ECLI:NL:GHDHA:2026:2940

Datum uitspraak
25-08-2026
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.317.472/01 + 200.317.474/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voegingsincident. Toewijzing van in laat stadium ingediende vordering tot voeging.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummers : 200.317.472/01 + 200.317.474/02

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/599847 / HA ZA 20-648

Arrest van 25 augustus 2026 in het incident tot voeging

opgeworpen door

CONFÉDÉRATION EUROPÉENNE DES SYNDICATS,

ook genoemd European Trade Union Confederation (ETUC),

gevestigd te Brussel, België,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. P.H. Burger (Utrecht),

in de zaak met nummer 200.317.472 van:

1. MARLOW NAVIGATION NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. MARLOW NAVIGATION COMPANY LIMITED,

gevestigd te Limassol, Cyprus,

appellanten in het principaal appel, verweersters in het incidenteel appel,

thans verweersters in het voegingsincident,

advocaat: mr. S.A. Tan (Rotterdam),

tegen

1. INTERNATIONAL TRANSPORT WORKERS’ FEDERATION,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

2. NAUTILUS INTERNATIONAL,

gevestigd te Rotterdam,

3. FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,

gevestigd te Utrecht,

verweersters in principaal appel, appellanten in incidenteel appel,

advocaat: mr. R.J. Wybenga (Rotterdam),

met als interveniërende partij:

1. BG FREIGHT LINE B.V.,

2. SAMSKIP B.V.,

beide gevestigd te Rotterdam,

3. UNIFEEDER A/S, gevestigd te Aarhus, Denemarken,

4. EUCON SHIPPING & TRANSPORT LTD, gevestigd te Dublin, Ierland,

thans verweersters in het voegingsincident,

advocaat: mr. A.J.W. Spijker (Rotterdam)

en in de zaak met nummer 200.317.474 van:

1. BG FREIGHT LINE B.V.,

2. SAMSKIP B.V., beide gevestigd te Rotterdam,

3. UNIFEEDER A/S, gevestigd te Aarhus, Denemarken,

4. EUCON SHIPPING & TRANSPORT LTD, gevestigd te Dublin, Ierland,

appellanten, thans verweersters in het voegingsincident,

advocaat: mr. A.J.W. Spijker (Rotterdam),

tegen

I. INTERNATIONAL TRANSPORT WORKERS’ FEDERATION,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

2. NAUTILUS INTERNATIONAL,

gevestigd te Rotterdam,

3. FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,

gevestigd te Utrecht,

verweersters,

advocaat: mr. R.J. Wybenga (Rotterdam).

De namen van de procespartijen worden hierna als volgt verkort weergegeven:

- de eiseres tot voeging: ETUC;

- Marlow Nederland en Marlow Cyprus samen: Marlow c.s.;

- ITF, Nautilus en FNV Havens voor zover afzonderlijk, samen: ITF c.s.;

- de Charterers (interveniënten in de zaak met nummer 200/317.472 en appellanten in

de zaak met nummer 200.317.474).

1 Een korte omschrijving van het geschil

Nadat de in de aanhef genoemde zaken bij arrest van 30 september 2025 naar de rol waren verwezen – voor uitlating door partijen over (i) het voornemen om de in 5.14 van dat arrest bedoelde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en (ii) de formulering van de vragen – heeft ETUC zich gemeld met een incidentele vordering tot voeging aan de zijde van ITF c.s.

ITF c.s. ondersteunen deze vordering, maar Marlow c.s. en de Charterers bepleiten afwijzing ervan. Het hof wijst de vordering toe.

2 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

in beide zaken – het hoofdgeding

2.1

Na het tussenarrest van 30 september 2025 (hierna: het tussenarrest) hebben partijen op de rol van 2 december 2025 de volgende stukken ingediend:

- Marlow c.s. en de Charterers elk een akte houdende uitlating;

- ITF c.s. een akte uitlating prejudiciële vragen, tevens houdende (i) verzoek heroverweging bindende eindbeslissingen en (ii) voorwaardelijk verzoek tot openstelling van tussentijds cassatieberoep (met producties).

in beide zaken – het voegingsincident

2.2

ETUC heeft een incidentele conclusie tot voeging (artikel 217 Rv) met vier bijlagen ingediend. Marlow c.s. en de Charterers hebben elk gereageerd bij conclusie van antwoord en ITF c.s. bij memorie van antwoord. Aansluitend is een schriftelijk pleidooi gehouden: ETUC, Marlow c.s., de Charterers en ITF c.s. hebben elk voor zich een schriftelijke toelichting ingediend, met daarin ook een reactie op de (onderling gewisselde) schriftelijke toelichting van de anderen. Aansluitend is arrest gevraagd in het voegingsincident.

3 De beoordeling van het voegingsincident

3.1

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 8, aanhef en onder 2, Brussel I bis-Verordening bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot voeging.

3.2

Voor een (geslaagde) vordering tot voeging is nodig dat degene die zich wil voegen in een tussen andere partijen aanhangig geding daarbij belang heeft (artikel 217 Rv). Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich wenst te voegen. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.1 Als aan dit belangvereiste is voldaan en de incidentele vordering tot voeging volgens artikel 218 Rv op tijd is ingesteld is die vordering in beginsel toewijsbaar. Aan die toewijsbaarheid kunnen echter de eisen van een goede procesorde in de weg staan.

3.3

Ten betoge dat aan het belangvereiste is voldaan heeft ETUC onder meer aangevoerd (i) dat zij een koepelorganisatie is die zich op Europees niveau namens nationale vakbondsfederaties hard maakt voor sociale rechten van werknemers, (ii) dat een ongeldigverklaring van de aan de orde zijnde clausule (de dockers’ clause2/ non seafarers work clause) nadelige gevolgen heeft voor (de geldigheid van) collectieve afspraken die ten aanzien van tal van schepen zijn gemaakt met of door tussenkomst van vakbonden die behoren tot de bij ETUC aangesloten

(con-)federaties en (iii) afbreuk doet aan de mogelijkheid voor vakbonden om op deze wijze (fundamentele) arbeidsrechten en voorrechten uit te oefenen.

Haar eigen belang bij de voeging en het belang daarbij van de vakbondsfederaties waarvoor zij op Europees niveau opkomt heeft ETUC hiermee voldoende aangetoond en geconcretiseerd.

3.4

De betwisting door Marlow c.s. en de Charterers van dit belang, dat verder gaat dan een mogelijke precedentwerking, is onvoldoende gemotiveerd. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat in een eerder stadium door de Charterers aandacht ervoor is gevraagd dat een gebod tot naleving van de clausule door de Nederlandse rechter tot gevolg zal hebben dat binnen heel Europa voorshands zal worden aangenomen dat de nieuwe dockers’ clause geldig is en dient te worden nageleefd. Gelet op die Europese dimensie is het goed als bij de vraag naar de geldigheid van de clausule ook een koepelorganisatie op Europees niveau als ETUC de gelegenheid krijgt om haar visie naar voren te brengen, althans is haar belang daarbij voldoende manifest.3

3.5

Marlow c.s. en de Charterers menen verder dat de voeging ontoelaatbaar is omdat, volgens hen, het door ETUC met de voeging nagestreefde doel enkel is om zich uit te laten over de voorgenomen prejudiciële vragen om zo vervolgens ook een rol te kunnen spelen bij de procedure bij het HvJ EU. Daarnaast stellen zij zich op het standpunt dat de incidentele vordering te laat is ingediend, strijdig is met de goede procesorde en misbruik van recht oplevert. Ook deze tegenwerpingen worden verworpen.

3.6

Als gezegd was het doel van de in het tussenarrest bepaalde rolverwijzing tweeërlei: partijen mochten zich uitspreken over het voornemen om de in 5.14 van het tussenarrest bedoelde prejudiciële vragen te stellen en over de formulering van de te stellen vragen.4 Marlow c.s. en de Charterers hebben die mogelijkheid in de eerste plaats aangegrepen om op inhoudelijke gronden uiteen te zetten waarom naar hun mening moet worden teruggekomen van bedoeld voornemen. Ook ITF c.s. hebben (op tegenovergestelde gronden) om heroverweging verzocht, in combinatie met een voorwaardelijk verzoek tot openstelling van tussentijds cassatieberoep. Er is met andere woorden sprake geweest van een voorzetting van het debat op het (niet louter processuele) punt van het voornemen tot het stellen van de in het tussenarrest bedoelde prejudiciële vragen. Bovendien zal ook na een eventuele verwijzing een nadere conclusiewisseling volgen. Gelet daarop verzet artikel 218 Rv zich niet tegen het indienen van een vordering tot voeging na het tussenarrest. Wel geldt dat de partij die zich voegt het geding heeft te aanvaarden in de staat waarin dit zich bevindt. De door ETUC in haar incidentele conclusie tot voeging aangevoerde argumenten zullen bij gelegenheid van het nog te wijzen arrest in de hoofdzaken tegen die achtergrond bezien. In dat arrest zal ook worden ingegaan op de door Marlow c.s./de Charterers en ITF c.s. tegen het tussenarrest aangevoerde bezwaren.

3.7

ETUC wil zich voegen vanwege het in de hoofdzaken aan de orde zijnde punt van de geldigheid van de clausule ten opzichte van het recht op vrije mededinging uit artikel 101 VWEU dan wel het vrij verkeer van diensten van artikel 56 VWEU. De, door ETUC betwiste, stelling van Marlow c.s. en de Charterers dat ETUC de vordering niet heeft ingediend om (op dat punt) een actieve rol te spelen in het verdere verloop van de hoofdzaken, maar enkel om deel te nemen aan de (eventuele) procedure bij het HvJ EU, mist een voldoende onderbouwing en wordt daarom verworpen.

3.8

Dat ETUC de vordering in een eerder stadium had kunnen indienen, betekent niet dat toewijzing van de vordering in strijd komt met de goede procesorde. De vertraging, waarvoor de vordering tot voeging zorgt, hangt deels samen met het (ongegrond gebleken) verweer ertegen en is voor het overige niet onredelijk te achten, afgezet tegen het belang bij de voeging. Van misbruik van recht is geen sprake.

3.9

ETUC krijgt, nu zij als gevoegde partij wordt toegelaten, de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over de voorgestelde prejudiciële vragen. Voor de termijn waarop dit moet gebeuren wordt aangesloten bij de door haarzelf voorgestelde termijn van twee weken. De omvang van de akte dient, afgezien van de aanhef, beperkt te blijven tot 1 pagina, A4 formaat). Hierbij wordt in aanmerking genomen (i) dat Marlow c.s. en de Charterers, die eenzelfde formulering van de vragen hebben voorgesteld, zich daarbij hebben beperkt tot ongeveer 1 pagina en (ii) ook de door ITF c.s. voorgestelde vragen, waarbij ETUC zich kan aansluiten, minder dan 1 pagina beslaan. Na indiening van bedoelde akte volgt in beginsel een datum voor het vervolgarrest in de hoofdzaken (over het stellen van (welke) prejudiciële vragen).

4 De beslissing

Het Hof, rechtdoende in het voegingsincident en in de hoofdzaken:

  • wijst toe de vordering van ETUC om zich in hoofdzaken te voegen aan de zijde van ITF c.s.;

  • verwijst de hoofdzaken naar de rol van 8 september 2026 voor een korte akte uitlating van ETUC over de (eventuele) prejudiciële vragen aan het HvJ EU;

  • houdt iedere verdere beslissing aan, met inbegrip van die over de kosten van het voegingsincident.

Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, M.J. van der Ven en F.G.M. Smeele en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »