ECLI:NL:GHSHE:2025:2862

Datum uitspraak
16-10-2025
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
200.358.717_01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging afwijzing verzoek tot vaststelling dwangakkoord. Alsnog toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling in hoger beroep. Beroep op hardheidsclausule (artikel 288 lid 3 Fw) slaagt.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 16 oktober 2025

Zaaknummer : 200.358.717/01

Zaaknummers eerste aanleg : 435428 / FT RK 25/361 (dwangakkoord)

435429 / FT RK 25/362 (Wsnp)

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. J.A.M. de Kerf te Goes.

Belanghebbenden:

1. [belanghebbende 1]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 1] ,

2. [belanghebbende 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 2] ,

deurwaarder: [deurwaarder] .

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.

Bij beroepschrift met producties 1 tot en met 7 (het procesdossier in eerste aanleg), ontvangen op 1 september 2025, heeft [appellante] verzocht het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats van 26 augustus 2025 met bovengenoemde zaaknummers te vernietigen en primair haar verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord, subsidiair haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog toe te wijzen.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • [appellante] , bijgestaan door mr. J.A. de Waard;

  • de heer [vertegenwoordiger] van [deurwaarder] (hierna: [deurwaarder] ) namens [belanghebbende 2] .

[belanghebbende 1] is, hoewel op juiste wijze opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

1.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 12 augustus 2025, ontvangen op 9 september 2025;

- het V6-formulier van [appellante] met begeleidende brief en producties 8 tot en met 14, ontvangen op 23 september 2025;

- het V6-formulier van [appellante] met begeleidende brief en productie 15, ontvangen op 29 september 2025.

2 De procedure in eerste aanleg

2.1.1.

[appellante] heeft de rechtbank op 14 mei 2025 primair verzocht om op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet (Fw) een dwangakkoord vast te stellen met het doel [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] te bevelen in te stemmen met een namens [appellante] aan haar schuldeisers aangeboden minnelijke schuldregeling. Subsidiair heeft [appellante] verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. [appellante] heeft zich in dat verband ook beroepen op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.

2.1.2.

Uit de crediteurenlijst, behorende bij de verklaring ex artikel 285 Fw, blijkt een totale schuldenlast van € 15.106,15. Hiervan ziet een bedrag van € 137,00 op een preferente schuld en een bedrag van € 14.969,15 op concurrente schulden. Uit een bij voornoemde verklaring gevoegde brief van de budgetbeheerder van [appellante] , [budgetbeheerder] B.V. (hierna: [budgetbeheerder] ), van 27 december 2024 blijkt verder dat namens [appellante] aan de preferente schuldeiser een betalingsaanbod van 26,43 % van de vordering tegen finale kwijting en aan de preferente schuldeisers een betalingsaanbod van 13,21 % van hun vorderingen tegen finale kwijting is gedaan. Het minnelijke traject is echter mislukt, omdat [belanghebbende 1] , die een vordering op [appellante] heeft van € 210,00 en [belanghebbende 2] , die een vordering op [appellante] heeft van € 98,17 wegens tanken zonder betalen, het aanbod hebben geweigerd.

2.2.

Bij vonnis van 26 augustus 2025 heeft de rechtbank zowel het primaire verzoek als het subsidiaire verzoek van [appellante] afgewezen.

Ten aanzien van het primair verzochte dwangakkoord heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de aard van de vordering van [belanghebbende 2] , te weten tanken zonder te betalen, wat de rechtbank in zijn vonnis kwalificeert als diefstal van benzine, [belanghebbende 2] in redelijkheid tot weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen.

Aan de afwijzing van het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsanering heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan [belanghebbende 2] en de schuld aan CJIB (verkeersboetes), die beide zijn ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek, niet te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 sub b BW).

De rechtbank heeft het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw afgewezen op de grond dat de omstandigheid dat [appellante] goed meewerkt aan budgetbeheer niet voldoende is om dat beroep te laten slagen en zij nog steeds een auto rijdt, terwijl die auto niet strikt noodzakelijk is.

3 De beoordeling in hoger beroep.

3.1.

[appellante] kan zich met bovengenoemd vonnis niet verenigen en komt hiervan in hoger beroep. Zij voert drie grieven aan.

Verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord

3.2.

Met haar eerste grief komt [appellante] op tegen de afwijzing door de rechtbank van haar primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord. In het beroepschrift wordt onder punt 6 de inhoud van het verzochte dwangakkoord als volgt omschreven: “een kwijtingspercentage van 2,78% voor de vordering van de preferente schuldeisers (€ 137,00) en een kwijtingspercentage van 1,39% voor de vorderingen van de concurrente schuldeisers (€ 14.969,15)”. Het hof stelt vast dat deze percentages niet overeenkomen met de percentages, genoemd door [budgetbeheerder] in het bij brief van 27 december 2024 gedane aanbod aan de schuldeisers. In dat aanbod is immers sprake van een kwijtingspercentage voor de preferente schuldeiser van 26,43% en een kwijtingspercentage voor de concurrente schuldeisers van 13,21%. Deze percentages worden ook genoemd in de verklaring ex artikel 285 Fw. De rechtbank gaat in het bestreden vonnis eveneens uit van deze percentages.

Gelet op het voorgaande wordt in hoger beroep feitelijk verzocht om vaststelling van een dwangakkoord met een andere inhoud dan het aanbod dat tijdens het minnelijk traject aan de schuldeisers is voorgelegd. Hierom al kan het primaire verzoek niet worden toegewezen. De eerste grief faalt.

Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling

3.3.

De tweede grief richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. In haar derde grief komt [appellante] op tegen de afwijzing van haar beroep op de hardheidsclausule. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

Toelatingstoets

3.4.

Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt op grond van artikel 288 lid 1 Fw slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat [appellante] :

  1. niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden;

  2. ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest; en

  3. de uit te schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.5.

[appellante] heeft een schuld die binnen drie jaar voorafgaand aan het verzoekschrift in eerste aanleg is ontstaan en naar zijn aard niet te goeder trouw is. Het gaat hierbij om de schuld aan het CJIB van € 389,00 wegens verkeersboetes (19 november 2022).

Deze schuld staat in beginsel aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg.

3.6.

Wat de schuld aan [belanghebbende 2] van € 98,17 wegens het tanken zonder betalen betreft is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat deze niet gekwalificeerd kan worden als, of gelijkgesteld met, diefstal. Daarvan zou sprake zijn als vastgesteld zou moeten worden dat [appellante] met de intentie om niet te betalen is gaan tanken (oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening). Dat kan in deze zaak echter niet worden vastgesteld, nu het verweerschrift van [belanghebbende 2] zelf blijkt dat [appellante] , nadat zij ontdekte dat zij niet kon betalen, zich bij het tankstation heeft gemeld en heeft afgesproken dat zij op een later moment zou betalen. Van diefstal is dan ook geen sprake. De schuld onderscheidt zich qua karakter in niets van andere aankopen (bijvoorbeeld online) waarvoor geldt dat die achteraf betaald moeten worden, maar die betaling uitblijft. Daar komt bij dat [appellante] deze toezegging weliswaar niet is nagekomen, maar zij heeft in dat verband aangevoerd dat zij destijds een budgetbeheerder had en ervan uitging dat deze de kwestie had afgewikkeld. Later is gebleken dat die budgetbeheerder zijn werk echter niet goed deed, reden waarom zij is overgestapt naar een andere budgetbeheerder, [budgetbeheerder] . Van een schuld die naar zijn aard niet te goeder trouw is ontstaan, is onder deze omstandigheden dan ook geen sprake.

Hardheidsclausule

3.7.

Ondanks het ontbreken van de goede trouw kan het verzoek worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat [appellante] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan van deze schulden onder controle heeft gekregen (artikel 288 lid 3 Fw).

3.8.

Het hof is van oordeel dat sprake is van een dergelijke situatie en acht hierbij het volgende van belang.

[appellante] staat onder budgetbeheer van [budgetbeheerder] . Deze heeft in het inleidende verzoekschrift verklaard dat [appellante] goed meewerkt aan het budgetbeheer, dat zij de budgetbeheerder informeert over alle van belang zijnde zaken en dat sprake is van een sluitend budget. Het hof gaat ervan uit dat het budgetbeheer tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsanering blijft en dat de budgetbeheerder [appellante] zal helpen bij de nakoming van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Daarbij komt dat in hoger beroep is gebleken dat [appellante] de auto niet meer op haar naam heeft, maar in eigendom heeft overgedragen aan haar zoon. Hiermee zijn de omstandigheden, bepalend voor het ontstaan van de schuld aan het CJIB (het in eigendom hebben van een auto), weggenomen.

Het hof neemt verder de omstandigheden waaronder de schuld aan het CJIB is ontstaan, in aanmerking. Als verzachtende omstandigheid ten aanzien van deze schuld geldt dat [appellante] de verkeersovertredingen waarvoor door het CJIB drie boetes zijn opgelegd (vanwege parkeren waar het niet mocht en te hard rijden) heeft begaan op de dag waarop de uitvaart van haar vader plaatsvond.

3.9.

Gelet op het voorgaande is bij het hof het vertrouwen ontstaan dat [appellante] de verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.

Nu overige afwijzingsgronden niet zijn gebleken, kan [appellante] naar het oordeel van het hof alsnog worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Grieven 2 en 3 slagen.

Slotsom

3.10.

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor zover daarbij het subsidiaire verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg van 26 augustus 2025, voor zover daarbij het subsidiaire verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling met ingang van 16 oktober 2025 van toepassing ten aanzien van:

[appellante] ,

geboren op [geboortedatum] 1977,

wonende op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder,

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, J.I.M.W. Bartelds en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »