GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/65 en 25/66
Uitspraak op het hoger beroep van
Stichting [belanghebbende] ,
domicilie kiezend in [plaats 1] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 december 2024, nummers BRE 22/1037 en 22/1038, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslagen vennootschapsbelasting (hierna Vpb) 2017 en 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en is met betrekking tot de aanslag Vpb 2018 bij beschikking een verzuimboete opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft op 17 januari 2022 uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak1 de bestuurlijke lus toegepast, de inspecteur in de gelegenheid gesteld om gebreken te herstellen en de rechtbank te laten weten of, en zo ja in hoeverre, er reden is voor wijziging van de uitspraken op bezwaar.
De inspecteur heeft in reactie op de tussenuitspraak medegedeeld op welke wijze het gebrek is hersteld (hierna: de herstelde uitspraken op bezwaar). De inspecteur heeft in zijn herstelde uitspraken op bezwaar het bezwaar tegen de aanslag Vpb 2017 ongegrond en tegen de aanslag Vpb 2018 gegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op de herstelde uitspraken op bezwaar.2
De rechtbank heeft de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar van 17 januari 2022 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar van 17 januari 2022 vernietigd, de beroepen tegen de herstelde uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard en nevenbeslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van het griffierecht, de proceskosten en immateriële schade wegens overschrijding van de redelijk termijn.
De zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn
[gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] verschenen.
Op deze zitting zijn de onderhavige zaken en de zaken van belanghebbende met nummers 25/67 tot en met 25/87 gelijktijdig behandeld.
Partijen hebben ieder voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota’s doorgestuurd naar de andere partij. Deze pleitnota’s worden met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
De inspecteur heeft tijdens de zitting een (tweede) pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is opgericht op 6 juli 2011. Enig bestuurder van belanghebbende is sinds de oprichting [bestuurder 1] (hierna: [bestuurder 1] ). Tot het dossier behoort een uittreksel van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) van belanghebbende, opgemaakt op 15 februari 2022. Daarin is vermeld dat de activiteiten van belanghebbende bestaan uit:
“Het voeren van directie, interim-management, exploitatie en beheer, alsmede het investeren in ondernemingen, het deelnemen in ondernemingen als (stille) vennoot of aandeelhouder.”
Ook is daarin vermeld dat de statutaire zetel van belanghebbende in Almere is gelegen en is als bezoekadres een adres in [plaats 2] , Spanje vermeld.
[A B.V.] (hierna: de BV) is opgericht op 11 mei 2017. Enig aandeelhouder en bestuurder van de BV is [Stichting 1] . Bestuurder van deze stichting is [Stichting 2] . [bestuurder 1] is enig bestuurder van laatst vermelde stichting.
De BV, vertegenwoordigd door [bestuurder 1] , heeft op 15 mei 2017 een overeenkomst gesloten in verband met de huur van de onroerende zaak [adres] in [plaats 3] (hierna: het pand) voor de duur van vijf jaar. In de huurovereenkomst is vermeld dat het pand uitsluitend dient te worden gebruikt als eetcafé/restaurant. De overeengekomen huur bedraagt € 53.592 per jaar, ofwel € 4.466 per maand.
In het pand wordt in de onderhavige jaren een restaurant, [restaurant] , geëxploiteerd (hierna: het restaurant). In het restaurant was personeel, onder wie de zoon van [bestuurder 1] , [de zoon] (hierna: de zoon), werkzaam. Belanghebbende heeft vanaf 12 juni 2017 tot en met 23 september 2019 lonen van het personeel dat in het restaurant werkzaam was, uitbetaald.
De inspecteur heeft bij de BV een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen en omzetbelasting over de tijdvakken 1 april 2017 tot en met 31 maart 2018 aangekondigd. Het boekenonderzoek heeft plaatsgehad op 20 november 2018. In het controlerapport van 24 juni 2019, opgemaakt door [de controleur] (hierna: de controleur), is het volgende vermeld:
“Tijdens het onderzoek heeft belastingplichtige aangegeven dat de activiteiten van het restaurant zijn verpacht (ik verwijs hiervoor naar hoofdstuk 2.1 bedrijfsactiviteiten).
Belastingplichtige heeft aangegeven dat er geen personeel in dienst is waardoor er nihilaangiften zijn ingediend.
(…)
Tijdens het inleidend gesprek heeft bestuurder, (…) [bestuurder 1] aangegeven dat de activiteiten (exploitatie van horeca aangelegenheid) over de periode van:
- mei 2017 tot en met april 2018 is verpacht aan [B B.V.]
- april 2018 tot en met april 2019 is verpacht aan [C B.V.]
(…)
4. Loonheffingen
De heer [bestuurder 1] heeft aangegeven dat de activiteiten van het restaurant zijn verpacht. Hierdoor heeft [A B.V.] geen personeel in dienst. Als gevolg hiervan worden nihilaangiften ingediend. Dit is door mij gecontroleerd en akkoord bevonden.”.
Tot de stukken van het dossier behoort een e-mail van de controleur van 18 januari 2024, waarin deze het volgende heeft verklaard:
“Ik heb vastgesteld dat er pachtovereenkomsten aanwezig waren
Als ik mij goed herinner [C B.V.] (personeel) en nog 1 (verpachting van inventaris etc;maar aan wie weet ik niet meer).
Ik kon dan niet anders concluderen dat er terecht nihilaangiften zijn ingediend door [restaurant] . Ik heb zijdelings (omdat het niet onder mijn reikwijdte viel) wel gecontroleerd of er aangiften werden ingediend door [C B.V.]
Dit was niet het geval.
[C B.V.] viel onder een ander kantoor en daar is een signaal naar verstuurd om ze uit te nodigen voor het doen van loonaangifte.”
De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangiften Vpb over de jaren 2017 en 2018. Voor het indienen van de aangifte Vpb 2018 heeft de inspecteur ook een herinnering en aanmaning gestuurd. Voor het indienen van de aangifte Vpb 2017 is dat niet gebeurd.
Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren geen aangiften Vpb ingediend.
De inspecteur heeft ambtshalve aanslagen opgelegd naar een belastbare winst (tevens bedrag bedrag) van € 15.001 (2017) respectievelijk € 384.559 (2018). In de herstelde uitspraak op bezwaar voor het jaar 2018 is de belastbare winst (tevens belastbaar bedrag) verminderd naar € 228.465. Verder heeft de inspecteur de verzuimboete vernietigd.
Door de BV gesloten overeenkomsten
De BV heeft in mei 2017 de exploitatie van het restaurant overgenomen van [D B.V.] is op [datum] 2017 in staat van faillissement getreden. In het openbaar faillissementsverslag van 19 maart 2019 is onder meer het volgende opgenomen:
“Situatie per 14 december 2017:
[D B.V.] , hierna: “De failliet” is opgericht op 4 december 2013.
De aandelen in de failliet worden sedert deze datum gehouden door [Stichting 3] , die ook enig bestuurder van de failliet is.
De heer [de zoon] was vanaf de start tot 5 mei 2017 voorzitter en enig bestuurder van [Stichting 3] . Van 5 mei 2017 tot 16 mei 2017 was de heer [bestuurder 2] bestuurder waarna sinds 16 mei 2017 (met registratiedatum 27 september 2017) [Ltd] te [plaats 4] , Verenigd Koninkrijk als als enig bestuurder is ingeschreven.
(…)
Tussen [D B.V.] en [VOF] , de verhuurder van het restaurant is op 5 mei 2017 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin de huurovereenkomst met betrekking tot het pand aan de [adres] ontbonden is per 5 mei 2017, de terzake gestelde borgsom ten bedrage van €10.345 vervalt aan de verhuurder en partijen elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend.
(…)
Oorzaak faillissement
Situatie per 14 december 2017:
Het faillissement is aangevraagd door de Ontvanger van de belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf te Almere. Terzake werden inmiddels vorderingen ten bedrage van EUR 161.281,90 ingediend. Als steunvordering zijn diverse onbetaald gelaten vorderingen van het Pensioenfonds Horeca & Catering gebruikt.
(…)
Situatie per 14 december 2017:
Er zou geen personeel in dienst zijn, nu een deel van het voorheen betrokken personeel in dienst zou zijn getreden bij de partij die thans het restaurant exploiteert.
(…)
Na het faillissement heeft een bespreking plaatsgevonden met de heren [de zoon] en [bestuurder 1] . Gebleken is dat het restaurant is gecontinueerd met achterlating van aanzienlijke schulden in gefailleerde. Er is geen goodwill betaald. De gestelde termijn om terzake een voorstel aan de curator te doen, is inmiddels verstreken.
(…)
Onbehoorlijk bestuur
Situatie per 19 maart 2019:
Afgelopen verslagperiode heeft een nadere bespreking plaatsgevonden met
de FIOD op het kantoor van de curator. Tijdens deze bespreking heeft de curator naar aanleiding van de Melding van vermoedelijke faillissementsfraude daadwerkelijk strafrechtelijk aangifte gedaan van faillissementsfraude.
(…)
Paulianeus handelen
Situatie per 14 december 2017:
Het onderzoek hiernaar is gaande.
Situatie per 21 maart 2018:
In de verslagperiode is door de curator (het samenstel van) de rechtshandeling(en) waardoor de onderneming van gefailleerde met alle daaraan verbonden activa (inclusief goodwill) is c.q. zijn overgenomen door [restaurant] B.V. vernietigd ex artikel 42 Fw.
(…)
Termijn afwikkeling faillissement
Situatie per 19 maart 2019:
Vanwege de strafrechtelijke aangifte wordt dit faillissement op dit moment
nog niet voor opheffing voorgedragen.”
De BV heeft op 20 mei 2017 een pachtovereenkomst gesloten met [B] , handelsnaam van [bedrijf 1] , waarbij is overeengekomen dat het restaurant met ingang van 15 mei 2017 wordt verpacht aan [B] voor een bedrag van € 4.500 per maand.
De BV heeft op 29 maart 2018 een pachtovereenkomst gesloten met [C B.V.] , waarbij is overeengekomen dat het restaurant met ingang van 15 april 2018 wordt verpacht aan [C B.V.] voor een bedrag van € 4.600 per maand. [persoon] is enig aandeelhouder en bestuurder van [C B.V.]
De BV heeft met de zoon, handelende namens de voor dit doel op te richten besloten vennootschap [E B.V.] , een koopovereenkomst gesloten. Daarin is bepaald dat de BV de exploitatie van het restaurant per 1 december 2019 staakt en dat de exploitatie vanaf die datum voor rekening en risico van de (BV van de) zoon is.
Overige feiten
[bestuurder 1] was - naast bestuurder van belanghebbende ook vanaf oprichtingsdatum 19 mei 2017 tot 25 september 2017, bestuurder van [bedrijf 1] (statutaire naam) met als handelsnaam [B] . [bedrijf 1] / [B] is opgeheven op 23 oktober 2018. [bedrijf 1] / [B] heeft geen aangiften Vpb ingediend.
Vanaf 25 september 2017 is [Ltd] . als bestuurder van [bedrijf 1] ingeschreven.
[bedrijf 1] heeft zich niet als werkgever/inhoudingsplichtige aangemeld bij de Belastingdienst en heeft geen aangiften loonheffingen gedaan.
[C B.V.] , met als enig aandeelhouder en bestuurder, [persoon] , is op 23 maart 2018 opgericht en op 6 juli 2020 beëindigd. [C B.V.] heeft alleen over (het korte boekjaar) 2018 een nihilaangifte Vpb ingediend. Tevens heeft [C B.V.] alleen over 2018 een nihilaangifte omzetbelasting ingediend.
[C B.V.] heeft zich niet als werkgever/inhoudingsplichtige aangemeld bij de Belastingdienst. Aanvankelijk deed [C B.V.] geen aangifte loonheffingen. De loonaangiften over de maanden april, mei en juni 2018 zijn op 25 juli 2018 ingediend door [persoon] . Deze aangiften zijn echter niet verwerkt door de Belastingdienst vanwege het achterwege blijven van aanmelding bij de Belastingdienst als werkgever/inhoudingsplichtige voor de loonheffingen. Er heeft geen afdracht/voldoening van loonheffingen op aangifte plaatsgevonden.
[bestuurder 1] is in de periode 31 mei 2017 tot 25 september 2017 bestuurder van [Limited] , mede handelend onder de naam [naam] . [Limited] is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk.
Uit bankafschriften over de jaren 2017 en 2018 van belanghebbende blijken ontvangen bedragen, uitgaven, stortingen en onttrekkingen. De ontvangen bedragen betreffen onder meer pinbetalingen die via de betaalautomaat in het restaurant zijn gedaan. De uitgaven betreffen onder meer overboekingen aan [F B.V.] en [bedrijf 2] .
Uit mutaties van de bankrekening van belanghebbende volgt dat in de jaren 2017 tot en met 2019 loonbetalingen aan ten minste 44 personen te zijn gedaan. Belanghebbende heeft hiervan geen loonaangifte gedaan.
Uit bankmutaties in de jaren 2017 tot en met 2019 op naam van zowel belanghebbende als van de BV blijkt niet dat er enig betalingsverkeer is geweest tussen enerzijds belanghebbende en de BV en anderzijds tussen BV en [C B.V.] Ook zijn er geen overboekingen tussen belanghebbende en [C B.V.] geconstateerd.
[bedrijf 1] heeft geen Nederlandse bankrekening (gehad). De aanwezigheid van een buitenlandse bankrekening op naam van [bedrijf 1] is niet bekend bij de Belastingdienst.
De inspecteur heeft in het kader van de herstelde uitspraken op bezwaar de belastbare winst van belanghebbende over 2017 geschat op € 75.286 uitgaande van geschatte opbrengsten van € 244.663 en geschatte kosten van € 169.377, daarbij constaterend dat de ambtshalve aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 15.001 niet tot een te hoog bedrag was opgelegd. De belastbare winst over 2018 heeft hij geschat op € 228.465, uitgaande van geschatte opbrengsten van € 356.724 en geschatte kosten van € 128.258 en hij heeft de aanslag daarom verminderd.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslagen Vpb 2017 en 2018, zoals deze luiden na de herstelde uitspraken op bezwaar, terecht en niet te hoog zijn opgelegd.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging dan wel vermindering van de aanslagen en rentebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
Het hof stelt voorop dat stichtingen alleen aan de heffing van Vpb zijn onderworpen indien en voor zover zij een onderneming drijven. Onder het drijven van een onderneming wordt mede verstaan een uiterlijke daarmee overeenkomende werkzaamheid waardoor in concurrentie wordt getreden met ondernemingen die worden gedreven door natuurlijke personen dan wel door lichamen, vermeld in artikel 2, lid 1, letter a, b, c en d, Wet Vpb.
Belanghebbende heeft niet weersproken dat het met de exploitatie van het restaurant gemoeide betalingsverkeer in de onderhavige jaren via de bankrekening van belanghebbende liep. Gesteld noch gebleken is dat ter zake van het aldus met de exploitatie van het restaurant behaalde resultaat een afrekening heeft plaatsgehad met enig rechthebbende. Dat rechtvaardigt de conclusie dat het met de exploitatie van het restaurant behaalde resultaat ten goede is gekomen aan belanghebbende. Gelet daarop acht het hof aannemelijk dat het restaurant voor rekening en risico van belanghebbende is gedreven. Het ligt dan op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat dit niet het geval is.
Belanghebbende heeft in dat kader gesteld dat het restaurant niet voor haar rekening en risico werd gedreven. Zij stelt dat ze het restaurant heeft verpacht aan [bedrijf 1] (zie 2.11), [C B.V.] (zie 2.12) dan wel [Limited] (zie 2.19). Zij heeft in dat kader pachtovereenkomsten overgelegd, alsmede bankafschriften waarop betalingen met de omschrijving “pacht” zijn vermeld. Verder stelt belanghebbende dat is gewerkt met het systeem van reverse factoring zodat zij als verpachter inzicht kon hebben in de exploitatie van het restaurant door de pachters. Belanghebbende stelt dat zij in de hoedanigheid van verpachter en door toepassing van reverse factoring de omzet van het restaurant heeft ontvangen en dat zij van die ontvangsten de crediteuren en lonen betaalde.
De inspecteur heeft daartegen ingebracht dat de pachtovereenkomsten en de reverse factoring slechts een papieren werkelijkheid representeren en dat het restaurant feitelijk wordt gedreven voor rekening en risico van belanghebbende. Het hof volgt het standpunt van de inspecteur. Gesteld noch gebleken is immers dat ter zake van het met de exploitatie van het restaurant behaalde resultaat een afrekening heeft plaatsgehad met een pachter (zie 4.2).
Belanghebbende heeft verder nog gesteld dat [bestuurder 1] in de jaren 2017 tot en met 2019 niet woonachtig was in Nederland maar in Spanje. Belanghebbende was daarom niet in staat om een restaurant te exploiteren in Nederland. De inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
Het hof acht niet aannemelijk dat [bestuurder 1] in de onderhavige jaren niet in Nederland woonde. Hij heeft immers zelf voor de onderhavige jaren aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan als binnenlands belastingplichtige. Het hof acht niet aannemelijk dat [bestuurder 1] de aangiften als zodanig heeft gedaan om geen discussie met de Belastingdienst te krijgen, terwijl hij eigenlijk buitenlands belastingplichtig zou zijn. Bovendien acht het hof de fiscale woonplaats van [bestuurder 1] van weinig belang bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende het restaurant exploiteerde. Om als rechtspersoon een restaurant in Nederland te kunnen exploiteren is het niet zonder meer noodzakelijk dat de bestuurder fiscaal inwoner is van Nederland.
Gelet op het vorenstaande heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het restaurant in onderhavige jaren niet voor haar rekening en risico werd gedreven.
Gelet op het vorenstaande dreef belanghebbende in onderhavige jaren een onderneming en is zij vennootschapsbelastingplichtig.
De inspecteur heeft in het kader van de herstelde uitspraken op bezwaar de belastbare winst van belanghebbende over 2017 gemotiveerd geschat op € 75.286, uitgaande van geschatte opbrengsten van € 244.663 en geschatte kosten van € 169.377. Bij deze schatting heeft de inspecteur de bankontvangsten en bankbetalingen van belanghebbende als uitgangspunt genomen. Rekening houdend met de aan 2017 toerekenbare loonheffingen van € 25.5003, is het hof van oordeel dat de inspecteur met deze gemotiveerde schatting aannemelijk heeft gemaakt dat het vastgestelde belastbaar bedrag van € 15.001 niet te hoog is.
Het hof is van oordeel dat voor het jaar 2018 sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. Zoals ter zitting bij de rechtbank en het hof desgevraagd is bevestigd door belanghebbende, is namelijk niet in geschil dat belanghebbende is uitgenodigd om aangifte Vpb 2018 te doen en heeft zij tevens een aanmaning ontvangen voordat de inspecteur ambtshalve de aanslag oplegde. De vereiste aangifte is daarom niet gedaan. Het is dan aan belanghebbende om te doen blijken dat de aanslag, zoals deze na vermindering bij de herstelde uitspraak op bezwaar luidt, te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft niet aan die bewijslast voldaan.
Het voorgaande neemt niet weg dat de rechter nog dient te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van de belastbare winst over 2018 redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur.4 In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de schatting moet redelijk (niet willekeurig) zijn.5 Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng.6 Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven.7 Indien de hoogte van de schatting wordt betwist, komt de belastingrechter de bevoegdheid toe de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen.8
De inspecteur heeft de aanslag Vpb 2018 bij de herstelde uitspraak op bezwaar vastgesteld op € 228.465. De inspecteur heeft dit gedaan aan de hand van een gemotiveerde schatting uitgaande van geschatte opbrengsten van € 356.724 en geschatte kosten van € 128.258. Bij deze schatting heeft de inspecteur de bankontvangsten en bankbetalingen van belanghebbende als uitgangspunt genomen. De inspecteur erkent dat bij het bepalen van de geschatte kosten ten onrechte geen minteken is opgenomen bij de post ‘Loon aan personeel’, maar stelt zich op het standpunt dat desalniettemin sprake is van een redelijke schatting omdat belanghebbende volgens hem € 274.002 meer contante omzet moet hebben ontvangen. Ter onderbouwing hiervan heeft de inspecteur stukken overgelegd waarin staat vermeld dat uit gezamenlijk onderzoek van Betaalvereniging Nederland en De Nederlandsche Bank is gebleken dat in 2018 in de horeca 45% van de omzet contant werd behaald. Het hof acht gelet op deze stukken de correctie op de gemotiveerde schatting vanwege € 274.002 meer contante omzet redelijk. Verder dient rekening te worden gehouden met de aan 2018 toerekenbare loonheffingen van € 58.0009. Het voorgaande leidt ertoe dat een schatting van de belastbare winst van € 294.83610 redelijk is en de inspecteur de belastbare winst, zoals verminderd bij de herstelde uitspraak op bezwaar, dus niet te hoog heeft vastgesteld.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5 Beslissing
Het hof:
-
verklaart het hoger beroep ongegrond;
-
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, A.J. Kromhout en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is ondertekend door de griffier, en door A.J. Kromhout, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.