GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Zaaknummers gerechtshof: 200.365.836/01 en 200.365.836/02 (voorlopige voorzieningen)
Zaaknummers rechtbank: C/03/337579 /JE RK 24-2094 en C/03/337580 /JE RK 24-2095
beschikking van 7 juli 2026
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.J.S. Houtackers,
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
advocaat: mr. A.C.E. van den Hombergh,
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers;
[de stiefvader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de stiefvader.
In deze zaak is opgeroepen om het hof advies te geven:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio: Limburg,
locatie: [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen:
-
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016, hierna: [minderjarige 1] ;
-
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018, hierna: [minderjarige 2] ;
hierna samen ook te noemen: de kinderen;
alsmede over het verzoek om voorlopige voorzieningen.
1. De procedure bij de rechtbank en de procedure bij het hof
1.1. Bij tussenbeschikking van 21 januari 2025 heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangehouden en een raadsonderzoek gelast.
1.2. Bij tussenbeschikking van 2 september 2025 heeft de rechtbank de beslissing wederom aangehouden in afwachting van het traject bij [instantie 1] om te komen tot contactherstel tussen de vader en de kinderen.
1.3. Bij de bestreden beschikking van 29 januari 2026 heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader met gezag verleend met ingang van 29 januari 2026 tot 12 augustus 2026 en het verzoek van de moeder om een NIFP-onderzoek dan wel een deskundigenbericht te bevelen, afgewezen.
1.4. Voor het verloop van de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de beschikking waartegen dit hoger beroep is ingesteld.
1.5. De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.365.836/01.
Van dit hoger beroep maakt het verzoek van de moeder tot het treffen van voorlopige voorzieningen onderdeel uit. Het hof heeft aan dit verzoek om voorlopige voorzieningen het zaaknummer 200.365.836/02 verbonden. Beide zaken zijn gelijktijdig behandeld.
1.6. Het hof neemt de volgende stukken mee in zijn beslissing:
-
het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 maart 2026;
-
de ontbrekende stukken uit het procesdossier eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 12 maart 2026;
-
het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 april 2026;
-
het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 24 maart 2026 met als bijlage de brief met producties 21 tot en met 24;
-
het V6-formulier van de advocaat van de vader van 15 april 2026 met als bijlage de brief van 15 april 2026;
-
het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 18 mei 2026 met als bijlage de brief met producties 25 tot en met 27;
-
het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 22 mei 2026 met als bijlage de brief met producties 28 en 29;
-
het evaluatieverslag van [instantie 1] van mei 2026, ingediend door de GI en ingekomen ter griffie op 27 mei 2026;
-
het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 28 mei 2026 met als bijlagen producties 30 en 31;
-
de beschikking van 28 mei 2026 betreffende een schriftelijke aanwijzing, ingediend door de GI op 29 mei 2026.
1.7. De mondelinge behandeling bij het hof was op 2 juni 2026. Aanwezig waren:
-
de moeder, bijgestaan door mr. Houtackers;
-
[vertegenwoordiger van de GI 1] , [vertegenwoordiger van de GI 2] en [vertegenwoordiger van de GI 3] namens de GI, bijgestaan door mr. Van den Hombergh;
-
de vader;
-
de stiefvader;
-
[vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.
1.8. Het hof heeft [minderjarige 1] uitgenodigd om zijn mening te vertellen aan het hof. Hij heeft van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn bij beschikking van 12 augustus 2022 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is sindsdien telkens verlengd, laatstelijk tot 12 augustus 2026.
De kinderen hebben tot aan de bestreden beschikking bij de moeder gewoond. Op 6 februari 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis geplaatst bij de vader. Sindsdien verblijven ze bij de vader.
3 De verzoeken in hoger beroep
De moeder verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen en:
- bij wege van voorlopige voorziening:
- de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen;
- te bepalen dat de kinderen weer terug naar hun moeder moeten;
- te bepalen dat de kinderen weer terug naar (hun eigen) school moeten;
- althans een (voorlopige) concrete omgangsregeling met moeder vast te stellen;
- althans een (voorlopige) concrete informatieregeling met moeder vast te stellen;
- te bepalen dat de moeder een afschrift ontvangt van de verslagen van de Gl en van de uitvoerende organisatie “ [uitvoerende instantie] ”;
- de machtiging tot uithuisplaatsing te vernietigen;
- toe te wijzen:
- het verzoek tot benoeming van [instantie 2] voor het uitvoeren van een onderzoek:
- ‘Ouderschap en Gezin’;
- ‘persoonlijkheidsonderzoek volwassenen’;
- zo nodig de interactie tussen de ouders en de kinderen te observeren en daarover te rapporteren aan het hof;
- een deskundigenbericht te bevelen met de opdracht aan de forensisch mediators te weten, mw. [forensisch mediator 1] te [plaats] en dhr. mr. [forensisch mediator 2] te [plaats] om:
- partijen te begeleiden bij het maken en uitvoeren van gezamenlijke afspraken dan wel de rechter te informeren over hetgeen in het belang van de kinderen is en daarbij de volgende vragen te beantwoorden:
- welke hoofdverblijfplaats komt tegemoet aan de belangen van de kinderen?
- welke verdeling van de zorg- en opvoedtaken komt tegemoet aan de belangen van de kinderen en hoe moet die worden opgebouwd?
Over het verloop van de mediation en de bevindingen / opmerkingen die relevant kunnen zin voor het verdere verloop van deze zaak te rapporteren aan het hof.
Kosten rechtens.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van de moeder het verzoek om bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat de kinderen weer terug naar (hun eigen) school moeten ingetrokken, omdat dit inmiddels al door partijen is geregeld. Ook het verzoek om bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat de moeder een afschrift ontvangt van de verslagen van de uitvoerende organisatie “ [uitvoerende instantie] ” is ingetrokken.
De GI verzoekt het hof het hoger beroep van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen eventueel onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.
4 De standpunten
De moeder voert het volgende aan.
Nadat de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader heeft uitgesproken, zijn de kinderen bij de vader geplaatst. Twee dagen later zijn ze weggelopen bij de vader en teruggegaan naar de moeder. Desondanks zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de volgende dag opnieuw bij de vader geplaatst. Dit zijn zeer zorgwekkende en spoedeisende ontwikkelingen op grond waarvan de moeder verzoekt de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen en te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer terug naar de moeder moeten, waarbij de overeengekomen omgangsregeling leidend moet zijn. Het belang van de schorsing is gelegen in het feit dat er alternatieven zijn die minder ingrijpend zijn dan een uithuisplaatsing bij de vader. De moeder wil dat de kinderen zo snel mogelijk bij haar terugkomen, vandaar dat de moeder recht en belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorzieningen.
Tegelijkertijd komt de moeder in hoger beroep tegen de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader.
De moeder krijgt voortdurend het verwijt dat zij aan oudervervreemding doet en ook krijgt de moeder de schuld van het niet slagen van eerdere hulpverleningstrajecten, terwijl er ook objectief andere oorzaken aanwijsbaar zijn. De schuld wordt ten onrechte volledig bij de moeder gelegd. De moeder betwist dat er sprake is van oudervervreemding en dat haar emotieregulatie niet op orde is.
De moeder betwist ook dat er geen andere optie meer zou zijn dan een uithuisplaatsing. Er zijn nog andere mogelijkheden die eerst geprobeerd zouden moeten worden. Er zou systemische hulp vanuit [instantie 1] geboden worden en [uitvoerende instantie] zou hulpverlening in de thuissituatie bieden. Dit is uiteindelijk niet van de grond gekomen. In plaats daarvan zijn de kinderen uithuisgeplaatst bij de vader terwijl er geen hulpverlening is in de thuissituaties van de vader en de moeder. De kinderen zien hun moeder en de stiefvader niet, de stiefbroertjes en grootouders evenmin. De uithuisplaatsing is niet in het belang van de kinderen. Er moet daarom onderzocht worden wat er wél in het belang van de kinderen is. Omdat er op dit moment een dusdanig verschil van inzicht is, heeft de moeder om een second opinion en forensische mediation gevraagd.
De GI voert het volgende aan.
Het is voor de kinderen belangrijk dat de uithuisplaatsing bij de vader in stand blijft. Er is enorm veel hulp ingezet. De crux ligt in de houding van de moeder. De moeder lijkt niet in te zien wat haar gedrag doet met de kinderen in relatie tot de vader en lijkt alle verantwoordelijkheden buiten zichzelf te leggen. De moeder kan de kinderen niet de emotionele toestemming geven om onbelaste omgang met de vader te hebben. Ze zegt zelf dat ze het wel doet maar ze handelt er vervolgens niet naar. Voor zover de moeder stelt dat er niet naar de kinderen wordt geluisterd, is dit onjuist. Uit de stukken (productie 10 bijvoorbeeld) blijkt onder andere dat [minderjarige 1] beïnvloed is in zijn gedachten en gevoelens richting de vader hetgeen in de visie van de GI wijst op ouderverstoting.
Sinds de kinderen bij de vader zijn geplaatst maken zij een ontspannen en prettige indruk. Zij lijken hun eigen mening te kunnen vormen over de vader. Ook de school heeft een positieve indruk van de kinderen na de uithuisplaatsing bij de vader en de periode van thuisonderwijs. De uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is noodzakelijk om de kinderen de ruimte te geven om los te komen van het loyaliteitsconflict en om hun eigen beeld te kunnen vormen van de vader.
Vanwege de inzet van [instantie 1] en het onderzoek van de raad is een NIFP-onderzoek nu niet aan de orde. Ook een traject bij mediators heeft geen toegevoegde waarde ten aanzien van de situatie waarin de kinderen zich bevinden. Er is een uitgebreid onderzoek door de raad gedaan en in het rapport valt te lezen dat de dynamiek tussen de ouders dermate hardnekkig is dat een ingrijpende maatregel niet meer vermeden kan worden. Uiteindelijk zal een traject met mediators van meerwaarde kunnen zijn voor de ouders in het grotere geheel maar dat is geen reden voor vernietiging van de bestreden beschikking.
De GI betwist dat de moeder haar medewerking verleent en zelfinzicht heeft.
De GI acht het, in vervolg op de constateringen van [instantie 1] , van groot belang dat er een samenwerking komt met de persoonlijke hulpverlening van de moeder.
De vader voert het volgende aan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan op dit moment gewoon naar hun eigen basisschool zodat de moeder geen belang (meer) heeft bij dat verzoek.
De vader stelt zich op het standpunt dat het hoger beroep van de moeder afgewezen dient te worden en conformeert zich verder aan het standpunt van de GI.
De stiefvader stelt zich op het standpunt dat een uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader niet nodig is en dat het goed zou zijn als [uitvoerende instantie] weer hulp zou verlenen.
5 Het advies van de raad
De raad heeft in het raadsrapport het volgende advies gegeven en bevestigt dit advies op de mondelinge behandeling. Het is de moeder in de afgelopen jaren niet gelukt om emotionele toestemming te geven aan de kinderen om contact te hebben met de vader en om te werken aan haar eigen persoonlijke ontwikkeling.
Er is een jarenlang patroon zichtbaar en het is duidelijk dat de ingezette hulpverlening, waaronder de schottenaanpak, onvoldoende effect heeft gehad. De kinderen zijn gedurende de afgelopen jaren steeds belast met volwassenenproblematiek en de situatie tussen de ouders is verhard.
De raad heeft drie scenario’s overwogen. Een plaatsing bij de moeder komt onvoldoende tegemoet aan datgene wat de kinderen nodig hebben. Een plaatsing op een neutrale plek is extra ingrijpend en niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zo lang de plaatsing bij de vader niet geprobeerd is. Gelet op de grote zorgen is een uithuisplaatsing bij de vader de beste en minst ingrijpende mogelijkheid om de kinderen te beschermen tegen de forse strijddynamieken waarin zij al jarenlang opgroeien. Dat biedt hen de mogelijkheid om een band met hun beide ouders op te bouwen en uit de klem situatie te komen. Een plaatsing bij de vader is noodzakelijk om het patroon te doorbreken en de verdere ouderonthechting tegen te gaan.
De raad acht het ook van belang dat een verbinding komt met de persoonlijke hulpverlening van de moeder, zodat bezien kan worden of de doelen op elkaar afgestemd kunnen worden en er een vertaalslag gemaakt kan worden naar hoe de moeder de dingen beleeft.
6 De motivering van de beslissing
Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorzieningen met zaaknummer 200.365.836/02
Het hof zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoeken om bij wege van voorlopige voorzieningen te bepalen dat:
- de kinderen weer terug naar (hun eigen) school moeten, en
- de moeder een afschrift ontvangt van de verslagen van de uitvoerende instantie [uitvoerende instantie] ,
nu deze verzoeken zijn ingetrokken.
Op grond van artikel 223 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
Het hof stelt voorop dat een voorlopige voorziening naar haar aard een tijdelijke beslissing is die geldt voor de duur van de procedure.
Nu in deze beschikking tevens een beslissing in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft de moeder geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het schorsingsverzoek door het hof. Het hof zal het schorsingsverzoek daarom afwijzen.
Evenmin heeft de moeder belang bij het gedane verzoek te bepalen dat de kinderen weer terug naar de moeder moeten. Nu het hof een eindbeslissing neemt in de hoofdzaak, verliezen eventueel getroffen voorlopige voorzieningen direct hun werking.
Om die reden heeft de moeder ook geen belang bij de overige verzoeken (voor zover deze niet zijn ingetrokken) die bij wege van voorlopige voorzieningen zijn gedaan en zal het hof ook deze verzoeken afwijzen. Dit betreffen de verzoeken te bepalen dat:
-
de moeder de verslagen van de GI ontvangt;
-
er een voorlopige concrete omgangsregeling met de moeder wordt vastgesteld;
-
er een voorlopige concrete informatieregeling met de moeder wordt vastgesteld.
Het hof zal de verzoeken strekkende voorlopige voorzieningen, voor zover niet ingetrokken, daarom afwijzen.
In de hoofdzaak met nummer 200.365.836/01:
Machtiging tot uithuisplaatsing
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding.
Er zijn al lange tijd zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Door de forse strijd tussen de ouders worden zij voortdurend meegesleept in een ernstig loyaliteitsconflict, waarbij met name de moeder het moeilijk vindt om de kinderen emotionele toestemming te geven om contact met de vader te hebben. Het contact tussen de kinderen en de vader heeft lange tijd stil gelegen door toedoen van de moeder. De kinderen raken steeds verder klem en er zijn grote zorgen over hun sociaal emotionele ontwikkeling. De ontwikkelingsbedreiging zit op het gebied van identiteitsontwikkeling, hechting, probleemoplossend vermogen, emotieregulatie en het volgen van onderwijs.
Het is de ouders in de afgelopen jaren onvoldoende gelukt om deze zorgen weg te nemen, ondanks de vele hulpverlening die sinds het uit elkaar gaan van partijen in 2020 is ingezet. Ondanks de gedwongen hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling is het de ouders niet gelukt om patronen te doorbreken. Wisselmomenten verliepen traumatisch en door de langdurige schadelijke patronen werd het voor de kinderen heel moeilijk, zo niet onmogelijk, om contact te blijven houden met de vader.
In het raadsrapport van 30 mei 2025 komt naar voren dat vooral de moeder niet bereid lijkt om structurele veranderingen aan te brengen in haar gedrag en dat de moeder geen eigen hulpvragen heeft. In plaats daarvan legt ze de verantwoordelijkheid voor het gedrag van de kinderen bij de vader en de GI. Zij zoekt op eigen initiatief contact met hulpverlening waarin de samenwerking met de vader en de GI gemist wordt.
Eerder is er door de GI ook al een machtiging uithuisplaatsing verzocht maar die is toen afgewend onder bepaalde voorwaarden. Die voorwaarden komen deels niet van de grond omdat er keuzes gemaakt worden en stappen gezet worden die niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn. Met de GI, de raad en de rechtbank is ook het hof van oordeel dat met name de opstelling van de moeder ervoor zorgt dat het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verkeren in stand blijft. In het evaluatierapport van [instantie 1] van mei 2026 wordt duidelijk beschreven welke mogelijkheden en onmogelijkheden de moeder heeft. Zo valt er te lezen dat [instantie 1] een moeder ziet die zeer betrokken is bij haar kinderen. Zij lijkt er uit de grond van haar hart van overtuigd dat zij het goede doet voor haar kinderen en dat zij opkomt voor wat zij als hun belang ziet. Deze betrokkenheid is invoelbaar en verdient erkenning. Tegelijkertijd maakt juist de sterkte van deze overtuiging het ingewikkeld om samen onderzoekend te blijven kijken naar de bredere emotionele werkelijkheid van de kinderen. De liefde en inzet van de moeder lijken op dit moment sterk verbonden met haar eigen perspectief op wat de kinderen nodig hebben waardoor het moeilijk wordt om daarnaast ook nog andere mogelijke kindbelevingen, loyaliteiten of behoefte toe te laten. De uitdaging ligt dan ook niet in het ontbreken van liefde of betrokkenheid maar in de vraag of de moeder ruimte kan maken om haar liefde zo vorm te geven dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich emotioneel vrijer kunnen bewegen tussen de verschillende relaties en werkelijk ontlast worden van de spanning tussen de volwassenen.
Het ontbreken van zelfreflectie, het extern leggen van verantwoordelijkheid en het wantrouwen richting betrokken professionals is het hof ook gebleken tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. De moeder blijft de boodschap uitdragen dat het voor de kinderen niet veilig is bij de vader.
Uiteindelijk is het vanuit de situatie dat de kinderen bij de moeder wonen niet gelukt om te komen tot contactherstel met de vader. De moeder kan de kinderen onvoldoende emotionele toestemming geven om contact met de vader te hebben, terwijl er geen objectief vastgestelde contra-indicaties zijn voor dit contact. Dat is blijvend schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De rechtbank heeft op juiste gronden een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader verleend om blijvend contactverlies en verdere schade bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorkomen. Hoewel het hof begrijpt dat dit voor de moeder en de kinderen zeer ingrijpend is, is het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de enige manier om ze uit hun knelpositie te halen.
De manier waarop de uithuisplaatsing is verlopen, zoals beschreven in het verweerschrift van de GI, bevestigt dat de keuzes en acties van de moeder hebben bijgedragen aan een extra traumatische ervaring voor de kinderen. De moeder heeft verzuimd om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een zo zorgeloos mogelijke manier over te laten gaan naar de vader, wat ervoor gezorgd heeft dat zelfs de politie ingeschakeld is om tot een uithuisplaatsing over te kunnen gaan. De moeder kon de kinderen niet de boodschap geven dat ze het goed en fijn mochten hebben bij hun vader. Ook nadat de kinderen tot twee keer toe zijn weggelopen naar de moeder (begin februari en medio maart 2026) heeft de moeder niet mee willen werken aan een rustige overdracht van de kinderen. Tot tweemaal toe is politie optreden nodig geweest om de kinderen weer naar de vader te krijgen. De moeder handelt daarmee niet in het belang van de kinderen. De kinderen geven in het bijzijn van de moeder aan heel bang te zijn voor de vader, maar door de hulpverlening wordt gezien dat [minderjarige 1] ontdooit nadat de kinderen door de politie zijn teruggebracht naar de vader. Dit laat opnieuw de ernst van het loyaliteitsconflict zien waar de kinderen zich in bevinden.
Door de plaatsing bij de vader krijgen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu de ruimte om meer los te komen van het loyaliteitsconflict en kunnen zij hun eigen beeld van de vader vormen. De GI ziet dat de kinderen nu een ontspannen en prettige indruk maken en ook de school heeft een positieve indruk van de kinderen na de uithuisplaatsing.
Het is invoelbaar dat het voor de moeder, die zeer betrokken is bij de kinderen en vanuit dat perspectief oprecht handelt vanuit liefde en zorg, ontzettend moeilijk is om op dit moment slechts een uur per twee weken contact met de kinderen te hebben. Vanzelfsprekend mist zij de kinderen enorm. Dit neemt niet weg dat het handelen van de moeder schadelijk is (geweest) voor de kinderen en dat dit echt moet veranderen. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de opbouw van de contacten tussen de moeder en de kinderen zorgvuldig en onder begeleiding van [instantie 1] wordt vormgegeven. De regie hiervan ligt bij de GI. [instantie 1] is, behalve bij de begeleiding van de omgangsmomenten tussen de moeder en de kinderen, ook betrokken bij meerdere onderdelen van het traject rondom het gezin, zoals de voorbereiding en nabespreking van deze omgangsmomenten met de moeder, ouderbehandeling aan de vader en individuele behandeling voor de kinderen. Het is ontzettend belangrijk dat het traject bij [instantie 1] doorloopt. Het hof merkt hierbij nog op dat de GI tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft benadrukt dat het belangrijk is dat de persoonlijke hulpverlening / psycholoog van de moeder in verbinding komt met de GI zodat er een vertaalslag kan worden gemaakt naar hoe de moeder dingen beleeft en zodat de doelen op elkaar kunnen worden afgestemd. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd hieraan haar medewerking te verlenen.
NIFP-onderzoek / deskundigenonderzoek
De moeder heeft het hof verzocht om [instantie 2] te benoemen voor het uitvoeren van een onderzoek en verzocht een deskundigenbericht te bevelen met de opdracht om een forensisch mediator te benoemen.
Op grond van het bepaalde in artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) benoemt de rechter in zaken betreffende (onder meer) de ondertoezichtstelling van een minderjarige op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, wordt in beginsel toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.
Voor zover is beoogd een verzoek te doen in de zin van artikel 810 a lid 2 Rv, is het hof van oordeel dat het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich hiertegen verzet.
De strijd tussen de ouders duurt, ondanks alle pogingen hulpverlening ter beëindiging van deze strijd op te starten, al jaren onverminderd voort en de kinderen zitten klem tussen de ouders. Er is inmiddels zoveel tijd verstreken dat het niet in het belang van de kinderen is alsnog een (deskundigen)onderzoek in de zin van artikel 810a lid 2 Rv te gelasten. De kinderen kunnen hier niet langer op wachten. Het is in hun belang dat er nu een beslissing wordt genomen. Bovendien is het van belang dat er aandacht is voor het lopende traject bij [instantie 1] .
Het hof zal deze verzoeken afwijzen.
Proceskosten
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, gelet op de aard en de uitkomst van de procedure.
Op grond van wat hiervoor is overwogen zal het hof de beschikking waartegen hoger beroep is ingesteld ten aanzien van de beslissing over de machtiging uithuisplaatsing en de afwijzing van het verzoek van de moeder bekrachtigen.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.
7 De beslissing
Het hof:
in de zaak met nummer 200.365.836/02:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen om te bepalen dat de kinderen weer terug naar (hun eigen) school moeten en om te bepalen dat de moeder een afschrift ontvangt van de verslagen van de uitvoerende instantie [uitvoerende instantie] ;
wijst af het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 29 januari 2026;
wijst af de (overige) verzoeken van de moeder om voorlopige voorzieningen te treffen;
in de zaak met nummer 200.365.836/01:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Roermond van 29 januari 2026;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, mr. S.P.A. Wensink-Vergunst en M.A. Stammes en is op 7 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.