GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.346.190/01
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,
2. [appellante sub 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. B.F.H.L. van Campfort te Veldhoven,
tegen
Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Woonbedrijf,
advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 januari 2025 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 10817124 CV EXPL 24-761 gewezen vonnis van 16 mei 2024 (hierna: het bestreden vonnis) tussen [appellanten] als gedaagden en Woonbedrijf als eiseres.
De nummering van het tussenarrest van 28 januari 2025 wordt voorgezet.
4 Het verdere verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenarrest van 28 januari 2025;
-
de memorie van grieven met producties 3 tot en met 13;
-
de memorie van antwoord met producties 2 tot en met 8.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
5 De verdere beoordeling
In rechtsoverwegingen 2.2. tot en met 2.4. van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.
Tussen Woonbedrijf en [appellanten] bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning met verdere aanhorigheden, staande en gelegen aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huurovereenkomst is op 5 juli 2017 aangegaan voor onbepaalde tijd. Partijen zijn een huurprijs overeengekomen van € 511,62 per maand bestaande uit € 377,99 aan kale huur en € 133,63 aan servicekosten. In de servicekosten is (onder meer) een voorschot van € 90,00 voor gas opgenomen. [appellanten] dient de huurprijs bij vooruitbetaling, vóór de eerste van de maand, te voldoen.
Woonbedrijf heeft vanwege de stijging van de energiekosten de maandelijkse huurprijs van februari 2023 tot en met juni 2023 verhoogd tot een bedrag van € 1.138,56 per maand met het oog op de stijgende energiekosten. Met ingang van juli 2023 is het voorschot op verzoek van [appellanten] verlaagd, en bedraagt de totale huurprijs € 681,15 per maand. Per 1 juli 2024 bedroeg de huurprijs € 704,58, per 1 augustus 2024 € 759,58 en per 1 december 2024 € 691,58.
Het gehuurde wordt verwarmd door een centrale stookinstallatie in het gebouw. Ieder jaar ontvangt de huurder een eindafrekening, namelijk de eindafrekening servicekosten. Daarin verrekent Woonbedrijf de door [appellanten] betaalde voorschotten met de totale kosten van dat jaar. [appellanten] heeft op basis van de eindafrekening servicekosten 2023, welke eindafrekening [appellanten] op 28 juni 2024 heeft ontvangen, € 2.891,45 teruggekregen.
De procedure bij de kantonrechter
Bij de onderhavige procedure vorderde Woonbedrijf, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde, onder de verplichting van [appellanten] om tot aan de ontruiming, huur c.q. schadevergoeding te betalen, alsmede hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling aan Woonbedrijf van in totaal € 4.144,79 te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.
Aan deze vorderingen heeft Woonbedrijf, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [appellanten] tekort geschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst door het laten ontstaan van een huurachterstand van € 4.144,79.
[appellanten] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van Woonbedrijf toegewezen met dien verstande dat [appellanten] gehouden is tot betaling van een huurachterstand van € 4.825,94.
Het executie kort geding
Nadat Woonbedrijf de ontruiming van het gehuurde heeft aangezegd voor 23 oktober 2024 is op 11 oktober 2024 namens [appellanten] een executie kort geding aangevraagd. De mondelinge behandeling daarvan heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2024. Partijen hebben, zo staat in het proces-verbaal van zitting, de navolgende afspraken gemaakt:
“(…)
1. De tenuitvoerlegging van het vonnis van 16 mei 2024 wordt geschorst (totdat in
hoger beroep is beslist) onder de volgende voorwaarden:
a. De lopende huurtermijnen van € 692,08 per maand zullen worden voldaan
voor de eerste van elke maand met ingang van december 2024 tot aan de
datum van het arrest in het hoger beroep, te vermeerderen, voor zover het
hoger beroep langer dan 1 juli 2025 duurt, met de huurverhoging per 1
juli 2025;
b. Er zullen geen bedreigingen meer worden geuit of agressief gedrag
worden vertoond jegens (ingeschakelde) derden en medewerkers van
Woonbedrijf die in opdracht van Woonbedrijf werkzaamheden voor
Woonbedrijf verrichten; de instemming met deze voorwaarden houdt niet
in dat de volgens Woonbedrijf in conclusie van antwoord genoemde
bedreigingen worden erkend.
2. Het hoger beroep wordt niet ingetrokken maar zal worden afgewacht.
3. leder van partijen draagt de eigen kosten van de procedure.
4. Partijen verzoeken doorhaling van de procedure. (…)”
Met deze afspraken is het executie kort geding geëindigd.
De procedure in hoger beroep
[appellanten] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellanten] heeft - kort gezegd - geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot veroordeling van Woonbedrijf tot betaling van de proceskosten in beide instanties.
Woonbedrijf heeft - kort gezegd - het hof verzocht bij arrest het bestreden vonnis te bekrachtigen en [appellanten] in de proceskosten te veroordelen.
Het hof ziet in hetgeen partijen in beide memories naar voren hebben gebracht aanleiding om een mondelinge behandeling te gelasten om nadere inlichtingen te verkrijgen over onder meer:
- de huidige stand van zaken,
- het verloop van de huurachterstand van januari 2023 tot en met heden,
- de feiten en omstandigheden met betrekking tot de bij memorie van antwoord door Woonbedrijf aangevulde rechtsgrond, welke rechtsgrond ziet op het door [appellanten] in strijd handelen met artikel 7:213 BW door herhaaldelijk agressief en bedreigend gedrag te vertonen jegens medewerkers van Woonbedrijf.
Partijen worden verzocht hun verhinderdata voor de maanden januari tot en met juni 2026 door te geven.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
6 De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 2 december 2025 voor opgave verhinderdata januari tot en met juni 2026 voor het bepalen van een mondelinge behandeling,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.J.H. Hoofs, P.P.M. Rousseau en H.F.P. van Gastel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2025.
griffier rolraadsheer