GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 20 november 2025
Zaaknummer : 200.358.096/01
Zaaknummer eerste aanleg : [insolventienummer]
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van 25 juli 2025 van de rechtbank Oost-Brabant.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 1 augustus 2025, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en de schuldsaneringsregeling te beëindigen met verlening van de schone lei.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [appellant] , bijgestaan door mr. Slaats;
- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.
Voorafgaand aan de zitting heeft de bewindvoerder [appellant] verzocht om alle bankafschriften over een bepaalde periode aan haar te verstrekken (hierover later meer). [appellant] heeft dat niet gedaan en slechts een gedeelte van de bankafschriften over die periode afgegeven. Ter zitting is de behandeling van de zaak aangehouden, om [appellant] de gelegenheid te geven alsnog alle ontbrekende bankafschriften aan de bewindvoerder te overleggen en daarna de bewindvoerder de gelegenheid te geven haar standpunt aan het hof kenbaar te maken. Op verzoek van [appellant] heeft het hof de daarvoor aan hem gegeven termijn eenmaal verlengd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg d.d. 9 januari 2025 en 11 juli 2025, ontvangen op 8 september 2025;
- de overige stukken van de eerste aanleg, ontvangen op 8 september 2025;
- de aanvullende gronden met producties 1 t/m 8, ontvangen op 26 september 2025;
- de apart verzonden productie 1d, ontvangen op 26 september 2025;
- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 24 september 2025, niet ontvangen door het hof (wel door [appellant] ), ter zitting gekopieerd en alsnog overgelegd;
- de brief met bijlagen van de bewindvoerder, ontvangen op 30 september 2025;
- het emailbericht van [appellant] (verzoek verlenging aanhouding), ontvangen op 10 oktober 2025;
- de brief met bijlage van de bewindvoerder, ontvangen op 13 oktober 2025;
- de brief met bijlagen van de bewindvoerder, ontvangen op 3 november 2025.
3 De beoordeling
Bij vonnis van 8 november 2023 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
Bij vonnis van 25 juli 2025, waarvan beroep, heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel (in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling) geoordeeld dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellant] geen “schone lei” is verleend.
[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij heeft het volgende aangevoerd.
[appellant] is onbezoldigd vrijwilliger bij de Stichting [stichting] . Hij en zijn echtgenote ( [echtgenote] ) hebben een buurtmoestuin aangelegd en onderhouden deze. Voor de aanleg van de moestuin hebben zij vergoedingen ontvangen die zijn gespecificeerd in aparte bijlagen (producties la t/m 1d Overzicht [stichting] ). Alle ontvangen bedragen zijn besteed aan het doel waarvoor de Stichting dit aan hen heeft betaald. Een enkel bedrag werd door de Stichting vooraf betaald, het merendeel achteraf nadat de kosten al waren voorgeschoten door [appellant] . Hij heeft geen geld behouden noch is er sprake van inkomsten. [appellant] verwijst naar de verklaring van de penningmeester van de Stichting, die dit bevestigt. [appellant] ziet deze activiteiten ook als een welkome ontspanning en hobby, niet als werk of inspanning waarvoor hij een loon had behoren te bedingen.
Verder heeft de vader van [appellant] een bedrag van € 2.400,- overgemaakt aan [echtgenote] (productie 2 bankafschriften). [echtgenote] heeft dit bedrag (deels) besteed aan haar auto en aan een elektrische fiets, zodat zij mobiel blijft. [echtgenote] heeft namelijk fysieke beperkingen die maken dat zij op eigen kracht niet ver kan lopen of fietsen.
[appellant] voert verder aan dat de Rechter-Commissaris hem bij brief van 4 november 2024 heeft bericht dat, hoewel aan hem al toestemming voor het opnemen van zorgverlof was gegeven, dat niet betekende dat hij ontslagen was van de verplichting om aanvullend te solliciteren. [appellant] werkte destijds fulltime via [uitzendbureau] bij [bedrijf] . Na opname van kortdurend zorgverlof voor 4 uur per week, diende hij dus voor de overige 4 uur nog (elders) te solliciteren. [appellant] is vervolgens op 7 november 2024 uitgevallen met ernstige schouderklachten aan zijn linkerzijde (schouderletsel), was dientengevolge arbeidsongeschikt en kwam in de Ziektewet terecht. Zijn werkgever betaalde tijdens de ziekte 90% van het salaris door (productie 3 overzicht UWV). [appellant] was in de veronderstelling dat hij pas moest solliciteren zodra hij weer volledig arbeidsgeschikt was en dat was (na operatie en revalidatie) tot 1 september 2025 niet het geval. Per 1 september 2025 is hij weer gaan werken bij een andere werkgever, in een andere en fysiek minder belastende functie. In de voorliggende periode is het (door minder te werken) ontstane tekort aan inkomsten al deels gecompenseerd, omdat zijn (toenmalige) werkgever een Kort Zorgverlof-regeling kende (productie 4 kortdurend zorgverlof). [appellant] nam dit zorgverlof op omdat hij - naast de zorg voor zijn partner en kind - zorg verleende aan zijn moeder (ernstige Alzheimerklachten, is inmiddels naar het verpleeghuis verhuisd) en zijn achterblijvende vader (die nu elders woont in een woning waar hij zorg kan inkopen). [appellant] is van mening dat indien er verwijtbaarheid in deze zou zijn, deze slechts gering is.
Wat betreft de informatieplicht, merkt [appellant] op dat de samenwerking met de bewindvoerder niet optimaal was. [appellant] stelt dat de bewindvoerder pas na geruime tijd en slechts op hoofdpunten op zijn vragen reageerde. Vragen over onjuiste vtlb (vrij te laten bedrag-) berekeningen werden niet beantwoord. De samenwerking is moeizaam verlopen, maar was volgens [appellant] niet zodanig slecht dat hij niet aan een kernverplichting van de schuldsanering heeft voldaan.
De beschikking over de Toeslagen is inmiddels overgelegd en [appellant] en zijn echtgenote [echtgenote] dienen gezamenlijk € 1.515,- terug te betalen aan de belastingdienst (productie 5 beschikking Toeslagen 2024). Zij hebben daarvoor al een betalingsregeling getroffen. Deze schuld is zoals verwacht en niet bovenmatig. De nieuwe huur(schuld) en de ziektekosten(schuld) zijn inmiddels betaald (producties 6a en 6b overzichten).
Ten slotte voert [appellant] aan dat hij nog een extra afdracht en de laatste reguliere afdracht aan de boedel zou hebben moeten betalen. Hij heeft dit niet gedaan, omdat hij van mening is dat hij nog recht heeft op een teruggave uit de boedel. In de eindafrekening (productie 7 boedeloverzicht einde WSNP) van de bewindvoerder zitten volgens hem fouten, die nog niet zijn gecorrigeerd. Zo moet rekening worden gehouden met de daadwerkelijk ontvangen zorgtoeslag (die blijkt uit de inmiddels genomen beschikking Toeslagen) en met de juiste beslagvrije voet (producties 8a en 8b vtlb-berekeningen).
De bewindvoerder heeft in haar brief van 30 september 2025 aangevoerd dat zij de eindstand heeft herberekend op basis van de meest recente gegevens. [appellant] heeft inmiddels de extra afdracht ter compensatie van de werkvermindering betaald. Ook bevestigt de bewindvoerder dat [appellant] de bovenmatig nieuwe huurschuld heeft aangezuiverd en een betalingsregeling heeft getroffen voor de toeslagschuld. Zij heeft echter, ondanks herhaaldelijke verzoeken, nog steeds niet alle gevraagde bankafschriften op naam van [echtgenote] ontvangen (slechts 6 van de 49 pagina’s). Deze bankrekening wordt door en ten behoeve van beide echtelieden gebruikt, zowel stortingen als betalingen naar elkaar. In eerste aanleg heeft [echtgenote] verklaard dat er gelden op die rekening zijn binnengekomen, die niet aan de bewindvoerder zijn gemeld. De bewindvoerder heeft een volledige uitdraai van deze bankrekening nodig om te kunnen controleren of [appellant] (geen) extra inkomsten heeft dan wel of het vtlb (en daarmee ook de boedelbijdrage) juist is berekend.
Ter zitting van dit hof is gebleken dat [appellant] nog steeds niet alle bankafschriften heeft laten zien aan de bewindvoerder. Nadat [appellant] ter zitting heeft aangeboden dit alsnog te doen, heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden, om hem die gelegenheid te geven.
Op 3 november 2025 heeft de bewindvoerder het hof bericht dat zij uiteindelijk (na diverse extra verzoeken van haar zijde) pas op 23 oktober 2025 de ontbrekende bankafschriften heeft ontvangen. Resumerend blijkt dat op de rekening van [echtgenote] gedurende de schuldsaneringsperiode in totaal € 10.100,- is ontvangen, waarvan de bewindvoerder geen weet heeft gehad. Binnen het vtlb is rekening gehouden met de norm voor gehuwden. Ontvangen gelden door de echtgenote zijn daarop van invloed, omdat zij een bijdrage in de gezamenlijk lasten dient te dragen. Bovendien constateert de bewindvoerder dat over en weer overschrijvingen tussen de (twee) rekeningen van beide echtgenoten hebben plaatsgevonden. Volgens de bewindvoerder zijn de crediteuren hierdoor benadeeld. De bewindvoerder adviseert het hof dan ook de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem of haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
Gelet op het negatieve advies van de bewindvoerder, acht het hof voldoende aannemelijk dat [appellant] de schuldeisers heeft benadeeld door geen melding te doen van
(een aanzienlijk bedrag aan) gelden die zijn gestort op de bankrekening van zijn echtgenote, die - zo blijkt mede uit zijn eigen verklaring ter zitting - ook door en ten behoeve van hem werd gebruikt. Zo staat bijvoorbeeld vast dat [appellant] bedragen voor de moestuin heeft voorgeschoten van zijn eigen rekening – hetgeen op zichzelf al moeilijk is te rijmen met een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling – en die bedragen voorts op zijn uitdrukkelijke verzoek terug heeft laten storten op de rekening van zijn echtgenote. Door dit (en ook nog andere gelden en geldstromen) niet te melden aan de bewindvoerder, acht het hof voldoende aannemelijk dat gelden (bewust) buiten de boedel zijn gelaten.
Voorts is het hof van oordeel dat [appellant] niet heeft voldaan aan de informatieplicht. Die informatieplicht houdt in dat [appellant] uit eigen beweging alle relevante informatie tijdig en volledig aan de bewindvoerder moet aanleveren. Blijkens de diverse boedelverslagen kwam [appellant] deze plicht gedurende de regeling al gebrekkig na. In zijn informatieverstrekking omtrent de vergoedingen voor het vrijwilligerswerk en (de geldstromen op) de bankafschriften, is hij (ook) toerekenbaar tekortgeschoten. Voor de eindzitting bij de rechtbank en ook thans in hoger beroep, is [appellant] door de bewindvoerder herhaaldelijk verzocht om volledige inzage in de bankafschriften te geven. Pas op 23 oktober 2025 heeft hij daar gevolg aan gegeven (en is het beeld van zijn handelwijze bepaald niet gunstiger geworden).
Het hof stelt dan ook vast dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven. 3.8. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4 De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, J.I.M.W. Bartelds en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.