GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.323.923/01
arrest van 7 oktober 2025
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. L.P.H. Hameleers te Roermond,
tegen
[xx] Engineering B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. T.B. van Dreumel te Enschede,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 25 april 2023 en 20 augustus 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 9878741 \ CV EXPL 22-2271 gewezen vonnis van 30 november 2022.
Een van de raadsheren die het tussenarrest heeft gewezen, mr Traag, is inmiddels niet meer werkzaam als raadsheer(-plaatsvervanger) bij dit hof. Zij is vervangen door een andere raadsheer-plaatsvervanger. Partijen zijn hiervan voorafgaand aan de uitspraak in kennis gesteld.
8 Het verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenarrest van 20 augustus 2024 waarbij het hof een bewijsopdracht aan [appellante] heeft gegeven;
-
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 15 oktober, waarbij de akte tevens houdende incidentele vordering van [geïntimeerde] tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 223 Rv is genomen;
-
de memorie na getuigenverhoor van [appellante] met productie 8;
-
de akte van [geïntimeerde] van 21 januari 2025, met als productie 25 een afschrift van een vonnis waarbij [appellante] per 17 december 2024 in staat van faillissement is verklaard;
-
de akte van [geïntimeerde] van 25 februari 2025 met productie 26.
enkele procedurele aspecten
Bij akte van 4 oktober 2024, genomen tijdens het getuigenverhoor op 15 oktober 2024, heeft [geïntimeerde] nog enkele voorlopige voorzieningen gevorderd. De raadsheer-commissaris heeft meegedeeld dat daarop gelijktijdig met dit arrest in de bodemzaak wordt beslist.
[appellante] is bij vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 17 december 2024 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. P.W.M. Broekmans, advocaat te Roermond, tot curator. [geïntimeerde] verzocht op die grond schorsing van de aanhangige procedure.
Vervolgens heeft het hof bij rolbeslissing de procedure geschorst en verzocht de curator in het geding op te roepen tegen de rol van 25 februari 2025.
De curator heeft bij e-mail van 6 februari 2025 bevestigd dat hij deze procedure niet wenst over te nemen (noch in conventie, noch in reconventie).
Bij akte van 25 februari 2025 heeft [geïntimeerde] verzocht de procedure tegen [appellante] voort te zetten voor zover haar vorderingen tegen [appellante] zijn ingesteld ex art. 28 lid 4 Faillissementswet. Ten aanzien van de door [appellante] ingestelde vorderingen verzoekt [geïntimeerde] ontslag van instantie te verlenen op grond van art. 27 Faillissementswet.
Vervolgens heeft het hof, nadat de zaak op de rol is geplaatst voor fourneren, nader arrest bepaald op heden.
9 De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
Gevolgen van het faillissement van [appellante] per 17 december 2024:
Onderscheid moet worden gemaakt tussen de jegens [appellante] ingestelde vorderingen en de door [appellante] ingestelde vorderingen.
Jegens [appellante] ingestelde aanhangige vorderingen
Hiervoor geldt de regeling van art. 28 en 29 van de Faillissementswet.
[appellante] is gedaagde in eerste aanleg. Indien en voor zover op het tijdstip van de faillietverklaring een rechtsvordering jegens [appellante] aanhangig is die betrekking heeft op nakoming van een verbintenis door de boedel wordt het geding van rechtswege geschorst.
Dit geldt voor de volgende in hoger beroep (nog) aanhangige vorderingen van [geïntimeerde] :
-
veroordeling van [appellante] tot betaling van de door haar verbeurde dwangsommen ad € 5.000,00, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest en, indien voldoening niet binnen gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover van de veertiende dag na dagtekening van het arrest.
-
veroordeling van [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 1.439,02, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 januari 2023, althans vanaf 1 maart 2023, althans vanaf de datum van deze memorie, althans een door uw hof in goede justitie te bepalen datum, tot en met de dag der algehele voldoening;
-
veroordeling van [appellante] in de kosten van buitengerechtelijke werkzaamheden van € 261,18 vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 maart 2023, althans vanaf de datum van deze memorie, althans een door uw hof in goede justitie te bepalen datum, tot en met de dag der algehele voldoening;
Het hof roept daarbij in herinnering dat ten aanzien van de vordering tot betaling van € 1.439,02 in het tussenarrest een bindende eindbeslissing strekkend tot afwijzing van die vordering is gegeven; dat doet echter aan de aanhangigheid van die vordering in hoger beroep niet af, zodat de procedure ten aanzien van die vordering is geschorst.
Een uitzondering op de regel dat de procedure ten aanzien van aanhangige vorderingen jegens [appellante] van rechtswege is geschorst, geldt voor de in eerste aanleg toegewezen vorderingen die door [appellante] voorafgaand aan het faillissement zijn betaald. Deze vorderingen kunnen immers niet meer tot verhaal op de boedel leiden. Hierover kan het hof in deze procedure beslissen. Het gaat daarbij om:- de in eerste aanleg jegens [appellante] toegewezen vorderingen tot betaling van in totaal € 2.171,88 (bestaande uit de posten park- servicekosten ad € 1.108,78, ; huur gas- en watermeter en postbus ad € 137,81 en voorschot waterverbruik ad € 925,29).
Het hof heeft hierover reeds bindende eindbeslissingen gegeven in het tussenarrest en zal dienovereenkomstig beslissen in deze uitspraak.
De overige vorderingen van [geïntimeerde] jegens [appellante] , te weten verwijdering van de schutting, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, strekken niet tot voldoening van een verbintenis uit de boedel en zullen, nu de curator de procedure niet overneemt, hierna worden beoordeeld.
Door [appellante] ingestelde aanhangige vorderingen
Op deze vorderingen ziet art. 27 van de Faillissementswet. De curator heeft -na schorsing van de procedure op verzoek van [geïntimeerde] - meegedeeld de procedure niet over te nemen en [geïntimeerde] heeft vervolgens verzocht ontslag van instantie te verlenen. Het hof zal daartoe overgaan, met dien verstande dat op het hoger beroep van [appellante] gericht tegen de beslissing tot verwijdering van de schutting door het hof buiten bezwaar van de boedel kan worden beslist.
Korte uiteenzetting van de zaak en resterende geschilpunten
[appellante] huurt een woning van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en verwijdering van een schutting die [appellante] heeft opgericht. Daarnaast vordert [geïntimeerde] betaling van diverse facturen. De kantonrechter heeft de vorderingen tot ontbinding en ontruiming afgewezen, de vordering tot verwijdering van de schutting toegewezen en de vordering tot betaling van diverse facturen (deels) toegewezen. [appellante] is het niet eens met de toewijzing van de vordering tot verwijdering van de schutting. Zij stelt dat zij mondeling toestemming had van de verhuurder voor het plaatsen van de schutting. [geïntimeerde] vordert op haar beurt in incidenteel hoger beroep onder meer ontruiming en ontbinding van de huurovereenkomst.
Het hof heeft ten aanzien van diverse geldvorderingen van partijen over en weer eindbeslissingen gegeven in het tussenarrest. Het hof zal met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen op die vorderingen beslissen.
Het hof heeft iedere beslissing over de (verwijdering van de) schutting, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde aangehouden in afwachting van bewijslevering. [appellante] is opgedragen te bewijzen dat zij mondelinge toestemming had van [persoon A] om een schutting rond het gehuurde perceel te plaatsen.
[appellante] is niet geslaagd in het opgedragen bewijs.
[appellante] heeft drie getuigen doen horen. De getuigen [persoon B] en [persoon C] zijn zelf niet getuige geweest van het feit dat [appellante] mondeling toestemming had van [persoon A] om de schutting te plaatsen. Zij verklaren slechts dat [appellante] zelf op enig moment tegen hen heeft gezegd dat zij toestemming had van [persoon A] om de schutting te plaatsen en dat [appellante] hen daaraan heeft herinnerd en hen gevraagd heeft of zij dat willen verklaren. Nu zij niet uit eigen wetenschap kunnen verklaren over de afspraak kent het hof aan hun verklaringen onvoldoende gewicht toe.
Dan resteert de verklaring van [persoon D] . Hij verklaart als getuige onder meer dat hij [persoon A] een keer heeft uitgelegd dat [appellante] lastiggevallen werd en dat [persoon A] toen tegen hem heeft gezegd: “dan moet je een schutting plaatsen”. Verder verklaart hij dat het gesprek met [persoon A] eind juni 2020 heeft plaatsgevonden, omdat hij met zijn vakantiegeld de kosten van de schutting heeft voorgeschoten.
Het hof acht deze getuige en daarmee ook dit deel van diens getuigenverklaring onvoldoende geloofwaardig/betrouwbaar om het bewijs geleverd te achten.
Zo schrijft deze getuige in een schriftelijke verklaring (overgelegd als productie 4 bij akte van [appellante] van 19 juli 2024):
Ik ben als trauma neurochirurg en cardioloog aan gerenommeerde instellingen
verbonden geweest (o.a. trauma neurochirurg legerbasis [A] , Radboud
Nijmegen en Schwarzwald kliniek Duitsland).
Als getuige verklaart hij dat hij één dag gewerkt heeft als invallend cardioloog aan het Radboud ziekenhuis. Verder verklaart hij dat hij geen enkel diploma heeft van zijn opleiding, dat hij daar is ingevallen omdat een Russische arts Russische militairen moet behandelen, dat het normaal is dat iemand slechts één dag aan het Radboud ziekenhuis is verbonden als cardioloog, dat hij toen bij de zwarte commando’s zat, ook wel bekend als de KGB en dat die Russische commando’s op de legerbasis in [B] zitten.
Tegen de achtergrond van deze naar het oordeel van het hof uiterst onrealistische en op geen enkele manier feitelijk onderbouwde en niet verifieerbare uitlatingen van de getuige, acht het hof ook het deel van de verklaring van deze getuige dat betrekking heeft op de bewijsopdracht ongeloofwaardig en niet voldoende van gewicht om, al dan niet in samenhang met het andere getuigenbewijs en de overgelegde stukken, het bewijs geleverd te achten.
Dit betekent dat grief II in principaal hoger beroep niet slaagt en dat het hof de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de verwijdering van de schutting zal bekrachtigen, met dien verstande dat de procedure voor wat betreft de vordering ter zake de (als gevolg daarvan) verbeurde dwangsommen is geschorst.
Het hof ziet aanleiding om vervolgens de grieven in incidenteel hoger beroep te beoordelen. Met grief l komt [geïntimeerde] op tegen de afwijzing door de kantonrechter van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst.
Deze grief slaagt. Naar het oordeel van het hof is in hoger beroep met voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat [appellante] zodanig in de nakoming van haar verplichtingen als huurder is geschoten dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is.
Het hof overweegt daartoe het volgende:
[appellante] heeft in strijd met de huurovereenkomst en zonder toestemming een schutting opgericht en deze niet verwijderd, ondanks daartoe strekkende verzoeken van verhuurder en ondanks een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de kantonrechter waarin zij veroordeeld is tot het verwijderen en verwijderd houden van de schutting.
Daarnaast heeft [geïntimeerde] na tussenarrest en onder verwijzing naar een aflevering van Undercover in Nederland van 22 september 2024 aangevoerd dat in de woning een clandestiene behandelkamer voor de behandeling van kankerpatiënten is ingericht. Het hof heeft via de op dat moment werkende link zoals vermeld onder 1.7 in de akte van 4 oktober 2024 van [geïntimeerde] (bij de stukken gevoegd tijdens de zitting van het getuigenverhoor op 15 oktober 2024) van die uitzending kennisgenomen. De uitzending is thans overigens te zien via de zoekopdracht ‘Undercover 22 september 2024’ op www.youtube.com.
[appellante] handelt daarmee in strijd met haar verplichting uit art. 1.2 van de huurovereenkomst die bepaalt dat het gehuurde uitsluitend bestemd is om te worden gebruikt als woonruimte, aldus [geïntimeerde] .
Voor zover [appellante] zich erop beroept dat deze feitelijke grondslag te laat is aangevoerd, verwerpt het hof die stelling. [geïntimeerde] voert aan dat zij hiervan pas op de hoogte was en kon zijn na de memorie van grieven in incidenteel appel. Dan geldt de tweeconclusie-regel niet. [appellante] heeft verder op deze grondslag kunnen reageren bij memorie na enquête, van welke mogelijkheid zij ook gebruik heeft gemaakt.
Het hof overweegt verder als volgt. In de betreffende uitzending wordt met een verborgen camera in beeld gebracht dat in het gehuurde bij een kankerpatiënt een zogenaamde medische behandeling plaatsvindt die hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door [persoon D] . Zowel [appellante] en [persoon D] (beiden herkent de voorzitter, tevens raadsheer-commissaris van de getuigenverhoren) delen duidelijk hoor- en zichtbaar aan de betreffende patiënt mee dat zij dergelijke behandelingen (het uitdrijven/verwijderen van kankertumoren) bij duizenden mensen verrichten; wel drie tot vier per dag. Tevens blijkt dat de behandeling € 195,-- kost. Gelet op dit beeldmateriaal passeert het hof de enkele ontkenning van [appellante] als onvoldoende gemotiveerd. Daarmee staat met voldoende mate van zekerheid vast dat [appellante] handelt in strijd met de bepaling art. 1.2 van de huurovereenkomst, te weten dat het gehuurde uitsluitend bestemd is om te worden gebruikt als woonruimte.
Deze tekortkomingen rechtvaardigen ieder voor zich, maar zeker in onderlinge samenhang bezien, de ontbinding van de huurovereenkomst. Grief 1 slaagt. De eveneens door [geïntimeerde] aan de ontbinding ten grondslag gelegde stelling dat [appellante] nalaat bepaalde kosten voortvloeiend uit de huurovereenkomst te voldoen, behoeft geen bespreking meer.
De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde (waarop grief 3 in incidenteel hoger beroep ziet) zullen worden toegewezen.
Met het slagen van grief 1 en 3 in incidenteel hoger beroep, behoeft ook grief 2, waarmee [geïntimeerde] aanvoert dat de huurovereenkomst is opgezegd, geen bespreking meer.
Grief V in principaal hoger beroep ziet op de toegewezen en reeds door [appellante] betaalde incassokosten. De grief faalt voor zover [appellante] aanvoert dat geen buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die een vergoeding rechtvaardigen. [geïntimeerde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat dergelijke werkzaamheden voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding zijn verricht. De grief slaagt deels omdat het hof in het tussenarrest heeft overwogen dat de vordering ter zake de park en servicekosten wordt afgewezen. Gelet op het toegewezen bedrag van 137,81 plus € 925,29, stelt het hof de buitengerechtelijke kosten vast op € 159,47. De procedure is echter geschorst voor zover zij ziet op een door [appellante] daarop gebaseerde vordering tot terugbetaling.
Op grond van hetgeen is overwogen in het tussenarrest van 20 augustus 2024 en in dit arrest, zal het hof de vóór het faillissement gegeven bestreden beschikking bekrachtigen voor wat betreft:
de veroordeling van [appellante] tot betaling van € 137,81 (huur gas- en watermeter en postbus, zie tussenarrest r.o. 6.7.3.);- de veroordeling van [appellante] tot betaling van € 925,29 (voorschot waterverbruik over de jaren 2021 en 2022, zie tussenarrest r.o. 6.7.3;- de veroordeling van [appellante] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 159,47; - de veroordeling tot verwijdering van de schutting;
en vernietigen voor wat betreft:
- de toegewezen park- en servicekosten ad € 1.108,78
- de afwijzing van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde,
en voorts de huurovereenkomst ontbinden en [appellante] veroordelen tot ontruiming van het gehuurde.
Het hof zal ter zake de resterende vorderingen van [appellante] (te weten terugbetaling van hetgeen op grond van het bestreden vonnis te veel betaald zou zijn) op de voet van art. 27 Faillissementswet ontslag van instantie verlenen.
Nu het hof alle vorderingen in de bodemprocedure heeft beoordeeld, heeft [geïntimeerde] geen belang meer bij een beslissing op de bij akte van 4 oktober 2024 gevorderde voorlopige voorzieningen.
De kantonrechter heeft [appellante] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij terecht veroordeeld in de proceskosten. Grief VI van [appellante] faalt.
[appellante] wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen:
tot de datum van het faillissement van [appellante] vastgesteld worden op:
-
Griffierechten € 783,--
-
Salaris advocaat € 3.035,--
Totaal € 3.818,---
vanaf de datum van het faillissement van [appellante] vastgesteld worden op:
-
Salaris advocaat € 607,--
-
Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 785,--
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
10 De beslissing
Het hof
In principaal en incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 30 november 2022 voor wat betreft de beslissing:
-
onder 5.1 met uitzondering van de last onder dwangsom en bepaalt dat de procedure voor wat betreft de verbeurde dwangsommen van rechtswege is geschorst;
-
onder 5.2 tot een bedrag van € 1.063,10 (te weten € 137,81 plus € 925,29);
-
onder 5.3 tot een bedrag van € 159,47;
-
onder 5.4,
en vernietigt dat vonnis voor het overige en opnieuw rechtdoende:
- ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen, voor zover die nog in stand is, met ingang van 1 oktober 2025;
- veroordeelt [appellante] tot ontruiming van het gehuurde met ingang van 1 oktober 2025;
- verstaat dat de procedure geschorst is voor wat betreft de niet toegewezen of afgewezen vorderingen tot betaling jegens [appellante] ;
- verleent ontslag van instantie voor wat betreft de overige geldvorderingen van [appellante] ;
- veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep tot de datum van het faillissement van € 3.818,--, te betalen binnen veertien dagen na heden;
- veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep vanaf de datum van het faillissement van € 785,--;
als [appellante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellante] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
- veroordeelt [appellante] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
- verklaart de veroordelingen tot betaling en ontruiming uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, J.I.M.W. Bartelds en R.W. Karskens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 oktober 2025.
griffier rolraadsheer