ECLI:NL:GHDHA:2026:3043

Datum uitspraak
24-09-2026
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
BK-26/25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting voor gebruik van openbare weg met auto met buitenlands kenteken. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Geen verschoonbare termijnoverschrijding.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-26/25

Uitspraak van 24 september 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 december 2025 (de Rechtbank), nummer SGR 24/8061.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 14 juli 2020 tot en met 20 april 2023 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 7.034 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een verzuimboete opgelegd van € 3.517 (de verzuimboete).

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de verzuimboete niet-ontvankelijk verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 2.584 en de verzuimboete verminderd tot een bedrag van € 1.292.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 147. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 1 september 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende staat sinds 6 november 2013 ingeschreven op een Nederlands adres in de Basisregistratie Personen.

2.2.

Op 21 april 2023 is bij een controle geconstateerd dat belanghebbende met een Volvo XC-90 met het Poolse kenteken [kenteken] (de auto), gebruikmaakte van de openbare weg in Nederland. Voor dit gebruik was geen motorrijtuigenbelasting voldaan.

2.3.

De Inspecteur heeft naar aanleiding van voormelde controle de naheffingsaanslag en de verzuimboete met dagtekening 22 januari 2024 aan belanghebbende opgelegd.

2.4.

De Inspecteur heeft naar aanleiding van een algemeen verzoek van belanghebbende om een betalingsregeling van 25 april 2024 bij brief van 27 mei 2024 uitstel van betaling voor de naheffingsaanslag en de boetebeschikking verleend.

2.5.

In een brief van belanghebbende, gedagtekend 5 juni 2024 en door de Inspecteur ontvangen op 6 juni 2024, staat het volgende vermeld:

“Naar aanleiding van uw brief met kenmerk […] wil ik u mededelen dat ik niet gevraagd heb om uitstel van betaling. lk ben het er niet mee eens dat ik überhaupt moet betalen. lk heb ook geen antwoord gekregen over waarom ik moet betalen. lk heb uitgelegd dat de auto waarover is gesproken niet van mij was. lk ben ook nooit de eigenaar geweest van dit voertuig. Auto was destijds van een leasebedrijf en mijn zwager was naar mij gekomen op vakantie en ik heb met die auto naar mijn afspraak bij een huisarts gereden. Meer niet. lk wist dat je een voertuig met een buitenlandse kenteken niet mag gebruiken als je wegenbelasting in Nederland niet betaalt, maar ik had geen idee dat je een voertuig met een buitenlandse kenteken niet mag even lenen om in mijn geval naar de huisarts te gaan. lk ben moeder van 3 kleine kinderen met minimuminkomsten. lk zou toch nooit zo’n dure auto kunnen kopen of zelfs leasen. Zo is de auto ongeveer €100.000 dus ik zou toch nooit kunnen betalen met mijn inkomsten. Daarom ook vraag ik nogmaals om deze aanslag te vernietigen en niet om in termijnen te betalen”

2.6.

De Inspecteur heeft de brief zoals vermeld in 2.5 opgevat als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag en de verzuimboete.

2.7.

De Inspecteur heeft bij brief van 9 juli 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat haar bezwaarschrift niet tijdig is ontvangen. De Inspecteur heeft een antwoordformulier meegestuurd voor de reden van de te late indiening van het bezwaar.

2.8.

De Inspecteur heeft op 12 juli 2024 het door belanghebbende ingevulde antwoordformulier ontvangen, waarin zij schrijft dat zij het bezwaarschrift op 5 juni 2024 heeft verzonden en dus niet begrijpt waarom dit niet op tijd is, gelet op de brief van 27 mei 2024 en de daarin gestelde reactietermijn van 10 dagen.

2.9.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2024 het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de verzuimboete niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend. De Inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot € 2.584 en de verzuimboete tot € 1.292, vanwege een verkorting van de naheffingsperiode op grond van artikel 34 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (21 april 2022 tot en met 20 april 2023).

Oordeel Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“12. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.[1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.[2] Een bezwaar is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaar (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.[3]

13. Als een bezwaar te laat is ingediend, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet-tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is, te weten als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.[4] In dat geval laat het bestuursorgaan de niet-ontvankelijkverklaring achterwege.

14. Vast staat dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn gedagtekend op 22 januari 2024. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden, zodat de termijn om bezwaar te maken eindigde op 4 maart 2024. Het bezwaar dateert van 6 juni 2024 en is dus niet tijdig ingediend. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat eiseres op 25 april 2025 een algemeen verzoek heeft ingediend voor een betalingsregeling voor alle openstaande belastingschulden. Dit verzoek kan daarom niet worden aangemerkt als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking, afgezien van het feit dat dat bezwaarschrift ook niet tijdig zou zijn ingediend. Eiseres heeft geen reden opgegeven voor de termijnoverschrijding van het bezwaar. De reactie in het antwoordformulier (onder 7) geeft in elk geval geen aanleiding voor het oordeel dat van eiseres in redelijkheid niet kon worden verwacht dat zij eerder bezwaar had gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Verweerder heeft het bezwaar dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen eiseres overigens nog heeft aangevoerd, behoeft geen behandeling meer.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de verzuimboete dan wel tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het beroep

5.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens belanghebbende is de termijnoverschrijding van het ingediende bezwaar verschoonbaar. Daartoe voert zij aan dat ze binnen de wettelijke bezwaartermijn aan haar boekhouder de opdracht heeft gegeven om namens haar bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag en de verzuimboete. Dat het bezwaar niet tijdig is ingediend, is te wijten aan de boekhouder van belanghebbende. Volgens belanghebbende ligt deze omstandigheid buiten haar invloedssfeer en mocht zij erop vertrouwen dat de opdracht correct en tijdig zou worden uitgevoerd. Belanghebbende stelt het voorgaande te kunnen onderbouwen met een factuur van haar boekhouder waaruit zou blijken dat zij daadwerkelijk een betaling heeft gedaan voor voormelde bezwaarwerkzaamheden. Belanghebbende voert voorts aan dat zij na bekendwording van de omstandigheid dat het bezwaar niet tijdig is ingediend onverwijld actie heeft ondernomen jegens de Inspecteur. De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd betwist.

5.2.

Ingevolge het bepaalde van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt op grond van artikel 22j AWR, in afwijking van artikel 6:8 Awb aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de naheffingsaanslag , tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Bij verzending per post is op grond van artikel 6:9, lid 2, Awb een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Het bezwaar kan ingevolge het bepaalde in artikel 6:6, aanhef en letter a, Awb niet ontvankelijk worden verklaard indien het bezwaarschrift na afloop van deze termijn is ingediend. Op grond van artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5.3.

Voor het antwoord op de vraag of een termijnoverschrijding verschoonbaar is, dient in de eerste plaats beoordeeld te worden of een termijnoverschrijding aan de indiener van een bezwaar- of (hoger)beroepschrift kan worden toegerekend. Voor het oordeel dat een termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend, kan grond bestaan als deze het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook wegens andere redenen. Als de termijnoverschrijding aan de indiener kan worden toegerekend, dan is deze niet verschoonbaar. In het geval dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend, moet worden beoordeeld of het bezwaar- of beroepschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd (CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, BNB 2024/29, r.o. 2.3, HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, BNB 2024/53 en HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, BNB 2024/61). Verder biedt de term “redelijkerwijs” in artikel 6:11 Awb het bestuursorgaan en de bestuursrechter enige ruimte om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het bezwaar- of (hoger)beroepschrift gering is, die termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen factoren zoals de hoedanigheid en de mate van deskundigheid van de indiener een rol spelen, en kan ook betekenis toekomen aan andere factoren zoals de informatie die het bestuursorgaan aan de indiener heeft verstrekt en de voortvarendheid waarmee de betrokkene alsnog bezwaar of beroep heeft ingesteld (zie HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625)

5.4.

De Inspecteur heeft met dagtekening 22 januari 2024 aan belanghebbende de naheffingsaanslag en de verzuimboete opgelegd. Belanghebbende heeft niet bestreden dat de brief, gedagtekend 5 juni 2024 en door de Inspecteur ontvangen op 6 juni 2024, moet worden aangemerkt als het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag en de verzuimboete, zodat het Hof deze brief als zodanig opvat. Gelet op de dagtekening van de naheffingsaanslag, eindigde de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift op 4 maart 2024. Gesteld noch gebleken is dat de dagtekening van de naheffingsaanslag is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Het bezwaarschrift is daarom na afloop van de termijn van zes weken zoals bedoeld in 5.2 ingediend, zodat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is overschreden. Voor het antwoord op de vraag of de overschrijding van de termijn verschoonbaar moet worden geacht, heeft het volgende te gelden.

5.5.

Belanghebbende heeft (voor het eerst) in hoger beroep aangevoerd dat haar boekhouder heeft verzuimd om namens haar tijdig bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete. Op belanghebbende rust de bewijslast om de door haar gestelde feiten en omstandigheden, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk te maken. De door belanghebbende genoemde factuur behoort niet tot de gedingstukken. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat zij haar boekhouder binnen de bezwaartermijn opdracht heeft gegeven om bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag en de verzuimboete.

5.6.

Wat daarvan overigens ook zij, ook indien wel aannemelijk zou worden bevonden dat belanghebbende gedurende de overschreden bezwaartermijn werd bijgestaan door de boekhouder, geldt dat diens handelen in beginsel voor rekening en risico van haar komt. Indien de door belanghebbende ingeschakelde boekhouder als professionele rechtshulpverlener moet worden aangemerkt, mag worden verwacht dat deze de termijnen bewaakt, eventueel door gebruikmaking van de mogelijkheid om een pro-formabezwaarschrift in te dienen. Een termijnoverschrijding zal om die reden doorgaans niet verschoonbaar zijn. Uitzondering op dit uitgangspunt kunnen zijn (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de boekhouder zelf. De lat ligt hier dus hoger dan bij belanghebbende, vanwege de professionaliteit die in geval van beroepsmatig handelen mag worden verwacht (vergelijk CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 5.1).

5.7.

Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die eraan in de weg staan dat het handelen van de boekhouder voor rekening en risico komt van belanghebbende. Belanghebbende heeft evenwel niets gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, over de reden van de te late indiening door de boekhouder, nog daargelaten dat die reden aan hem niet zou zijn toe te rekenen. De omstandigheid dat belanghebbende erop zou hebben vertrouwd dat haar boekhouder tijdig bezwaar zou maken, leidt daarom niet tot het oordeel dat sprake is van slechts geringe verwijtbaarheid. Reeds daarom is niet aannemelijk geworden dat de termijnoverschrijding het gevolg is geweest van een omstandigheid die niet aan belanghebbende kan worden toegerekend. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding is derhalve niet verschoonbaar. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Slotsom

5.8.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, Chr.Th.P.M. Zandhuis en M.B. Weijers, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.

De griffier, de voorzitter,

J. Azmi Shenouda W. de Wit

De beslissing is op 24 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »