GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/2
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 27 november 2024, nummer BRE 23/11303, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende heeft overdrachtsbelasting ter zake van de verkrijging van het woningcomplex gelegen aan het [adres] in [vestigingsplaats] op aangifte voldaan.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
Beide partijen hebben tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
De zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende, [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] , en haar gemachtigden, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , alsmede, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
2 Feiten
Belanghebbende is een toegelaten woningcorporatie als bedoeld in artikel 19 Woningwet en is aangemerkt als algemeen nut beogende instelling. Zij richt zich op de reguliere sociale huisvesting in de regio [vestigingsplaats] en [plaats 1] . Zij draagt zorg voor betaalbare woningen voor mensen met lage inkomens, en oefent daarmee een volkshuisvestelijke taak uit.
Ook [stichting] (hierna: [stichting] ) is een toegelaten woningcorporatie als bedoeld in artikel 19 Woningwet en is aangemerkt als algemeen nut beogende instelling. [stichting] houdt zich landelijk bezig met de huisvesting van senioren en mensen met een zorgvraag. De missie van [stichting] is het realiseren van voldoende betaalbare woonzorgwoningen in complexen die aansluiten bij deze doelgroep.
[stichting] stoot, gelet op haar missie (zie 2.2), alle complexen die niet voldoende aansluiten bij de wensen en behoeften van haar doelgroep af; het betreft 188 complexen. [stichting] heeft in dat kader aan meerdere woningcorporaties in de regio [vestigingsplaats] , waaronder belanghebbende, in maart 2021 een aanbiedingsbrief geschreven waarin zij de voorgenomen verkoop van onder meer het woningcomplex [adres] in [vestigingsplaats] in de wijk [wijk] (hierna: het woningcomplex [adres] ) kenbaar maakt. In die brief is onder meer het volgende vermeld:
“Graag informeren wij u over de voorgenomen verkoop van drie complexen in [vestigingsplaats] en één complex in [plaats 2] , in uw woningmarktregio.
(…)
Achtergrond verkoop
Onze missie betekent ook dat wij afscheid moeten nemen van een aantal complexen die niet voldoende aansluiten bij de wensen en behoeften van onze doelgroep. Daarom is [stichting] van plan om enkele van onze complex in [vestigingsplaats] en [plaats 2] te verkopen. We onderzoeken de verschillende mogelijkheden, waaronder de verkoop van de complexen aan een andere Toegelaten Instelling.
Verkoop aan Toegelaten Instelling
Als er onder Toegelaten Instellingen interesse is, dan laat [stichting] de complexen taxeren op marktwaarde ten behoeve van verkoop. Vervolgens gaan wij met de belangstellenden in gesprek over mogelijke verkoop en de verdere invulling van het verkoopproces.”.
Belanghebbende en [stichting] hebben op 23 februari 2023 een overeenkomst van taakoverdracht gesloten in verband met (onder meer) de overdracht van het woningcomplex [adres] . In deze overeenkomst is onder meer het volgende overeengekomen:
“OVEREENKOMST VAN TAAKOVERDRACHT
Volkshuisvestelijke taken in de gemeente [vestigingsplaats]
(…)
nemen het volgende in aanmerking:
(…)
h. [stichting] en [belanghebbende] hebben alle procedures die op grond van artikel 25 van de Wet op de ondernemingsraden gevolgd moeten worden in verband met de onderhavige taakoverdracht afgerond.
i. Aan de voorgenomen taakoverdracht liggen geen commerciële factoren ten grondslag. [stichting] en [belanghebbende] beogen aldus in het belang van de volkshuisvesting de vorenbedoelde volkshuisvestelijke taken in de gemeente [vestigingsplaats] te continueren zonder dat daarmee vermogen of woongelegenheden 'weglekken' uit de volkshuisvesting.
j. [stichting] en [belanghebbende] wensen de hiervoor bedoelde taakoverdracht voor zover deze betrekking heeft op de Registergoederen in de Overeenkomst Taakoverdracht nader uit te werken.
Definities
Artikel 1.
Tenzij anders blijkt wordt in de overeenkomst Taakoverdracht verstaan onder:
(…)
• Taak:
het behouden, onderhouden, exploiteren en verduurzamen van woningen en aanhorigheden behorende tot de Registergoederen in het belang van de volkshuisvesting
(…)
Titel
Artikel 2.
[stichting] en [belanghebbende] hebben ter zake van de Taak overeenstemming tot overdracht bereikt, ten gevolge waarvan [stichting] zich jegens [belanghebbende] verplicht om de Taak over te dragen aan [belanghebbende] en [belanghebbende] zich jegens [stichting] verplicht om de Taak van [stichting] te aanvaarden.
De Taak omvat de volgende Activa:
a. de Registergoederen;
b. de roerende zaken die volgens verkeersopvatting bestemd zijn om de Registergoederen duurzaam te dienen in de zin van artikel 3:254 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover deze roerende zaken niet toebehoren aan een huurder van de Registergoederen of aan (een) derde(n);
c. de Huurachterstanden en andere vorderingen op schuldenaren, ter indicatie wordt als Bijlage 6 een overzicht gehecht van de Huurachterstanden per de Sluitingsdatum;
d. alle andere activa van [stichting] die behoren tot of uitsluitend worden aangewend voor of in verband met de Taak, ongeacht of zij uit de jaarrekening van [stichting] blijken.
Alle Activa zijn overigens aan Partijen volledig bekend, zodat zij daarvan geen nadere omschrijving verlangen.
De Taak omvat de volgende Passiva:
a. de verplichtingen van [stichting] uit hoofde van de Leningen, waarvan blijkt uit het overzicht in Bijlage 4;
b. voor zover mogelijk: de verplichtingen van [stichting] naar de lokale huurdersvertegenwoordiging in [vestigingsplaats] op basis van de Overlegwet, voor zover deze samen hangen met de Registergoederen.
[belanghebbende] neemt geen enkele andere verplichting van [stichting] over.
De Passiva zijn overigens aan Partijen volledig bekend, zodat zij daarvan geen nadere omschrijving verlangen.”.
Belanghebbende heeft het woningcomplex [adres] op [datum] 2023 verkregen. In de akte van levering is het volgende bepaald:
“Definities
Artikel 1.
Tenzij uit deze akte anders blijkt, wordt in deze akte verstaan onder:
- Registergoederen:
het appartementsrecht, kadastraal bekend (…), omvattende:
a. de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van de bergingen en hoofdentrée woningen op de begane grond en de op de eerste tot en met de derde etage gelegen vierentwintig woningen met toebehoren, plaatselijk bekend (…), [adres] 2 tot en met 25; en
b. het zestig/éénhonderdste (60/100e) onverdeeld aandeel in de gemeenschap, omvattende een perceel grond, ten tijde van de splitsing in appartementsrechten kadastraal bekend (…).
- Taak:
het behouden, onderhouden, exploiteren en verduurzamen van de woningen en
aanhorigheden behorende tot de Registergoederen in het belang van de
volkshuisvesting.
Titel
Artikel 2.
[stichting] en [belanghebbende] hebben ter zake van de Taak blijkens de Overeenkomst Taakoverdracht overeenstemming tot overdracht bereikt, ten gevolge waarvan [stichting] zich jegens [belanghebbende] heeft verplicht om alle activa en passiva behorende tot de Taak over te dragen aan [belanghebbende] en [belanghebbende] zich jegens [stichting] heeft verplicht om alle activa en passiva behorende tot de Taak van [stichting] te aanvaarden.
In de overdracht van de Taak zijn mede begrepen de roerende zaken die volgens verkeersopvatting bestemd zijn om de Registergoederen duurzaam te dienen in de zin van artikel 3:254 Burgerlijk Wetboek, voor zover deze roerende zaken niet toebehoren aan een huurder van de Registergoederen of aan (een) derde(n).
Ter gedeeltelijke uitvoering van de Overeenkomst Taakoverdracht hebben [stichting] en [belanghebbende] uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 5.1 onder e en f van de Overeenkomst Taakoverdracht. Dientengevolge zijn de huurachterstanden en de leningen, zoals gedefinieerd in de Overeenkomst Taakoverdracht, heden gecedeerd aan respectievelijk overgenomen door [belanghebbende] , zulks onder de opschortende voorwaarde dat de Registergoederen door [stichting] aan [belanghebbende] worden geleverd.
Een uittreksel van de Overeenkomst Taakoverdracht is ingeschreven in de openbare registers voor registergoederen op één maart tweeduizend drieëntwintig in register Hypotheken 4, deel [deel] , nummer [nummer] , welke inschrijving door de inschrijving van een afschrift van deze akte waardeloos zal worden.”.
Gelijktijdig met de appartementsrechten van het woningcomplex [adres] heeft [stichting] aan belanghebbende overgedragen:
alle huurcontracten met de huurders inclusief de daarbij horende rechten en verplichtingen;
de huurachterstanden, voor zover niet overgedragen aan een incassobureau;
de stook- en servicekostenafrekening van het jaar 2023;
een door [stichting] toegewezen lening door middel van contractoverneming gevolgd door objectieve novatie;
het onderhoud en beheer van woningcomplex [adres] .
Ter zake van de verkrijging van het woningcomplex [adres] heeft belanghebbende op aangifte € 350.381 overdrachtsbelasting voldaan.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de overdracht van woningcomplex [adres] kwalificeert als een taakoverdracht als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en letter h, Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wet BRV) in samenhang met artikel 5d Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer 1971 (hierna: Uitvoeringsbesluit).
Belanghebbende concludeert tot teruggaaf van de op aangifte voldane overdrachtsbelasting, te vermeerderen met rente tot de dag waarop de voldane overdrachtsbelasting op de bankrekening van belanghebbende wordt bijgeschreven. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
Partijen verschillen van mening over de vraag of overdrachtsbelasting is verschuldigd ter zake van de verkrijging van het woningcomplex [adres] . Ter zitting van het hof hebben partijen desgevraagd bevestigd dat in dat kader uitsluitend in geschil is of de overdracht van woningcomplex [adres] kwalificeert als de taakoverdracht als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en letter h, Wet BRV.
In artikel 15, lid 1, aanhef en letter h, Wet BRV is, voor zover van belang, bepaald dat onder voorwaarden van overdrachtsbelasting is vrijgesteld de verkrijging bij taakoverdracht tussen algemeen nut beogende instellingen. De voorwaarden voor toepassing van deze vrijstelling zijn uitgewerkt in artikel 5d Uitvoeringsbesluit. Daarin is het volgende bepaald:
“1. De in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de wet bedoelde vrijstelling is op een verkrijging door een vereniging als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een algemeen nut beogende instelling van toepassing:
a. (…)
b. bij een taakoverdracht tussen twee of meer van deze verenigingen of instellingen, indien in het kader daarvan alle activa en passiva die betrekking hebben op de overgedragen taak aan de verkrijgende vereniging of instelling worden overgedragen, mits bij de overdracht commerciële factoren geen rol spelen.
2. De vrijstelling is niet van toepassing op de verkrijging indien de overdracht uitsluitend de exploitatie van onroerende zaken inhoudt of de afzonderlijke overdracht van onroerende zaken betreft of als de onroerende zaken niet worden aangewend voor de overgedragen taak.
3. De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de wet niet is geheven, is alsnog verschuldigd indien de verkrijgende vereniging of instelling binnen drie jaren na de fusie of taakoverdracht niet meer bestaat of niet meer aangemerkt wordt als een vereniging als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een algemeen nut beogende instelling.
4. Het derde lid blijft buiten toepassing indien een verkrijgende vereniging of instelling niet langer als vereniging als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een algemeen nut beogende instelling wordt aangemerkt als gevolg van een juridische fusie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of als gevolg van een taakoverdracht als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voor zover de belasting betrekking heeft op onroerende zaken die in het kader van deze juridische fusie zijn overgegaan of in het kader van deze taakoverdracht zijn overgedragen.
5. Van commerciële factoren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is geen sprake indien:
a. voor de activa en passiva die betrekking hebben op de overgedragen taak geen koopsom of andere prestatie wordt bedongen; of
b. van overheidswege een overnamesom dient te worden bedongen tot een voorgeschreven waarde van de overgedragen activa, waarbij de totale waarde van de overgedragen passiva en een aanvullende koopsom of andere prestatie niet hoger is dan de waarde van die overnamesom.”.
Het hof stelt vast dat de wetgever en de besluitgever het begrip ‘taakoverdracht’ niet hebben gedefinieerd.
De wetgever heeft over artikel 15, lid 1, aanhef en letter h, Wet BRV in de parlementaire geschiedenis het volgende opgemerkt:
“De voorwaarden van deze vrijstelling zijn er op gericht dat het vermogen (inclusief eventuele reserves) beschikbaar blijft voor activiteiten in de sfeer van het algemeen nut. Hierbij moet worden opgemerkt dat bij een taakoverdracht de vrijstelling niet van toepassing is indien de overdracht uitsluitend de exploitatie van onroerende zaken inhoudt of de afzonderlijke overdracht van onroerende zaken betreft, bijvoorbeeld bij verkoop aan huurders.
(…)
Tot 2003 bestond er binnen de overdrachtsbelasting een vrijstelling voor verkrijgingen door woningcorporaties. Deze subjectieve vrijstelling is per 1 januari 2003 afgeschaft om een gelijk speelveld op de woningmarkt te creëren. De vrijstelling leverde namelijk een concurrentievoordeel op ten aanzien van reguliere marktpartijen en kon dus een marktverstorende werking hebben.”1
“Inhoud taakoverdracht
De leden van de PvdA-fractie vragen onder welke voorwaarden corporaties nu precies aanspraak kunnen maken op de vrijstelling en welke rol het Rijk hier in gaat spelen en op welke manier de koopsom bij taakoverdrachten door het Rijk wordt voorgeschreven. Woningcorporaties moeten aan enkele cumulatieve voorwaarden voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor de vrijstelling:
–De woningcorporaties beschikken over een ANBI-status
–Er moet sprake zijn van een taakoverdracht
–Er moet sprake zijn van een overdracht van alle activa en passiva die betrekking hebben op de overgedragen taak en voortzetting van de daarbij behorende werkzaamheden (volkshuisvestelijke taken)
–Er wordt geen koopsom bedongen of indien van overheidswege toch een koopsom wordt bedongen, mag deze – door middel van een aanpassing in het Ubr – niet meer bedragen dan is voorgeschreven. Door middel van een aanpassing van het BTIV zal de koopsom worden voorgeschreven als een som die ligt tussen de beleidswaarde en de modelmatige marktwaarde of de getaxeerde marktwaarde in verhuurde staat. Nagenoeg alle transacties van corporaties vinden plaats binnen deze bandbreedte. Als een overnamesom is overeengekomen die tussen deze waardes ligt is dus voldaan aan het criterium dat er sprake moet zijn van een van overheidswege voorgeschreven koopsom. In een dergelijk geval zal de waarde van de verplicht over te dragen passiva aangevuld met een overnamesom moeten overeenkomen met de door het BTIV voorgeschreven koopsom. Het is aan de inspecteur van de Belastingdienst om te beoordelen of er in een concreet geval inderdaad wordt voldaan aan alle voorwaarden die in het Ubr zijn opgenomen en de vrijstelling van toepassing is. De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd wat de ratio is van de verplichting om zowel activa als passiva te moeten overdragen vanuit de doelstelling van de vrijstelling voor taakoverdrachten tussen anbi’s. De leden van de SP-fractie hebben gevraagd waarom er bij de toepassing van de vrijstelling voor een cumulatie van de voorwaarden is gekozen. Bij een taakoverdracht moeten alle verplichtingen worden overgedragen die betrekking hebben op de taak. Dit betreffen zowel activa (de onroerende zaken) als passiva (de leningen). Wanneer alleen «losse» onroerende zaken worden overgedragen, is sprake van een reguliere verkoop. Een dergelijke verkrijging verschilt feitelijk niet van een verkrijging van een onroerende zaak van een andere derde partij en er is dan ook geen rechtvaardiging meer om die vrij te stellen voor overdrachtsbelasting. Bij een taakoverdracht moeten alle leningen die betrekking hebben op de over te dragen onroerende zaken worden overgedragen. In situaties waarin de leningen bij de overdragende partij niet aan de onroerende zaken zijn gekoppeld, bijvoorbeeld bij bedrijfsleningen, moeten de leningen op basis van evenredigheid worden toegerekend aan de onroerende zaken. Daarbij worden de leningen op marktwaarde gewaardeerd en naar rato aan de over te dragen onroerende zaken toegerekend. De cumulatieve voorwaarden van de vrijstelling voor taakoverdracht tussen Anbi’s of kwalificerende verenigingen zijn allen afzonderlijk van belang voor de bescherming van het maatschappelijk bestemd vermogen (inclusief eventuele reserves) van Anbi’s of kwalificerende verenigingen. De voorwaarden zijn er op gericht om commerciële factoren geen rol te laten spelen bij een overdracht. Dit betekent dat bij een taakoverdracht – naast de overdracht van alle activa en passiva die betrekking hebben op de overgedragen taak – geen koopsom of andere prestatie (zoals overname van meer leningen dan noodzakelijk is op grond van de activa/passiva-eis) mag worden bedongen, tenzij een koopsom van overheidswege wordt voorgeschreven.”2
“De leden van de fractie van het CDA vragen in welke gevallen woningbouwcorporaties overdrachtsbelasting zijn verschuldigd. Is dat alleen wanneer woningen onderling tussen corporaties worden overgedragen of bijvoorbeeld ook wanneer woningbouwcorporaties grond aankopen voor de bouw van nieuwe woningen. Verder vragen deze leden in welke situaties woningbouwcorporaties nog meer overdrachtsbelasting zijn verschuldigd.
Als een woningcorporatie van een ondernemer grond koopt die bestemd is om te worden bebouwd (bouwterrein) dan is in de regel geen overdrachtsbelasting verschuldigd, maar btw. Ook wanneer een woningcorporatie een woning van een ondernemer (een andere corporatie daaronder begrepen) koopt vóór of binnen twee jaar nadat de woning in gebruik is genomen zal btw verschuldigd zijn. Voor verkrijgingen van «oud» onroerend goed zullen woningcorporaties, net als andere verkrijgers, in de regel overdrachtsbelasting verschuldigd zijn. De overdrachtsbelasting kent met het oog op een gelijk speelveld met andere marktpartijen geen algehele vrijstelling voor overdrachten tussen woningcorporaties. In specifieke gevallen, waarin een ANBI in het kader van een taakoverdracht onroerende zaken overdraagt aan een andere ANBI, bestaat een vrijstelling van overdrachtsbelasting. De meeste woningcorporaties hebben een ANBI-status en kunnen mogelijk hiervoor in aanmerking komen. Daarvoor moet wel aan een aantal in de regelgeving vastgelegde strikte voorwaarden worden voldaan. Indien dit niet mogelijk is, dan zal de Minister van BZK andere alternatieven onderzoeken.
(…)
Het onderscheid tussen woningcorporaties en andere niet-woningcorporaties is op basis van het gelijkheidsbeginsel niet mogelijk.”3.
Artikel 5d, lid 1 tot en met 4, Uitvoeringsbesluit is ingevoerd bij het Besluit van 23 december 2009 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsbesluiten en enkele andere besluiten.4 In de Nota van toelichting bij dat Besluit heeft de besluitgever op pagina 49 het volgende opgemerkt over artikel 5d Uitvoeringsbesluit:
“De voorwaarden uit dit artikel zijn er op gericht dat het vermogen (inclusief eventuele reserves) beschikbaar blijft voor activiteiten in de sfeer van het algemeen nut of voor de verenigingsactiviteiten. (…)
De vrijstelling geldt uitsluitend voor de verkrijging van onroerende zaken in het kader van een juridische fusie of taakoverdracht en derhalve niet voor de verkrijging van «losse» onroerende zaken. Een dergelijke verkrijging verschilt immers feitelijk niet van een verkrijging van die onroerende zaken op grond van bijvoorbeeld een koopovereenkomst met een willekeurige derde. Van een taakoverdracht in de zin van deze bepaling is slechts sprake als er een taak in de sfeer van het algemeen nut of in het kader van de verenigingsactiviteiten wordt overgedragen. De vrijstelling is derhalve niet van toepassing indien de overdracht uitsluitend de exploitatie van onroerende zaken inhoudt. Een dergelijke, al dan niet op winst gerichte, exploitatie van onroerende zaken, waaronder de terbeschikkingstelling bij overeenkomst van huur, is geen taak in de sfeer van het algemeen nut of in het kader van de verenigingsactiviteiten. De vrijstelling is eveneens niet van toepassing indien de onroerende zaken niet worden aangewend voor de overgedragen taak.”.
Aan artikel 5d Uitvoeringsbesluit is een vijfde lid toegevoegd bij het Besluit van 7 juli 2021 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer in verband met verkrijgingen in het kader van een taakoverdracht en de woningwaarderingsgrens voor toepassing van de startersvrijstelling.5 In de Nota van toelichting bij dat Besluit heeft de besluitgever op pagina 4-5 het volgende opgemerkt over artikel 5d Uitvoeringsbesluit:
“Bij een taakoverdracht betekent dit dat – naast de overdracht van alle activa en passiva die betrekking hebben op de overgedragen taak – geen koopsom of andere prestatie (zoals overname van meer leningen dan noodzakelijk is op grond van de activa/passiva-eis) mag worden bedongen.
(…)
Een overdracht dient dus een bepaalde mate van substantie te hebben om als taakoverdracht te kunnen worden aangemerkt. Bij een taakoverdracht gaat het om de overheveling van (een deel van) de activiteiten, met alle daarbij behorende activa en passiva, van een Anbi of kwalificerende vereniging naar een andere Anbi of kwalificerende vereniging.”.
In de in 4.4 en 4.5 geciteerde stukken van de wetgever en besluitgever kunnen aanwijzingen gevonden worden voor de uitleg van het begrip ‘taakoverdracht’. Zo moet het gaan om de overdracht van een taak in de sfeer van het algemeen nut, mogen commerciële factoren geen rol spelen, mag het niet gaan om de verkrijging van losse onroerende zaken, is het van belang dat de overdracht een bepaalde mate van substantie heeft en gaat het om overheveling van (een deel van) de activiteiten met alle daarbij behorende activa en passiva. Het doel van de vrijstelling bij taakoverdracht bestaat erin om het vermogen van een algemeen nut beogende instelling bij een taakoverdracht beschikbaar te houden voor activiteiten in de sfeer van het algemeen nut.
Niet in geschil is dat [stichting] , gelet op haar missie (zie 2.2), al wat niet voldoende aansluit bij de wensen en behoeften van haar doelgroep, senioren, afstoot (zie 2.3). Al wat wordt afgestoten vormt tezamen een taak, namelijk het zorgen voor betaalbare woningen voor mensen met lage inkomens (sociale huurwoningen). Als onderdeel van die taak stoot [stichting] de 188 complexen af, waaronder het woningcomplex [adres] .
Voor toepassing van de vrijstelling is volgens de inspecteur vereist dat alle 188 complexen in één transactie worden overgedragen of dat alle in één gemeente gelegen complexen gelijktijdig worden overgedragen aan één kwalificerende overnemer. Het hof volgt de inspecteur hierin niet. Naar het oordeel van het hof moet artikel 5d Uitvoeringsbesluit aldus worden begrepen dat de vrijstelling ook van toepassing is bij een taakoverdracht in delen aan meerdere kwalificerende instellingen, indien in het kader daarvan alle activa en passiva die betrekking hebben op (dat deel van) de overgedragen taak aan de desbetreffende verkrijgende instelling worden overgedragen. Niet in geschil is dat [stichting] zijn gehele sociale huisvestingstaak die op anderen dan senioren ziet, overdraagt aan kwalificerende instellingen en dat [stichting] betreffende het woningcomplex [adres] alle daarmee samenhangende activa en passiva heeft overgedragen aan belanghebbende. Gelet op het vorenstaande is sprake van een onderdeel van een gehele taakoverdracht door [stichting] aan onder meer belanghebbende en zijn in het kader daarvan alle activa en passiva die betrekking hebben op dat deel van de door [stichting] overgedragen taak aan belanghebbende overgedragen.
Niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter h, Wet BRV is voldaan. Gelet op het vorenstaande is deze vrijstelling derhalve van toepassing. Belanghebbende heeft recht op teruggaaf van de voldane overdrachtsbelasting.
Het hof stelt vast dat de wettelijke regeling de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij de verkrijger afhankelijk maakt van handelingen van de overdrager. Ter zitting heeft belanghebbende onweersproken gesteld dat in een geval als dit, waarin de taakoverdracht bestaat uit de overdracht van 188 landelijk gespreide woningcomplexen met bijbehorende activa en passiva, het onmogelijk is om alle complexen tegelijk over te dragen, laat staan aan één kwalificerende overnemer. De inspecteur heeft daarop het standpunt ingenomen dat de vrijstelling in een geval als dit wel van toepassing is als per gemeente alle desbetreffende complexen tegelijk worden overgedragen aan dezelfde voortzetter. Het hof ziet voor een dergelijke geografische afbakening van de vrijstelling echter geen steun in de wet, die aansluit bij de taak en niet bij een gebied. De wetgever heeft een landelijk gespreid geval als dat van belanghebbende kennelijk niet voorzien. Dat de inspecteur daarom het standpunt inneemt dat voor vrijstelling voldoende is dat alle binnen één gemeente bij de over te dragen taak horende complexen in één keer aan één kwalificerende overnemer worden overgedragen, acht het hof op zichzelf voorstelbaar, maar in dit geval - waarin niet in geschil dat [stichting] alle 188 complexen heeft overgedragen of zal overdragen in het kader van een kwalificerende taakoverdracht - niet voldoende op basis van de ratio van de vrijstelling en van de wettekst, die aansluit bij de overdracht van de taak zonder gebiedsafbakening.
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van rente. Bij terugbetaling van overdrachtsbelasting wordt belastingrente vergoed in de gevallen genoemd in artikel 30ha, leden 1 tot en met 3, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Die rente wordt door de inspecteur vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking (hierna: de rentebeschikking).6 Gelet op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 januari 20227 mag de (bestuurs)rechter in een procedure over de voldoening op aangifte van een belasting bij het ontbreken van een rentebeschikking geen beslissing nemen over (de hoogte van) de te vergoeden belastingrente. De inspecteur dient, voor zover hij dat nog niet heeft gedaan, naar aanleiding van de teruggave een rentebeschikking te geven, waartegen belanghebbende desgewenst rechtsmiddelen kan aanwenden. De vraag of belanghebbende recht heeft op vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c Invorderingswet 1990 (hierna: IW), kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, nu het bedrag aan invorderingsrente op grond van artikel 30 IW bij beschikking wordt vastgesteld en tegen een dergelijke beschikking een eigen rechtsgang open staat. Omdat er nog geen (invorderings)rentebeschikking is genomen, laat staan dat daartegen al bezwaar of beroep is ingesteld, is het hof dan ook niet bevoegd in de onderhavige procedure hierover een oordeel te geven.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Het hof verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek om vergoeding van rente.
Ten aanzien van het griffierecht
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 365 respectievelijk € 579 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten
Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de kosten van bezwaar wijst het hof af. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar voordat de inspecteur op bezwaar heeft beslist.8
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
Het hof stelt de tegemoetkoming voor de kosten van de behandeling van het beroep op 2 (punten)9 x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.
Het hof stelt de tegemoetkoming voor de kosten van de behandeling van het hoger beroep op 2 (punten)10 x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5 Beslissing
Het hof:
-
verklaart het hoger beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op het verzoek om teruggaaf van de voldane overdrachtsbelasting;
-
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek om vergoeding van rente;
-
vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
-
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
-
gelast de inspecteur tot teruggaaf aan belanghebbende van de voldane overdrachtsbelasting ten bedrage van € 350.381;
-
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 944 vergoedt;
-
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 3.736.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, B.J. Rubbens en P.J. Wattel, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.