meer armaturen en/of

- 6, althans één of meer assimilatielampen en/of

- één schakelbord en/of

- 4, althans één of meer transformators en/of

- een koolstoffilter en/of

- 4, althans één of meer slakkenhuizen en/of

- 1 Opticlimate en/of

- 1 groeitent en/of

- 2, althans één of meer droogrekken en/of

- een hoeveelheid elektra-materiaal en/of

- een hoeveelheid ophangsystemen en/of

- een hoeveelheid folie en/of

- een hoeveelheid bamboestokken en/of

- een hoeveelheid groeinetten en/of

- een hoeveelheid plantenpotten en/of

- een hoeveelheid geurbestrijdingsmiddelen en/of

- een hoeveelheid steenwolpluggen en/of

- een hoeveelheid substraten en/of

- een hoeveelheid scharen (geschikt voor het knippen van henneptoppen) en/of

- een hoeveelheid overalls en/of

- een hoeveelheid wegwerphandschoenen en/of

- een hoeveelheid weegschalen en/of

- een hoeveelheid droognetten en/of

- een hoeveelheid verpakkingsmateriaal en/of

- een hoeveelheid kartonnen dozen en/of

- een hoeveelheid gasflessen en/of

- een hoeveelheid meet- en regelapparatuur,

waarvan zij en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zij op 15 maart 2022 te Echt, gemeente Echt-Susteren, tezamen en in vereniging met een ander, stoffen en voorwerpen te koop heeft aangeboden en voorhanden heeft gehad, te weten

- 46 ventilatoren en

- 11 assimilatielampen en

- 15 water verwarmers en

- 22 kachels en

- 25 dompelpompen en

- 71 luchtslangen en

- 793 groeimiddelen en

- 6 armaturen en

- 6 assimilatielampen en

- één schakelbord en

- 4 transformators en

- een koolstoffilter en

- 4 slakkenhuizen en

- 1 Opticlimate en

- 1 groeitent en

- 2 droogrekken en

- een hoeveelheid elektra-materiaal en

- een hoeveelheid ophangsystemen en

- een hoeveelheid folie en

- een hoeveelheid bamboestokken en

- een hoeveelheid groeinetten en

- een hoeveelheid plantenpotten en

- een hoeveelheid geurbestrijdingsmiddelen en

- een hoeveelheid steenwolpluggen en

- een hoeveelheid substraten en

- een hoeveelheid scharen (geschikt voor het knippen van henneptoppen) en

- een hoeveelheid overalls en

- een hoeveelheid wegwerphandschoenen en

- een hoeveelheid weegschalen en

- een hoeveelheid droognetten en

- een hoeveelheid verpakkingsmateriaal en

- een hoeveelheid kartonnen dozen en

- een hoeveelheid gasflessen en

- een hoeveelheid meet- en regelapparatuur,

waarvan zij en haar mededader wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Op gronden nader verwoord in de pleitnota heeft de verdediging – kort weergegeven – in de kern aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de aangetroffen goederen daadwerkelijk bestemd waren voor beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt noch kan de wetenschap bij de verdachte dat de goederen bestemd zijn voor professionele teelt worden vastgesteld. De aangetroffen goederen hebben niet de bestemming beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt omdat de goederen immers bestemd waren voor de verkoop ten behoeve van kleine teelt van groente en fruit en voor de kleine thuisteler, waar de financiële gegevens van [bedrijf] ook op wijzen, aldus de verdediging. Voorts heeft de verdediging bepleit dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de loodsen [adres 4] en [adres 3] en deze loodsen niet als één geheel dienen te worden gezien.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Algemeen

Het hof stelt voorop dat artikel 11a van de Opiumwet degene strafbaar stelt die (onder meer) stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens te koop aanbiedt of voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet) en/of tot het plegen van grootschalige hennepteelt (als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet). Voor een bewezenverklaring van de bestemming als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet is vereist dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is.

Met betrekking tot de vraag welke betekenis toekomt aan de termen ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ en ‘grote hoeveelheid’ heeft het volgende te gelden. De Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs, geeft indicatoren voor het bedrijfsmatig verhandelen en telen van cannabis. Voor beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt is voorts de mate van professionaliteit en het doel van de teelt van belang. In bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet (inhoudende o.a. regels met betrekking tot de vervolging bij grote hoeveelheden alsmede bij beroeps- of bedrijfsmatig geproduceerde hoeveelheden) is een lijst opgenomen met indicatoren aangaande de professionaliteit: als aan twee of meer punten van hoge professionaliteit op die lijst is voldaan, wordt, ongeacht de hoeveelheid planten, beroeps- of bedrijfsmatig handelen aangenomen. Een aantal van deze indicatoren zijn: belichting d.m.v. kunstlicht op tijdklokken, thermostaat- of computergestuurde verwarming, ventilatie d.m.v. afzuiging naar buiten en steenwol als bodem.

Weliswaar is de Aanwijzing Opiumwet een beleidsstuk van het Openbaar Ministerie en dus geen ‘recht’, maar uit de parlementaire geschiedenis blijkt wel degelijk dat de wetgever de in deze aanwijzing genoemde criteria ook toepasbaar heeft geacht bij het beantwoorden van de vraag wanneer sprake is beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt als bedoeld in artikel 11a juncto artikel 11 lid 3 van de Opiumwet. Derhalve zal het hof voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt de Aanwijzing Opiumwet betrekken bij dit oordeel.

Voorhanden hebben en te koop aanbieden

Het hof stelt voorop dat van de betrokkenen bij een eenmanszaak, in casu de directeur en de gevolmachtigde, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, mag worden verwacht dat zij op de hoogte zijn van hetgeen zich in hun bedrijf afspeelt en welke goederen het bedrijf voorradig heeft.

Uit het dossier volgt dat de voorwerpen die in de bewezenverklaring zijn opgenomen op 15 maart 2022 in het bedrijfspand [bedrijf] , gelegen aan de [adres 3] , en in [adres 4] aan [locatie] zijn aangetroffen. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat de verdachte de eigenaar is van [bedrijf] en dat medeverdachte [medeverdachte] , de partner met wie de verdachte samenwoont, als gevolmachtigde van deze eenmanszaak staat geregistreerd. In het dossier bevindt zich een huurovereenkomst tussen getuige [getuige] en de verdachte voor [adres 3] . Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de medeverdachte [medeverdachte] met betrekking tot [adres 3] verklaard dat alleen hij en de verdachte een sleutel hadden van deze loods en derhalve als enigen toegang hadden tot deze loods en hij er bijna dagelijks kwam.

Getuige [getuige] was tot 1 april 2022 de eigenaar van de loodsen gelegen aan [locatie] . Ten aanzien van [adres 4] heeft hij verklaard dat de medeverdachte sinds oktober 2021 ook gebruik maakte van deze loods, omdat deze loods leegstond. Dit was op basis van een mondelinge afspraak tussen de medeverdachte en getuige [getuige] . Alleen hij en de medeverdachte hadden een sleutel, aldus de getuige. Het hof ziet geen enkele reden om te twijfelen aan deze verklaring. Het hof is van oordeel dat er geen begin van aannemelijkheid is voor het door de medeverdachte geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat diverse andere personen eveneens een sleutel hadden van deze loods en hij enkel water, een aanhanger en een busje had gestald in deze loods. Naar het oordeel van het hof vindt dit scenario zijn weerlegging derhalve in de bewijsmiddelen en aan de zijde van de verdachte is niets naar voren gebracht dat dit oordeel anders maakt. Het hof schuift het voornoemde scenario derhalve als ongeloofwaardig terzijde. Anders dan de verdediging ziet het hof de loodsen [adres 4] en [adres 3] derhalve als één geheel, mede gezien de omstandigheid dat in de loodsen gelijksoortige voorwerpen zijn aangetroffen. Mede gelet op het gegeven dat uit de verklaring van [getuige] volgt dat [adres 4] bij aanvang van de mondelinge afspraak leegstond, is het hof van oordeel dat alle aangetroffen goederen door de verdachte en/of de medeverdachte hier zijn neergezet en er sprake is van één winkel met twee panden met voorraad. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat ook de aangetroffen Opticlimate aan [adres 4] kan worden gelinkt. Door verbalisanten is waargenomen dat de Renault Kangoo waarin deze Opticlimate later is aangetroffen, met de achterzijde deels in de loods parkeerde, waarna door in de loods aanwezige mannen een doos op een karretje werd gezet en in de Renault Kangoo werd ingeladen. De enkele omstandigheid dat de verbalisanten niet hebben geverbaliseerd dat de Opticlimate was verpakt in een kartonnen doos maakt niet dat hieruit kan worden afgeleid dat de Opticlimate niet afkomstig is uit [adres 4] aan de [locatie] , zoals de verdediging heeft bepleit.

Uit het dossier volgt dat zowel de verdachte als medeverdachte [medeverdachte] aanwezig waren gedurende de controle op 15 maart 2022. Getuige [getuige] heeft daarnaast verklaard dat de medeverdachte bijna dagelijks aanwezig was en dat de verdachte er ook wel kwam. Voorts blijkt uit het dossier (p.36) dat de verdachte financieel betrokken was bij de bedrijfsvoering van [bedrijf] . Tevens spreekt de medeverdachte ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot [bedrijf] telkens van ‘wij’ en het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat dit, naast de medeverdachte, de formele eigenaar, de verdachte, omvat. Het hof is van oordeel dat hieruit volgt dat de verdachte en de medeverdachte tezamen betrokken waren bij de bedrijfsvoering van [bedrijf] , ieder in hun eigen rol en met hun eigen taken.

Gelet op het vorenstaande, en bij gebreke aan een aannemelijk andersluidende verklaring of tegenindicatie, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 15 maart 2022 over de bewezenverklaarde stoffen en voorwerpen konden beschikken en dat zij bewust waren van de aanwezigheid van die goederen in zowel [adres 4] als in [adres 3] . Hiermee is wettig en overtuigend komen vast te staan dat zowel de verdachte als medeverdachte [medeverdachte] de bewezenverklaarde goederen voorhanden hebben gehad en te koop aanboden.

Bestemming stoffen en voorwerpen

De aangetroffen stoffen en voorwerpen zijn naar het oordeel van het hof vanwege hun aard en/of functie bestemd voor grootschalige hennepteelt en/of bedrijfsmatig gebruik onder professioneel gecreëerde omstandigheden ter bevordering van een optimale oogst en een optimale financiële opbrengst van de hennepkwekerijen.

Ten aanzien van de aangetroffen goederen wijst het hof daarbij met name op de voedingsmiddelen, steenwolpluggen, assimilatielampen, de koolstoffilters, slakkenhuizen, een Opticlimate en droogrekken. Ten aanzien van deze voorwerpen en stoffen is het hof van oordeel dat het volstrekt onaannemelijk is dat die voorwerpen en stoffen worden gebruikt voor de kleine teelt van groente en fruit, zoals door de verdediging is bepleit, dan wel in kleinschalige, niet professioneel ingerichte, hennepkwekerijen die gericht zijn op teelt van enkele hennepplanten voor eigen huiselijk gebruik of anderszins. Het hof is daarentegen van oordeel dat zij vanwege hun aard en/of functie zijn bestemd voor grootschalige hennepteelt en/of bedrijfsmatig gebruik onder professioneel gecreëerde omstandigheden ter bevordering van een optimale oogst en een optimale financiële opbrengst van de hennepkwekerij, dus op verkoop van de oogst. In zijn oordeel heeft het hof mede betrokken de professionaliteitsindicatoren zoals beschreven in de Aanwijzing Opiumwet. Uit het overzicht in het dossier, waarbij een onderverdeling heeft plaatsgevonden over 12

professionaliteitsindicatoren, blijkt dat op de locatie [adres 4] goederen werden aangetroffen die in 7 van de 12 professionaliteitsindicatoren voldoen. Op de locatie [adres 3] werden goederen aangetroffen die aan 11 van de

12 professionaliteitsindicatoren voldoen. Indien meer dan twee indicatoren worden gescoord is sprake van beroeps- of bedrijfsmatig handelen.

Het hof beschouwt de door de politie in de loodsen aangetroffen stoffen en voorwerpen, met name vanwege het aantreffen van de hiervoor specifiek beschreven aangetroffen goederen, als een gezamenlijkheid van goederen die zijn bestemd voor grootschalige en/of bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt. Hierbij merkt het hof nog op dat de goederen ook door de politie zijn herkend als goederen die regelmatig in hennepkwekerijen worden aangetroffen en heeft zij bovendien omschreven welke functie de goederen in een hennepkwekerij hebben. Dat een aantal van de in het pand aangetroffen voorwerpen afzonderlijk ook kunnen zijn bestemd voor de teelt van andere gewassen of anderszins voor luchtbehandeling kunnen worden gebruikt, zoals de verdediging heeft bepleit, en dat een deel van deze voorwerpen ook verkrijgbaar zou zijn bij bijvoorbeeld winkels voor tuinonderhoud doet aan het voorgaande niet af en heft de gezamenlijkheid van de overig aangetroffen goederen niet op.

Gelet op het vorenstaande is voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat de in de bewezenverklaring genoemde stoffen en voorwerpen geschikt waren voor de bedrijfsmatige en/of grootschalige hennepteelt.

Criminele intentie

Dat de verdachte van deze bestemming wist en met haar handelen opzettelijk de grootschalige en/of bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt faciliteerde staat naar het oordeel van het hof buiten kijf. Het hof wijst in dit verband allereerst op de grote hoeveelheid en de aard van de voorwerpen die de verdachte voorhanden had, welke voorwerpen bestemd zijn voor de productie van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en de hennepteelt. De overtuiging dat de verdachte wist wat de bestemming van de voorwerpen en stoffen was, ontleent het hof voorts uit de aard van de bedrijfsvoering van [bedrijf] . Zo was onder andere de website van [bedrijf] niet actief, dan wel niet bereikbaar, was er geen pinautomaat aanwezig, was er sprake van ongebruikelijke transacties en hingen er schimmige figuren rond bij het bedrijfspand. Naar het oordeel van het hof kan het gelet op voornoemde feiten en omstandigheden niet anders dan dat de verdachte wist dat de in de bewezenverklaring genoemde stoffen en voorwerpen, die verdachte op 15 maart 2022 voorhanden had en te koop aanbood, bestemd waren voor de grootschalige en/of bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt. Bovendien heeft de verdachte op geen enkel moment in de procedure een verklaring afgelegd over haar intenties met betrekking tot de aangetroffen stoffen en voorwerpen.

Medeplegen

Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, leidt het hof af dat tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij ieder een eigen taak had bij het voorhanden hebben en te koop aanbieden van de aangetroffen stoffen en voorwerpen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is voor het hof wettig en overtuigend komen vast te staan dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander stoffen en voorwerpen bestemd voor grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepteelt voorhanden heeft gehad en te koop heeft aangeboden, terwijl zij en haar mededader wisten dat die stoffen en voorwerpen bestemd waren tot het plegen van dat feit, zoals dit onder 1 primair bewezen is verklaard.

Mitsdien verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van stoffen en voorwerpen te koop aanbieden en voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het te koop aanbieden en voorhanden hebben van stoffen en voorwerpen bestemd ter voorbereiding of vergemakkelijking van de grootschalige en/of bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt. Softdrugs vormen een gevaar voor de volksgezondheid en de handel in en productie van dergelijke verdovende middelen leidt tot veel criminaliteit en overlast, mede gezien de grote financiële belangen die daarmee gemoeid zijn. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van de verdachte wordt dit restrictieve beleid doorkruist. Het hof rekent dit de verdachte zeer aan.

Het hof heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 april 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting naar voren gebracht dat de verdachte samenwoont met haar echtgenoot, medeverdachte [medeverdachte] , en dat hij de kostwinner is van het gezin en zij voor de kinderen zorgt.

Alles afwegende is het hof in beginsel van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden is.

Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.

Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Bovendien heeft in onderhavige zaak als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 2 jaar nadat hoger beroep in ingesteld.

Het hof stelt vast dat in eerste aanleg de redelijke termijn waarbinnen de openbare behandeling en afdoening van de strafzaak had moeten plaatsvinden, is overschreden, te weten met een termijn van ruim 3 maanden. Het verhoor van de verdachte heeft op 3 april 2023 plaatsgevonden en het hof merkt dit moment aan als dat de verdachte er mee bekend is geraakt dat tegen haar een strafvervolging zou kunnen worden ingesteld. Het vonnis in eerste aanleg dateert van 2 jaren en ruim 3 maanden later, te weten 15 juli 2025. De redelijke termijn in hoger beroep is niet overschreden.

Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met een

voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

De op pagina 217 van het dossier vermelde inbeslaggenomen goederen zijn inbeslaggenomen onder de eenmanszaak [bedrijf] op het adres [adres 3] en de op pagina 223 van het dossier vermelde inbeslaggenomen goederen zijn inbeslaggenomen op het adres [adres 4] . Zoals hiervoor overwogen ziet het hof de loodsen gevestigd op [adres 4] en [adres 3] als één geheel, te weten als één winkel met twee panden met voorraad. Uit het dossier volgt dat de verdachte eigenaar is van deze eenmanszaak en dat medeverdachte [medeverdachte] staat geregistreerd als gevolmachtigde. Om deze reden wordt de navolgende beslagbeslissing opgenomen in de arresten van beide verdachten. Uiteraard kunnen de beslissingen slechts éénmaal ten uitvoer worden gelegd.

Het hof is van oordeel dat de in beslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen, te weten 983 stuks kweekbenodigdheden, gespecificeerd in de Excellijst, en 26 stuks goederen ten behoeve van de hennepkweek, kunnen worden beschouwd als een gezamenlijkheid van voorwerpen met betrekking tot welke het bewezenverklaarde feit is begaan en dat deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet. Op grond hiervan zal het hof deze voorwerpen aan het verkeer onttrokken verklaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 11a van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c en 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- kweekbenodigdheden, gespecificeerd in de Excellijst (goednummer PL2300-2022039314-1493535);

- diverse goederen ten behoeve van de hennepkweek (goednummer PL2300-2022038854-1493531).

Aldus gewezen door:

mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. R. Lonterman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,

en op 22 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. C.M. Hilverda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »