GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Uitspraakdatum : 25 augustus 2026
Zaaknummer : 200.308.486/01
Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/505706 / HA ZA 16-691
Arrest
in de – met de zaak met nummer 200.308.374/01 gevoegde – zaak van:
1. [appellant 1] ,
wonende in [woonplaats] ,
2. [appellant 2] ,
wonende in [woonplaats] ,
appellanten in het principaal appel, verweerders in het incidenteel appel,
hierna te noemen: [appellant 1] en [appellant 2] , samen veelal: [appellanten] ,
advocaat: mr. A.J. Horenblas (Amsterdam),
tegen
ROTTERDAM SHORT SEA TERMINALS B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel,
hierna te noemen: RST,
advocaat: mr. R.L. Latten (Rotterdam).
1 Een korte omschrijving van het geschil
[appellant 1] en [appellant 2] waren werknemers van RST; [appellant 1] was haar
operationeel directeur en [appellant 2] haar controller en financieel manager. RST verwijt hen dat zij, samen met [betrokkene 1] – die door RST was ingehuurd om de implementatie van een nieuw softwaresysteem te begeleiden – grote hoeveelheden geld aan RST hebben onttrokken. Dat gebeurde door het goedkeuren en laten uitbetalen van valse facturen van [betrokkene 1] , waarmee kosten aan RST in rekening werden gebracht die, voor zover al gemaakt, niets met de bedrijfsvoering van RST van doen hadden. De uitbetaling door RST van deze (spook)facturen vond plaats door overboeking naar bankrekeningen waarover [betrokkene 1] de beschikking had. Er waren ook betalingen per kas. Deze factuurfraude kreeg de naam ‘bonfide-fraude’.
De rechtbank achtte het verwijt terecht en verklaarde voor recht dat [appellanten] en [betrokkene 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die RST heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de bonfide-fraude. Zij zijn hoofdelijk veroordeeld tot schadevergoeding; [betrokkene 1] tot betaling van € 3.000.000 en [appellant 1] en [appellant 2] tot betaling van (85% van € 3.000.000 =) € 2.550.000, met voor allen een verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de verdere schade. De korting van 15% op de schadevergoedingsplicht van [appellanten] is toegepast vanwege een geslaagd beroep op eigen schuld van RST.
[appellanten] zijn het niet eens met deze afloop en willen dat RST in hoger beroep alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen, althans dat haar deze vorderingen worden ontzegd. RST daarentegen heeft in het principaal appel tot bekrachtiging geconcludeerd. Haar in het incidenteel appel geuite kritiek richt zich tegen het aannemen van eigen schuld.
Het hoger beroep leidt niet tot het door [appellant 1] en [appellant 2] beoogde resultaat. In het principaal appel blijft de verklaring voor recht overeind en in het incidenteel appel wordt hun beroep op eigen schuld wordt alsnog verworpen. Op het punt van het door de rechtbank toegewezen bedrag volgt (in het principaal appel) geen bekrachtiging, maar dat komt omdat er hangende het hoger beroep € 3.000.000 is uitgekeerd onder een door de moedervennootschap van RST gesloten fraudeverzekering, niet omdat in hoger beroep wordt uitgekomen op een lager schadebedrag. RST beschikte ten tijde van het vragen van arrest echter (nog) niet over een last en volmacht om op eigen naam, behalve haar resterende schade, ook het van de gesubrogeerde verzekeraars ontvangen bedrag te claimen. De verwijzing naar de schadestaatprocedure door de rechtbank geldt thans voor de vaststelling van de volledige nog aan RST te vergoeden schade.
2 Het verdere verloop van de procedure
Bij arrest van 30 januari 2024 heeft het hof uitspraak gedaan in het door [appellanten] opgeworpen incident ex art. 843a Rv (oud). Het arrest bevat een weergave van het procesverloop dat eraan voorafging. Na het arrest zijn op de rol de volgende stukken ingediend:
- door RST een memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met producties 105 t/m 107);
- door [appellanten] een memorie van antwoord in incidenteel appel.
Aansluitend is in deze en in de daarmee (bij arrest van 13 september 2022 gevoegde) zaak met nummer 200.308.374 een mondelinge behandeling gehouden. In de aanloop ernaartoe zijn de volgende stukken ingestuurd:
- door [appellanten] een akte houdende overlegging producties (86-91);
- door [appellanten] een akte houdende overlegging producties (92);
- door RST een akte houdende in het geding brengen producties (108-113).
Aan het slot van de mondelinge behandeling is een arrestdatum bepaald. Die is nadien doorgeschoven. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
Mr. Horenblas heeft bij e-mailbericht van 12 december 2025 15:41 uur commentaar geleverd op het proces-verbaal. Mr. Latten heeft daarop gereageerd bij e-mailbericht van 19 december 2025 15:39 uur. Beide e-mailberichten zijn bij het proces-verbaal gevoegd. Eén onderdeel uit het e-mailbericht van mr. Horenblas vraagt om een korte reactie. Mr. Horenblas schrijft namelijk dat niet juist is dat in het proces-verbaal is genoteerd dat mr. Latten de zaak heeft toegelicht overeenkomstig diens pleitaantekeningen (het hof leest: spreekaantekeningen, omdat dat de titel is van het stuk). De onjuistheid zit erin (volgens mr. Horenblas) dat mr. Latten, wegens overschrijding van de spreekduur, bepaalde delen van zijn spreekaantekeningen niet heeft voorgehouden. Doordat dit niet uit het proces-verbaal blijkt, worden [appellanten] dubbel benadeeld, enerzijds doordat mr. Latten dan meer spreektijd heeft gekregen dan zij, terwijl hun anderzijds de kans is ontnomen om op bepaalde stellingen van RST te reageren, aldus mr. Horenblas.
Van enigerlei benadeling is echter geen sprake. Mr. Horenblas, die schrijft dat hij niet heeft bijgehouden welk deel van de spreekaantekeningen wel en welk deel ervan niet is voorgedragen, beschikte ter zitting over een exemplaar van die spreekaantekeningen en heeft de gelegenheid gekregen om erop te reageren (de re- en dupliek). Uit het proces-verbaal blijkt niet dat hij bij die gelegenheid kenbaar heeft gemaakt dat hij op bepaalde delen van de spreekaantekeningen niet kon reageren, omdat die niet zouden zijn voorgedragen en hij er om die reden geen kennis van had kunnen nemen. Ook in zijn e-mailreactie noemt hij geen voor [appellanten] mogelijkerwijs van belang zijnde punten uit de spreekaantekeningen van mr. Latten, waar hij in zijn beleving ter zitting niet op heeft kunnen reageren, terwijl hij dat, de spreekaantekeningen nog eens lezend, wel had willen doen. Waarom hij dan toch meent dat sprake is van benadeling wordt niet duidelijk. Aan het argument dat sprake is van benadeling doordat mr. Latten achteraf extra spreektijd krijgt, ligt alleen ten grondslag dat een deel van de spreekaantekeningen niet zou zijn voorgedragen; ook bij dit argument wordt niet geconcretiseerd dat de spreekaantekeningen stellingen/standpunten bevatten waar mr. Horenblas op had willen reageren, maar dit niet heeft gekund, omdat zij ter zitting niet ter sprake zijn gebracht. Dit argument toont de door mr. Horenblas bedoelde dubbele benadeling daarom evenmin aan.
Toegevoegd wordt nog, ten overvloede, dat de spreekaantekeningen van mr. Latten – afgezien van de toelichting en reactie op de nieuwe producties die van weerszijden bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht – veel herhalingen bevatten van wat in de processtukken al was aangevoerd.
3 De vaststaande feiten
Het tussenvonnis van 24 januari 2018 bevat in onderdeel 3 een opsomming
van vaststaande feiten (nummers 3.1 t/m 3.13). Die worden hieronder herhaald, met hier en daar een aanvulling.
RST exploiteert een containeroverslagbedrijf in de haven van Rotterdam. De aandelen van RST waren in handen van Handelsveem Beheer B.V. (hierna: Handelsveem). Tot 13 februari 2017 was [bestuurder] statutair bestuurder van RST.
RST had tot medio maart 2016 een managementteam van dertien personen. Dit managementteam kende twee hiërarchische lagen: de laag van directeuren en daaronder de laag van managers. De laag van directeuren bestond uit [bestuurder] , algemeen directeur, [appellant 1] , operationeel directeur en [directeur human resources] , directeur human resources. Tot de laag van managers behoorden o.a. [appellant 2] , controller en financieel manager, [facilitair manager] , facilitair en IT-manager, [operationeel manager] , operationeel manager en [customer relations manager] , customer relations manager.
In 2013 besloot RST tot aanschaf van een nieuw softwaresysteem, genaamd Terminal Operating System (hierna: TOS). Dit systeem zou ook worden geïnstalleerd bij de zustervennootschap van RST, Uniport Multipurpose Terminals B.V. (hierna: Uniport).
RST heeft [betrokkene 1] (destijds een goede vriend/bekende van [facilitair manager] ) als extern consultant ingehuurd om het TOS-project te begeleiden. In verband hiermee is op 2 september 2013 een Interim Management Overeenkomst gesloten tussen RST en de eenmanszaak RF Sports, vertegenwoordigd door [betrokkene 1] .
Op de facturen van RF Sports aan RST waren bankrekeningnummers vermeld die op naam stonden van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , respectievelijk een nicht en een (half)zus van [betrokkene 1] . Zij hebben deze bankrekeningen (met pas/inlogcodes) ter beschikking gesteld aan [betrokkene 1] , die vanwege een faillissement geen eigen bankrekening kon/wilde openen/gebruiken.
Op 5 augustus 2014 zijn de Interim Management Overeenkomst en de facturering overgegaan van RF Sports op Bonfide Facts B.V., toen nog in oprichting.
Bonfide Facts is opgericht op 23 maart 2015. Enig aandeelhouder en bestuurder is Bonfide Holding, eveneens opgericht op 23 maart 2015, met (in naam) [betrokkene 2] als oprichtster. [betrokkene 1] werd (feitelijk) bestuurder van Bonfide Holding. [facilitair manager] , [appellant 2] , [operationeel manager] , [appellant 1] , [customer relations manager] en [betrokkene 2] werden ieder voor 1/6 aandeelhouder van Bonfide Holding. De aandelen van [facilitair manager] , [appellant 2] , [operationeel manager] , [appellant 1] en [customer relations manager] hadden winstrecht, maar geen stemrecht. De (feitelijk door [betrokkene 1] gehouden) aandelen van [betrokkene 2] hadden winst- en stemrecht.
Het merendeel van de facturen van RF Sports en Bonfide Facts aan RST is bij RST geaccordeerd door [appellant 1] en [appellant 2] .
In het kader van een (jaarrekening)controle (eind februari 2016) door KPMG, de accountant van RST, zijn vragen gerezen met betrekking tot kosten die via de kas waren uitbetaald. Die kasbetalingen betroffen deels declaraties door/namens Bonfide Facts. KPMG heeft vervolgens betalingen op facturen aan RF Sports en Bonfide Facts gecontroleerd. Naar aanleiding hiervan heeft een intern onderzoek binnen RST plaatsgevonden. RST heeft op basis van de controle door KPMG en het intern onderzoek geconstateerd dat onregelmatige facturen waren ingediend op naam van RF Sports en Bonfide Facts.
Op 18 maart 2016 heeft [bestuurder] de toegang tot RST ontzegd aan [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] .
Op zaterdag 19 maart 2016 heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen (o.a.) [operationeel manager] , [customer relations manager] , [facilitair manager] , [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] .
[appellant 1] heeft [bestuurder] een brief gedateerd 20 maart 2016 geschreven waarin o.a. staat:
‘Allereerst nogmaals mijn welgemeende excuses voor de geleden schade door RST.
Ik ben volledig gedreven geweest door mijn zeer ernstige gokverslaving, waarvoor ik me ook ga laten behandelen […]
Daar ik de kwestie intern wil oplossen maar dan wel zonder aangifte c.q. strafvervolging, wil ik […] tot een terugbetalingsregeling / schikking komen.
De mogelijkheid is aanwezig om 200.000,- euro direct terug te storten en een restant bedrag, afhankelijk van de uitkomst van het gaande onderzoek terug te betalen over bijvoorbeeld 72 maanden. […]
Na bijna 25 jaar trouw dienstverband […] hoop ik dat u bereid bent mijn voorstel te accepteren en hierbij af te zien van verdere strafvervolging.’
Op 21 maart 2016 heeft RST ontslag op staande voet aangezegd aan [appellant 1] en [appellant 2] . In de nagenoeg gelijkluidende ontslagbrieven schrijft mr. Van ’t Zelfde als advocaat van RST aan [appellant 1] en [appellant 2] :
‘De reden(en) die tot ontslag heeft (hebben) geleid is (zijn) de volgende(n):
Afgelopen week werden er meerdere facturen aangetroffen in de financiële administratie van RST die vragen oproepen. Dat zijn facturen aan RST uitgesteld op briefpapier van Bonfide Facts en RF Sports. De – steeds voor hoge bedragen uitgestelde facturen – zien op diensten/zaken/verschotten waarvan het vermoeden was dat die niet aan RST zijn geleverd. De facturen zijn wel steeds door RST betaald.
In een persoonlijke bespreking met u op zaterdag 19 maart 2016 hebt u aan RST opgebiecht dat u tezamen met [ [appellant 2] (in de brief aan [appellant 1] ) resp. [appellant 1] (in de brief aan [appellant 2] )] en de heer [betrokkene 1] inderdaad facturen hebt uitgesteld voor niet geleverde diensten/zaken/verschotten en dat u die facturen intern tezamen met [ [appellant 2] (in de brief aan [appellant 1] ) resp. [appellant 1] (in de brief aan [appellant 2] )] hebt geaccordeerd en dat vervolgens door RST de betalingen zijn verricht […]’
Op 22 maart 2016 heeft mr. Van ’t Zelfde zich wegens belangenverstrengeling teruggetrokken als advocaat van RST.
Vanaf 22 maart 2016 heeft Deloitte Forensic & Dispute Services B.V. (hierna: Deloitte) in opdracht van (de advocaten van) Handelsveem nader onderzoek gedaan naar de facturen van RF Sports en Bonfide Facts. In het kader van dat onderzoek heeft Deloitte in een telefoon-backup op de computer van [appellant 1] een WhatsApp-groep genaamd ‘BF’ ontdekt. Deelnemers aan deze WhatsApp-groep waren [betrokkene 1] , [appellant 2] , [appellant 1] , [facilitair manager] , [customer relations manager] en [operationeel manager] . Er zijn WhatsApp-berichten gewisseld over onder meer de oprichting van Bonfide Holding en de (omschrijving en verdeling van) bij RST te declareren en gedeclareerde bedragen.
Op 24 november 2016 heeft Deloitte haar (eind)rapport uitgebracht. Dit rapport is door RST (als productie 24) bij conclusie van repliek in het geding gebracht. Het rapport vermeldt dat [appellant 1] , [appellant 2] , [betrokkene 1] en hun advocaat mr. Hammerstein op 31 augustus 2016 (een datum die ligt na die van indiening van hun conclusie van antwoord, opm. hof) inzage hebben gehad in de bevindingen en dat mr. Hammerstein in zijn reactie (op die bevindingen) meldt dat de kern van het verweer van zijn cliënten is dat niet zij, maar [bestuurder] zich op ongeëvenaarde wijze ten koste van RST heeft verrijkt, dat [bestuurder] een onjuist voorbeeldgedrag heeft vertoond, op een oneerlijke wijze leiding heeft gegeven bij RST, een graaicultuur heeft geschapen, betrokken is geweest bij andere onregelmatigheden, gedragingen liet zien waarbij normen voor fatsoen en eerlijkheid zijn verlegd, personen heeft gecompromitteerd door hen mee te laten delen in een extravagante levensstijl, waarvan de kosten ten laste van RST werden gebracht en dat hij ook betrokken was bij de onregelmatigheden van RF Sports en Bonfide Facts, waaronder het aannemen van (contant) geld van [betrokkene 1] en het laten leveren van luxe goederen en het aanpassen van declaratieomschrijvingen. Het Deloitte-rapport vervolgt dan:
‘Daar waar deze beweringen zien op RF Sports en Bonfide (en de mogelijke rol van de heer [bestuurder] daarbij) hebben wij een aantal aanvullende onderzoekswerkzaamheden verricht. […] Wij hebben op basis van de aanvullende onderzoekswerkzaamheden en beschikbare informatie geen onderbouwing kunnen vinden voor de beweringen […] aangaande de vermeende betrokkenheid van de heer [bestuurder] bij (het doen van of mogelijke onregelmatigheden) betalingen van RST aan Bonfide of RF Sports, dan wel dat de heer [bestuurder] (contant) geld heeft ontvangen van of namens de heer [betrokkene 1] […] en/of luxe goederen heeft besteld bij Bonfide en ten laste heeft laten brengen bij RST.’
Op 25 maart 2016 heeft RST ten laste van [appellant 1] , [appellant 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , Bonfide Facts en Bonfide Holding conservatoir derdenbeslag laten leggen onder een aantal banken. Ook is er beslag gelegd op vastgoed.
Naar aanleiding van de (voorlopige) bevindingen van Deloitte is namens RST en Handelsveem (op 2 juni 2016) aangifte gedaan. De Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) is daarop een strafrechtelijk onderzoek gestart. In dit onderzoek heeft de FIOD [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] als verdachten aangemerkt. Zij zijn ook strafrechtelijk vervolgd. De FIOD heeft, behalve de verdachten, ook een aantal getuigen gehoord.
Het overzichtsproces-verbaal van de FIOD van 21 november 2017, met de bijbehorende processen-verbaal en bijlagen, bevindt zich (als doorgenummerd dossier) bij de processtukken (RST, prod. 91). Het (middels een vordering ex art. 126nd Sv van 12 juli 2016 gevorderde) voorlopige rapport van Deloitte van juli 2016 (‘intern werkdocument’ / ‘concept bevindingen’) is bijlage DOC-002 bij het proces-verbaal (pag. 01294 e.v.); bijlage DOC-106 (pag. 02070) is het definitieve onderzoeksrapport van Deloitte van 24 november 2016. Ook de (door de advocaat van RST/Handelsveem op 13 maart 2017 aan de FIOD verstrekte) conclusie van dupliek van 22 februari 2017 van [appellant 2] , [appellant 1] en [betrokkene 1] (waarnaar o.m. wordt verwezen in 3.2 van het overzichtsproces-verbaal) is bij het FIOD-proces-verbaal gevoegd (bijlage DOC-163, pag. 02285). Het overzichtsproces-verbaal vermeldt onder meer (vetdruk weggelaten, opm. hof):
‘1. Inleiding
Aanleiding onderzoek en beknopte casus
[…] In de jaren 2013 – 2016 ontvangt RST 315 facturen van RF Sports [ [betrokkene 2] ], RF Sports [ [betrokkene 3] ] en Bonfide Facts [BV] via de crediteurenadministratie:
[…] In totaal betaalt RST ruim € 5.000.000 op bankrekeningen op naam van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en Bonfide Facts [BV]. Bankrekeningen waarover [betrokkene 1] beschikkingsbevoegd was. […]
Verhoren verdachten en de civiele procedure
[…] De kern van het verweer van gedaagden [appellant 1] , [appellant 2] en [betrokkene 1] in de civiele zaak komt erop neer dat niet zij, maar statutair directeur [bestuurder] zichzelf op ongeëvenaarde manier heeft verrijkt ten koste van de onderneming. […] In het strafrechtelijk onderzoek is voornoemde ‘rol’ van de heer [bestuurder] niet gebleken. Wel is naar voren gekomen dat middels een groot aantal van eerder vermelde 315 facturen van RF Sports en Bonfide Facts [BV] diensten in rekening zijn gebracht aan RST, die feitelijk niet aan RST zijn geleverd. […]’
Bij strafvonnissen van 2 juli 2020 zijn [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] veroordeeld wegens het medeplegen van valsheid in geschrifte, oplichting en (gewoonte)witwassen; [betrokkene 1] tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, [appellant 1] tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden en [appellant 2] tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. [betrokkene 1] en [appellant 1] zijn in hoger beroep gegaan; [appellant 2] niet.
Het Openbaar Ministerie is een ontnemingsprocedure gestart tegen [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] . Op voorstel van de advocaat van RST is deze procedure beëindigd om voorrang te geven aan de civiele verhaalsactie. Bij vonnis van de Rb. Rotterdam van 24 februari 2022 is de officier van justitie overeenkomstig diens verzoek niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Handelsveem heeft onderzoeksbureau Vinosi survey & investigation (hierna: Vinosi) opdracht gegeven (op 23 oktober 2017) onderzoek te doen naar de financiële schade van RST ten gevolge van de frauduleuze handelingen tussen september 2013 en maart 2016. RST heeft ‘Vinosi-rapport’ als productie 106 bij haar memorie van antwoord in het geding gebracht.
Handelsveem had (op 29 maart 2016) een jaarpolis voor een fraudeverzekering (Comprehensive Fidelity Crime Insurance) afgesloten bij Axis en Euler (hierna: Axis c.s.). Axis c.s. hebben onder deze polis op 12 december 2017 onder voorbehoud € 1.744.646,87 uitgekeerd aan Handelsveem. Handelsveem heeft in rechte een aanvullende uitkering van € 1.668.361,52 gevorderd. De Rb. Rotterdam wees die vordering af bij vonnis van 5 oktober 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:8269). De tegenvordering van Axis c.s. in reconventie tot terugvordering van het reeds uitgekeerde bedrag is in datzelfde vonnis toegewezen. Een en ander omdat Axis c.s. naar het oordeel van de rechtbank een beroep toekwam op de volgende in de polis opgenomen uitsluiting van dekking (vetdruk weggelaten, opm. hof):
‘3.3 Directors/ Partners
Loss resulting directly or indirectly from any act committed by any natural person who is a director or officer of the Insured, or the equivalent position under the laws of any jurisdiction, including any member of the supervisory board of the Insured.’
De rechtbank overwoog hierbij dat, hoewel [bestuurder] niet actief betrokken is geweest bij de bonfide-fraude, hij wel actief heeft bijgedragen aan een cultuur van exorbitante zelfverrijking binnen RST en geen actie heeft ondernomen om hier een einde aan te maken en dat deze cultuur van exorbitante zelfverrijking er indirect aan heeft bijgedragen dat meerdere managementleden samen met een externe partij hebben gefraudeerd. Daarom doet zich niet het geval voor dat de verzekerde het slachtoffer is van fraude zonder dat haar bestuurder hiervan direct of indirect een verwijt kan worden gemaakt, aldus de rechtbank, die de dekkingsweigering om die reden terecht oordeelde.
RST en Handelsveem hebben hoger beroep ingesteld tegen het in 3.23.1 bedoelde vonnis van 5 oktober 2022. Op 24 juni 2025 vond een mondelinge behandeling plaats in dit hoger beroep. De procedure is geëindigd in een dading, waarbij verzekeraars onder de fraudepolis € 3 miljoen uitkeren aan de verzekerde.
Het proces-verbaal waarin de dading is vastgelegd houdt onder meer in: ‘Wat betreft de subrogatie van Axcis c.s. in de rechten van RST c.s. jegens de fraudeurs volgen partijen de regeling neergelegd in de polisvoorwaarden tot op het betaalde bedrag.’ RST heeft bij gelegenheid van de mondeling behandeling in hoger beroep een concept voor een last en volmacht door verzekeraars voor verhaal op naam van RST in het geding gebracht. Een ondertekening door verzekeraars ontbreekt (vooralsnog) en zo ook een bevestiging door hen van het bestaan van de last en volmacht.
RST heeft met de Belastingdienst geschikt voor € 650.000 voor de ten onrechte teruggevorderde BTW over de ‘spookfacturen’.
Per 13 februari 2017 is [commissaris] (als gedelegeerd commissaris) vanuit Handelsveem op interimbasis benoemd tot statutair bestuurder van RST. [bestuurder] kreeg toen de functie van commercieel directeur van RST. [bestuurder] dienstverband is per 1 mei 2019 geëindigd. De beëindiging (met wederzijdse goedvinden) is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 26 september 2018.
Ook met (onder andere) [facilitair manager] , [customer relations manager] en [operationeel manager] – die hun ontslag hadden aangevochten – heeft RST vaststellingsovereenkomsten gesloten ter beëindiging van hun dienstverband. De aanvankelijk ook tegen hen ingestelde vorderingen heeft RST ingetrokken (zie het proces-verbaal van de zitting in de eerste aanleg van 19 september 2017).
4 De vorderingen van RST en de vonnissen van de rechtbank
Bij inleidende dagvaarding van 16 juni 2016 vorderde RST, verkort weergegeven:
-een verklaring voor recht dat gedaagden – waaronder [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] – hoofdelijk althans ieder voor zich aansprakelijk zijn voor de schade die RST heeft geleden als gevolg van, kort gezegd, de onterechte declaraties en het indienen en laten uitbetalen van valse facturen;
- een veroordeling van gedaagden hoofdelijk althans ieder voor zich tot betaling van € 3.000.000 vermeerderd met rente en kosten;
- een veroordeling tot verdere schadevergoeding, nader op te maken bij staat.
Tijdens de procedure bij de rechtbank is RST op vordering van [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] veroordeeld om de concept-rapportage van Deloitte aan hen te verstrekken (tussenvonnis van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8275).
4.3.1.1 In het nadien gewezen tussenvonnis van 24 januari 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:1038) oordeelde de rechtbank:
- dat de vorderingen van RST toewijsbaar zijn ten aanzien van de niet in de procedure verschenen gedaagden, waaronder [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ;
- dat de fraude met spookfacturen (de bonfide-fraude) kwalificeert als onrechtmatige daad;
- dat deze onrechtmatige daad aan (de wel in de procedure verschenen) [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] kan worden toegerekend en dat alle gedaagden ex art. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die RST heeft geleden door de bonfide-fraude.
4.3.1.2 Wat de omvang van de schade betreft oordeelde de rechtbank dat het door RST gestelde bedrag van € 3 miljoen als onvoldoende gemotiveerd betwist vast staat en dat aannemelijk is dat RST verdere schade heeft geleden, waarvoor een verwijzing naar de schadestaatprocedure volgde. Tevens oordeelde de rechtbank (5.26 – 5.29) dat het door [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] gestelde handelen van (destijds) algemeen directeur [bestuurder] en de door hen beweerde bedrijfscultuur, waarin het gebruikelijk was om privékosten ten laste van RST te brengen, een rol kunnen spelen bij de vraag of hun vergoedingsplicht moet worden gematigd op grond van eigen schuld als bedoeld in art. 6:101 BW.
4.3.1.3 De rechtbank heeft [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] daarom opgedragen te bewijzen dat:
(1) bij aanvang van de werkzaamheden van [betrokkene 1] in het TOS-project is afgesproken – met [bestuurder] , [appellant 1] en/of [facilitair manager] – dat [betrokkene 1] aan elk van hen, althans aan [bestuurder] € 1.500 en later € 2.000 per maand cash zou terugbetalen van wat hij van RST zou ontvangen en dat dit ook is gebeurd;
(2) bij gunning van het TOS-project aan [bedrijf] onder leiding van [facilitair manager] en met medeweten van [bestuurder] werd geregeld dat acht mensen uit het managementteam € 75.000 bij [bedrijf] mochten besteden en dat dit ook is gebeurd;
(3) [bestuurder] en [facilitair manager] zichzelf daar bovenop nog € 300.000 toebedeelden;
(4) de fraude onder leiding en op aanwijzing van [bestuurder] heeft plaatsgevonden en deze daar ook zelf van geprofiteerd heeft, althans dat direct of indirect van [bestuurder] de aanwijzingen kwamen voor de andersluidende en verhullende omschrijving op de facturen aan RST.
RST verzocht vervolgens om heroverweging van het vonnis van 24 januari 2018 en om openstelling van tussentijds appel. Deze verzoeken zijn afgewezen bij tussenvonnis van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:4198).
Op vordering (ex art. 223 Rv) van RST zijn [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] (voor de duur van het geding) hoofdelijk veroordeeld tot (tussentijdse) betaling van€ 1.500.000 (tussenvonnis van 18 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7132). Tegen dit tussenvonnis is hoger beroep ingesteld (door [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] ), maar tevergeefs; bij arrest van dit hof van 17 december 2019: ECLI:NL:GHDHA:2019:3251 volgde een bekrachtiging.
In een tussenvonnis van 15 juli 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:6849) is beslist op een door o.a. [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] ingestelde vordering ex art. 843a Rv.
Het eindvonnis is van 15 december 2021. Daarin is voor recht verklaard (voor zover van belang) dat [betrokkene 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die RST heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de bonfide-fraude en is hij hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan RST van € 3.000.000, vermeerderd met wettelijke rente en tot schadevergoeding op te maken bij staat. Die verklaring voor recht en veroordeling is er in dat vonnis ook ten aanzien van [appellanten] , maar, vanwege een geslaagd beroep op eigen schuld van RST, is hun aansprakelijkheid verminderd tot 85% van de schade van RST. Daarnaast bevat het vonnis een ten gunste van RST uitgesproken veroordeling voor de beslag- en proceskosten.
5 De beoordeling van het hoger beroep
de grieven in het principaal appel
grief 1: schending art. 21 Rv.
Grief 1, die zich richt tegen de overwegingen 5.3 van het tussenvonnis van 24 januari 2018 en 2.30 van het eindvonnis van 15 december 2021 strekt ertoe dat de vorderingen van RST worden afgewezen, of slechts worden toegewezen tot het door hen individueel behaalde voordeel. Dit vanwege een door [appellanten] gestelde schending van art. 21 Rv door RST.
Als voorbeelden van de gestelde schending van art. 21 Rv noemen [appellanten] in de toelichting op de grief onder meer:
- het verzwijgen door RST van de rol van [bestuurder] ;
- de aan RST toe te rekenen leugens van [bestuurder] over diens bekendheid met RF Sports en/of Bonfide Holding;
- de perikelen rond de verkrijging van het (concept-)rapport van Deloitte en het verborgen houden van zaken voor Deloitte, bijvoorbeeld door de opdracht te beperken tot uitsluitend de facturen van en betalingen aan RF Sports en Bonfide Facts, terwijl er ook onregelmatige betalingen hebben plaatsgevonden aan andere bedrijven, waaronder Zano en Braun Cycling;
- de beïnvloeding van getuigen of in ieder geval pogingen daartoe door RST;
- het verzwijgen door RST van de fraudeverzekering.
De grief faalt om onder meer de volgende redenen (5.1.4 t/m 5.1.13).
Voor zover [appellanten] met het verzwijgen van de rol van [bestuurder] bedoelen dat [bestuurder] betrokken is geweest bij de bonfide-fraude geldt dat daarvoor, net als in de eerste aanleg, een voldoende onderbouwing ontbreekt. Een verwijt dat die betrokkenheid is verzwegen, is dan ook onterecht. Onterecht is het verwijt ook omdat uit wat [appellanten] hebben aangevoerd niet volgt dat RST het moet hebben geweten, indien deze betrokkenheid er wel was. In dat laatste geval hadden [appellant 1] als operationeel directeur en [appellant 2] als controller en financieel manager van RST bovendien moeten beseffen dat niet alleen zij het bedrijfsbelang van RST schonden, maar dat dit ook gold voor [bestuurder] . Het is dus niet een omstandigheid die hen vrijpleit. Bij het niet melden van [bestuurder] veronderstelde betrokkenheid past dan niet een sanctie als door hen bepleit.
Wat de bedrijfscultuur van exorbitante zelfverrijking betreft, klopt het dat RST zich heeft teweergesteld tegen de aan [bestuurder] toegedichte (leidinggevende) rol daarbij en zich bovendien niet kan vinden in die door de rechtbank gebezigde kwalificatie. Dat is echter niet in strijd met het voorschrift van art. 21 Rv; bij die beschuldiging en kwalificatie gaat het niet om vaststaande feiten.
Onjuist, althans onvoldoende onderbouwd, is ook het argument van [appellanten] dat sprake is van aan RST toe te rekenen leugens van [bestuurder] . In de eerste plaats omdat uit de stellingen van [appellanten] en de door hen overgelegde stukken niet blijkt dat RST weet had van wat [appellanten] leugens van [bestuurder] noemen. Daarnaast staat niet vast dat het inderdaad om leugens gaat. Dat [bestuurder] , die dit ontkend heeft, eerder dan tijdens het fraudeonderzoek moet hebben gehoord/geweten van Bonfide Holding (als moedervennootschap Bonfide Facts) en van de omstandigheid dat vijf managementleden van RST daarvan aandeelhouder waren, volgt niet overtuigend uit wat erover door [appellanten] is gesteld en door een aantal getuigen, inclusief [appellanten] , is verklaard. Ook de door [appellanten] bedoelde verklaringen van [customer relations manager] (medeaandeelhouder van Bonfide Holding en naar tijdens het onderzoek bleek lid van de WhatsApp-groep) overtuigen niet voorzover [appellanten] erin menen te kunnen lezen dat [customer relations manager] aan [bestuurder] voorafgaande aan de oprichting van Bonfide Holding de naam van die holding heeft genoemd en hem heeft verteld dat vijf managementleden van RST (niet in het handelsregister genoemde) aandeelhouder werden van die holding, waaronder de werkmaatschappij Bonfide Facts hing, die voor de onder de aandeelhouders te verdelen voordelen zorgen. Ertegen pleiten onder meer het niet vastleggen van de beweerde instemming van [bestuurder] /RST en de verhullende wijze waarop intern te werk is gegaan. Wat [bestuurder] wel wist is dat [betrokkene 1] door RST was ingehuurd. Ook was hij (volgens zijn FIOD-verklaring) bekend met de naam Bonfide Facts, als (aan het TOS-project gekoppeld) bedrijf van [betrokkene 1] .
Anders dan [appellanten] stellen/suggereren is het overigens niet zo dat in [bestuurder] bij de inleidende dagvaarding gevoegde verklaring staat dat hij ‘nooit eerder […] van RS Sports zou hebben gehoord’; in die verklaring van [bestuurder] staat, net als in zijn FIOD-verklaring, dat hij de naam RF Sports niet kende, anders gezegd: dat deze naam hem niets zei. Dat [bestuurder] belang erbij zou kunnen hebben om bewust te liegen over zijn bekendheid met de naam RF Sports spreekt niet voor zich en volgt niet uit wat [appellanten] hebben aangevoerd. De door [appellanten] genoemde omstandigheid dat [bestuurder] een (bij een factuur van 8 november 2013 gevoegd) urenbriefje met daarop de naam RF Sports heeft goedgekeurd toont een bewust liegen over de bekendheid met de naam van die eenmanszaak niet aan. Onder verwijzing naar randnummer 191.i en ii van de memorie van grieven stellen [appellanten] verder dat [appellant 2] bij de bespreking van de maandelijkse cijfers met [bestuurder] regelmatig wees op de oplopende personeelskosten en dat ook de kosten van RF Sports en/of Bonfide Facts zijn besproken, doch dat [bestuurder] er niets mee wilde ‘vermoedelijk omdat hij zelf belang had bij het voortduren van de excessieve declaraties’. Dat laatste is echter speculatie; een andere (door [bestuurder] zelf gebezigde) verklaring is dat [bestuurder] (achteraf gebleken: ten onrechte) vertrouwen stelde in [appellanten] Overigens (i) wordt in bedoeld randnummer 191.i, anders dan in randnummer 10, gesproken over de maandelijkse bespreking ‘van de kosten van [betrokkene 1] ’ (dus niet van de kosten van RF Sports en/of Bonfide Facts) en (ii) staat in de voorlaatste zin van het ingevoegde e-mailbericht van 11 januari 2014: ‘Hierdoor is het resultaat […]% verbeterd.’, een mededeling die in het algemeen niet direct aanspoort tot ingrijpen. Dat [appellant 2] bij van [bestuurder] aandacht heeft gevraagd voor de door [appellanten] en [betrokkene 1] gepleegde fraude volgt onvoldoende uit wat [appellanten] hebben aangevoerd.
[bestuurder] goedkeuring op het urenbriefje bij de factuur van 8 november 2023 vormt evenmin een voldoende aanwijzing voor zijn betrokkenheid bij de bonfide-fraude en hetzelfde geldt voor het door [appellanten] genoemde voorbeeld van het accorderen door [bestuurder] van een (door [appellant 2] gecontroleerde) Bonfide Facts-factuur van 8 december 2014 van € 290,16 inclusief btw voor flessen wijn. Mede gelet op (i) de hoogte van het bedrag van die (door [appellant 2] gecontroleerde) factuur en (ii) de omstandigheid dat [betrokkene 1] de aan het TOS-project bestede uren mocht schrijven volgt hier evenmin uit dat [bestuurder] moet hebben geweten dat [betrokkene 1] en [appellanten] zich schuldig maakten aan een omvangrijke fraude. Dat volgt ook niet uit het door [appellanten] aangehaalde bericht van [betrokkene 4] aan [bestuurder] van 18 maart 2016 (dus toen de fraude al aan het licht was gekomen, zie hierboven 3.11), waarin staat dat [bestuurder] in december 2015 door [betrokkene 4] is gewezen op een door hem ( [betrokkene 4] ) vermoede ‘set-up’ tussen [appellant 2] , [appellant 1] en [betrokkene 1] (en mogelijk toen ook – dit is niet helemaal duidelijk op basis van het bericht – op buitensporige declaraties van en grote doorbelastingen door [betrokkene 1] , wiens houding hem ( [betrokkene 4] ) al van meet af aan niet beviel. Uit dat bericht van [betrokkene 4] volgt wellicht dat [bestuurder] te goed van vertrouwen is geweest richting zijn managementleden [appellant 1] en [appellant 2] , signalen heeft gemist en eerder had moeten ingrijpen, maar niet dat hij medepleger was van de fraude, laat staan een aanvoerder in dat verband. De stelling van [appellanten] dat sprake is van aan RST toe te rekenen leugens van [bestuurder] is al met al onvoldoende onderbouwd, ook gezien de onder 3.17.2 weergegeven opmerking in het Deloitte-rapport en de vermelding in het FIOD-proces-verbaal dat in het strafrechtelijk onderzoek niet is gebleken van de door [appellanten] aan [bestuurder] toegedichte rol (zie 3.19.2). Het bewijsaanbod dat [appellanten] op dit onderdeel hebben gedaan wordt daarom gepasseerd.
[appellanten] noemen verder de perikelen rondom het door hen in de civiele procedure verkrijgen van het concept-Deloitte rapport. Zij wijzen erop dat uit het FIOD-dossier blijkt dat de FIOD al in juli 2016 over dat conceptrapport beschikte. In het FIOD-dossier zijn inderdaad zowel het conceptrapport als het definitieve Deloitte-rapport opgenomen. De FIOD had deze rapporten middels een vordering ex art. 126nd Sv gevorderd. Uit de stellingen van [appellanten] volgt niet dat zij in het opsporingsonderzoek geen kennis hebben kunnen/mogen nemen van het concept-rapport. Meer in het algemeen blijkt niet dat zij bepaalde verweren niet (meer) hebben kunnen voeren als gevolg van de door hen bedoelde perikelen. Wat er verder van die perikelen zij, zij vormen geen schending van art. 21 Rv, geven althans geen aanleiding tot een sanctie als door [appellanten] bepleit.
Het onderzoek(srapport) van Deloitte heeft inderdaad betrekking op de bonfide-fraude. Die fraude kende een eigen opzet en structuur: [betrokkene 1] , althans diens bedrijf, verstrekte aan RST voor, opgeteld, miljoenen euro’s aan facturen voor uiteenlopende diensten/leveranties die, voor zover al (in de gefactureerde omvang) verricht/geleverd, niets van doen hadden met de begeleiding van de implementatie van het nieuwe softwaresysteem, waarvoor [betrokkene 1] was ingehuurd, en overigens ook niet met de bedrijfsactiviteit van RST. Daarbij vond afstemming plaats over (afwijkende/verhullende) factuuromschrijvingen met deelnemers van een WhatsApp-groep, onder wie (de medeaandeelhouders van Bonfide Holding:) [appellant 1] en [appellant 2] , die deze facturen vervolgens bij/voor RST goedkeurden, waarna bij RST (door [appellant 2] ) werd gezorgd voor uitbetaling door RST, veelal door overboeking van de gefactureerde bedragen op de (op die facturen vermelde) bankrekeningen van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en Bonfide Facts. Dat het door Handelsveem aan Deloitte opgedragen onderzoek zich heeft toegespitst op deze bonfide-fraude en niet (in dezelfde mate) gefocust is geweest op eventuele RST-betalingen aan andere bedrijven (op basis van mogelijk eveneens dubieuze facturen/bonnen), althans daarover door Deloitte niet is gerapporteerd, levert niet op een schending van art. 21 Rv door RST. Overigens, maar dit ten overvloede, volgt uit wat [appellanten] hierover hebben gesteld – met name dat er facturen van andere bedrijven zijn, waaronder Braun Cycling (Braun) en Zano, met een verkeerde omschrijving van hun aan RST geleverde prestatie – niet, althans onvoldoende, dat het om een met de bonfide-fraude vergelijkbare fraude ging. Dus dat het ook bij de facturen van die andere bedrijven – op een met de bonfide-fraude vergelijkbare wijze en schaal – ging om (hoog oplopende) bedragen voor in het geheel niet (of niet in de in rekening gebrachte omvang) aan RST geleverde diensten/zaken, of voor diensten/zaken die niets van doen hadden met (én de bedrijfsvoering van RST én) de prestatie die het facturerende bedrijf krachtens de onderliggende rechtsverhouding met RST zou leveren (ingeval van RF Sports/Bonfide Facts was dat de begeleiding van de implementatie van het nieuwe softwaresysteem; bij Braun: fietsen en bij Zano: kleding), waarbij dan het door die andere facturerende bedrijven onrechtmatig binnengehaalde voordeel met bij de fraude betrokken RST-managementleden werd gedeeld. Evenmin volgt eruit dat bij de opdrachten aan/bestellingen bij die andere bedrijven [bestuurder] een leidende rol heeft gespeeld (vgl. de correspondentie tussen Braun en [appellant 1] die door RST is overgelegd als prod. 55 bij akte van 19 september 2017). Dat [bestuurder] bij de FIOD heeft verklaard dat RST fietsen heeft afgenomen bij Braun, die Braun rechtstreeks aan RST heeft gefactureerd en dat, naar [bestuurder] dacht, op die facturen een omschrijving staat die niet aan fietsleveranties was gerelateerd, is geen bewijs en evenmin een voldoende aanwijzing dat [bestuurder] (namens RST) de fietsen had besteld, dat hij ook vooraf afwist van die bestellingen en/of van de niet aan de leverantie gerelateerde factuuromschrijving, laat staan dat hij die zelf had bedacht en/of doorgegeven. Wat dat laatste betreft legt ook het (als prod. 11 bij c.v.d. overgelegde) e-mailbericht van [medewerker Zano] van Zano aan [bestuurder] van 25 februari 2024 geen gewicht in de schaal; de vraag die [medewerker Zano] stelt, te weten hoe de (al dan niet met kledingbonnen gefinancierde) aanschaf van een pak/shirts (voor een relatie van RST) moet worden omschreven, impliceert niet dat [bestuurder] in dit specifieke geval een verhullende, niets met de geleverde prestatie van doen hebbende, omschrijving (voor dit relatiegeschenk) heeft bedacht, die heeft doorgegeven aan [medewerker Zano] en dat [medewerker Zano] daarop deze door [bestuurder] bedachte/doorgegeven verhullende omschrijving heeft gebruikt, laat staan dat [bestuurder] dit voortdurend deed bij Zano en andere bedrijven en daarmee een slecht voorbeeld gaf, wat overigens tegenover RST geen rechtvaardiging zou hebben gevormd voor de bonfide-fraude.
[appellanten] noemen enkele niet geslaagde pogingen tot beïnvloeding van getuigen. Ook indien die pogingen telkens in de door hen gestelde zin hebben plaatsgevonden, geven zij in de onderhavige zaak geen aanleiding om de vorderingen van RST geheel of ten dele af te wijzen. Hierbij weegt onder meer mee dat niet (voldoende onderbouwd) is gesteld en ook niet is gebleken dat bedoelde pogingen voor hen nadelig hebben uitgepakt. Dat er nog meer en/of ook wel geslaagde pogingen moeten zijn geweest, spreekt, anders dan [appellanten] menen, niet voor zich en volgt niet reeds uit de omstandigheid dat (a) de door hen genoemde mislukte pogingen er (nu eenmaal) zijn geweest, ook niet indien hierbij wordt betrokken dat (b) er meerdere getuigen zijn gehoord, (c) niet alle managementleden zijn vervolgd/veroordeeld en (d) [appellanten] de van hun lezing afwijkende verklaringen ongeloofwaardig achten. Ook die laatste omstandigheid – dus dat [appellanten] vinden dat er sommige getuigen leugenachtig hebben verklaard, levert niet een schending van art. 21 Rv op door RST.
[appellanten] hebben niet net als [betrokkene 1] c.s. gesuggereerd dat RST in een voor hen nadelige zin sturing heeft gegeven aan het FIOD-onderzoek. Ware dat anders dan was ook die beschuldiging als ongefundeerd verworpen. Zoals hiervoor vermeld beschikte de FIOD (bovendien) over de door o.a. [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] in de eerste aanleg ingediende conclusie van dupliek en heeft de FIOD wat daarin staat (aan tegenwerpingen tegen de aan hen verweten bonfide-fraude) bij het onderzoek betrokken, in het bijzonder de door hen aan [bestuurder] toegedichte rol.
Het door RST niet al in een vroeg stadium melden van de door haar moederbedrijf afgesloten fraudeverzekering vormt geen schending van art. 21 Rv. In dit verband is in de eerste plaats van belang dat de gehoudenheid tot uitkering door de verzekeraars aanvankelijk met succes is betwist. Het enkele bestaan van die verzekering deed ook niet af aan de vorderingen op appellanten, omdat de verzekeraars, ingeval van een uitkering, tot het beloop van die uitkering zouden worden gesubrogeerd. Verder is van belang dat de (hiervoor in 3.23.2 vermelde) afloop van het hoger beroep tegen het (hiervoor in 3.23.1) vermelde vonnis – dat wil zeggen de schikking en de uitkering van € 3 mln. als resultaat daarvan – niet is verzwegen. Het is ook niet zo dat RST door het bestaan van die fraudeverzekering op enig moment in de procedure niet langer actief gelegitimeerd is geweest.
[appellanten] zien in het bestaan van de fraudeverzekering (en het niet meteen melden ervan) een verklaring voor hun veronderstelling dat de rol van [bestuurder] , in tegenstelling tot hun rol, wordt gemarginaliseerd. Dit is echter speculatie. De uitkering door de verzekeraars van uiteindelijk € 3 mln. is bedoeld ter dekking van de schade als gevolg van de bonfide-fraude. [bestuurder] speelt geen rol bij die fraude. Die rol behoefde dus ook niet te worden gemarginaliseerd.
De in het voorgaande niet met zoveel woorden besproken argumenten die [appellanten] in het kader van deze grief hebben aangevoerd kunnen niet leiden tot een andere uitkomst dan dat de grief faalt.
grieven 2 en 3: onrechtmatig handelen te ruim opgevat en toegerekend
[appellanten] ontkennen niet dat zij onrechtmatig hebben gehandeld, maar menen dat de onrechtmatigheid beperkt is tot die individuele facturen waarvan wordt aangetoond dat zij die ondertekenden, accordeerden of goedkeurden terwijl zij wisten dat deze vals waren. Indien en voor zover wordt aangetoond dat zij de valse omschrijving op een bepaalde factuur afstemden met [betrokkene 1] erkennen zij aansprakelijkheid ten aanzien van die factuur voor het niet-zakelijke deel ervan. Wat hun schadeplichtigheid betreft, menen zij dat die beperkt is tot het door elk van hen individueel genoten voordeel, dat zij stellen op € 128.000 voor [appellant 1] en € 506.391 voor [appellant 2] .
Met hun tweede grief beklagen zij zich erover dat de rechtbank deze beperkingen niet in acht heeft genomen.
De grief faalt. [appellanten] gaan voorbij aan de bewuste en nauwe samenwerking die er is geweest in het kader van de bonfide-fraude en miskennen hun essentiële rol daarbij. Dat [betrokkene 1] – naast zijn declaraties van
de overeengekomen vergoedingen voor daadwerkelijk gemaakte uren in het kader van het TOS-project – op grote schaal valse facturen instuurde/afgaf volgt genoegzaam uit het Deloitte-rapport en het FIOD-onderzoek en is ook niet gemotiveerd betwist. Dit insturen/afgeven van valse facturen zou niet tot schade hebben geleid indien [appellanten] , die wisten van deze handelwijze van de door RST ingehuurde projectmanager, in plaats van eraan mee te werken, hier meteen een einde aan hadden gemaakt, de uitbetalingen aan hem hadden stopgezet en alarm hadden geslagen bij RST en Handelsveem.
De samenwerking – die het duidelijkst naar voren komt uit de WhatsApp-berichten (waarvan er enkele hierna in 5.4.2 worden aangehaald) en door [appellanten] (naar aanleiding van die WhatsApp-berichten) tot op zekere hoogte is erkend – vindt steun in bijvoorbeeld de FIOD-verklaring van [medewerker RST] (administratief medewerkster bij RST), die de onderlinge relatie tussen [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] als erg close omschrijft. Over de facturen van RF Sports en Bonfide Facts zegt zij in bedoelde verklaring: ‘Het begon met het TOS project. Later kwamen er facturen binnen voor uiteenlopende diensten. Het viel mij op dat het substantiële bedragen waren.’ En verderop: ‘De facturen van RF Sports en Bonfide Facts kwamen voor zover ik weet niet per post binnen, maar via [appellant 2] . Hij had deze facturen gekregen van [betrokkene 1] [die blijkens haar verklaring werkzaam was op de vierde verdieping, maar ook enige tijd bij [appellant 2] samen op de vijfde verdieping heeft gezeten, toev. hof]. Het waren ook altijd facturen zonder vouw […] Al deze facturen [van RF Sports en Bonfide Facts, toev. hof] kwamen altijd als eerste binnen bij [appellant 2] , hij en [appellant 1] controleerden de facturen van RF Sports en Bonfide Facts en gaven deze dan weer aan mij […] Uitzondering hierop waren de facturen van de uren van [betrokkene 1] op het TOS project. Deze facturen moesten ter controle naar de heer [facilitair manager] .’
Dat van [appellanten] had mogen worden verwacht dat zij zich verre hielden van de frauduleuze handelingen en er een eind aan maakten, geldt temeer vanwege hun hoge functies binnen het bedrijf (respectievelijk operationeel directeur en controller en financieel manager), op basis waarvan van hen betrouwbaarheid, integriteit en loyaliteit mocht worden verwacht. Dat vertrouwen hebben zij in ernstige mate geschonden en dat mag hun zwaar worden aangerekend door hun werkgever RST. De schade die erdoor ontstond was voorzienbaar en is ten volle toerekenbaar. Ook grief 3 faalt.
grief 4: hoofdelijke aansprakelijkheid
In de toelichting op hun vierde grief maken [appellanten] bezwaar tegen het door de rechtbank aannemen van groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW). Naar hun mening heeft de rechtbank hun gedragingen en die van [betrokkene 1] ten onrechte ‘vereenzelvigd’. ‘Er zijn facturen door [appellant 2] ondertekend waar [appellant 1] niet bij betrokken was, er zijn facturen ondertekend door [appellant 1] waar [appellant 2] [niet] bij betrokken was, er zijn facturen ondertekend waarvan noch [appellant 2] , noch [appellant 1] wisten dat er iets mis mee was, en er is afgestemd door de één waar de [ander] geen weet van had.’, aldus [appellanten] , die verder vinden dat de rechtbank teveel betekenis heeft toegekend aan hun hoedanigheid van medeaandeelhouder in Bonfide Holding en weliswaar verwijst naar WhatsApp-berichten maar niet specificeert welke. Ook konden zij naar hun zeggen niet vermoeden dat het aan hen verweten handelen zou resulteren in een schade als door RST gesteld.
De grief faalt. De vraag of sprake is geweest van een groep in de zin van art. 6:166 BW kan in deze zaak beperkt blijven tot [appellant 1] , [appellant 2] en [betrokkene 1] . Voor het antwoord op bedoelde vraag is dus niet beslissend of alle (zes) aandeelhouders van Bonfide Holding tezamen zo’n groep vormden. Wel kan in dit verband betekenis worden toegekend aan die holding (het winstdelingsdoel ervan volgens de conclusie van antwoord punt 115) en het (bedekte) aandeelhouderschap erin (van [appellanten] en de (drie) andere RST-managementleden). Ook de tijdens het Deloitte-onderzoek gevonden WhatsApp-berichten ondersteunen het door RST gestelde groepsverband tussen [appellanten] en [betrokkene 1] . Zie – bijvoorbeeld – de volgende in prod. 72 bij akte van RST van 19 september 2017 weergegeven berichten: bericht 555 [betrokkene 1] : ‘we verzinnen morgen wel een omschrijving’; berichten 629 t/m 633, eindigend met [betrokkene 1] : ‘ik gooi er 3000 op ok.’; bericht 647 [appellant 2] aan [betrokkene 1] : ‘is nu rustig voor die bonnen’, bericht 649 van [betrokkene 1] aan [appellant 2] : ‘ok ik ga ze zo gelijk doen’; bericht 650 van [betrokkene 1] : ‘We hebben 224050 netto is 448100 – 30000 fam dag, + 46000 / 36 mnd = 12982,- per maand. Klopt dit?’; bericht 653 van [betrokkene 1] : ‘Ik denk dat we gedurende het jaar moeten kijken waar we in kunnen lopen. Want als jij om wat voor reden dan ook er niet meer bent. Niemand weet hier van.’; bericht 654 van [appellant 2] : ‘Ja enkel [appellant 1] ’; bericht 697 van [appellant 2] : ‘En ik zeg wel dat overtime zeer lastig is als deze stijgt en we deze aan [naam 2] en [bestuurder] moeten verklaren’; bericht 740 van [betrokkene 1] : ‘Morning [appellant 2] . Kan jij alvast met [appellant 1] overleggen welke omschrijvingen ik kan gebruiken!!’. Zie ook (mede met betrekking tot de verdeling van de met de facturen aan RST onttrokken extra’s) (i) het WhatsApp-gesprek van 9 augustus 2014 tussen [betrokkene 1] en [appellant 2] over de kosten van een ‘tos vakantie’ van [betrokkene 1] (nr. 144, prod. 72 bij akte van 19 september 2017 van RST): [betrokkene 1] : ‘We kunnen het op bonfide zetten of we doen het met zijn 2tjes’ […] ‘Maar dan moet jij hem tekenen. Anders gaat het door 6n beetje jammer zou jammer zijn. […]’ en (ii) de in randnummer 27 van de inleidende dagvaarding aangehaalde berichtenwisseling over de door [customer relations manager] als ‘crimineel’ geduide mededeling van [appellant 1] op 13 november 2014: ‘Guys ik heb [naam 1] gevraagd of ze € 40.000 vanuit de pv kunnen bijdragen aan de familiedag. Verdienen we er met bonfide nog meer aan als ze akkoord gaan.’
Een gemotiveerde betwisting van het door RST met onder meer dit soort WhatsApp-berichten onderbouwde groepsverband ontbreekt. Als gemotiveerde betwisting kan niet gelden dat het (volgens [appellanten] ) niet te doen was om elke factuur van de stapels facturen kritisch te beoordelen. Vanwege hun bekendheid met het feit dat [betrokkene 1] hen (ook) valse facturen verstrekte hadden zij per direct het goedkeuren en doen uitbetalen van zijn facturen moeten staken in plaats van daarmee door te gaan tot de fraude aan het licht kwam. Het is overigens niet zo dat de rechtbank [appellanten] en [betrokkene 1] , althans hun gedragingen, heeft vereenzelvigd. Die vereenzelviging is ook niet nodig voor een succesvolle actie op grond van groepsaansprakelijkheid. Bij groepsaansprakelijkheid gaat het niet om vereenzelviging, maar om het toerekenen van een schadeveroorzakende gebeurtenis aan meerdere deelnemers aan een groep. [appellant 1] en [appellant 2] vervulden vanuit hun functie bij RST elk een belangrijke rol bij het met succes laten verlopen van de bonfide-fraude en bij het laten voortduren ervan. Zij behoorden te begrijpen dat de schade die door deze fraude zou ontstaan niet beperkt zou blijven tot het persoonlijke voordeel dat zij er achteraf mee menen te hebben behaald, reeds niet omdat zij er niet van konden uitgaan dat [betrokkene 1] , de leverancier van de valse facturen, er niets mee wilde verdienen. Dat het door misdrijf genoten voordeel veelal niet gelijk is te stellen aan het met dat misdrijf teweeggebrachte nadeel mag bovendien bekend worden verondersteld bij [appellanten] , die bijvoorbeeld voorbijgaan aan de kosten die gemoeid zijn geweest met het in kaart brengen van de fraude.
Kortom, net als in de eerste aanleg wordt in hoger beroep uitgekomen op een hoofdelijke aansprakelijk voor de door RST geleden schade.
grief 5 omvang van de schade ten onrechte vastgesteld op minimaal € 3 miljoen.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen (en in het eindvonnis
herhaald) dat zij van de door RST gestelde schade een bedrag van € 3.000.000 als vaststaand beschouwt en dat voor de verdere schade een verwijzing naar de schadestaatprocedure dient te volgen.
Hiertegen richt zich de vijfde grief.
De grief treft om onder meer de volgende redenen geen doel. Dat RST schade heeft geleden als gevolg van de bonfide-fraude staat vast. Dat vonden kennelijk ook de verzekeraars. In het door RST bij memorie van antwoord in het geding gebrachte Vinosi-rapport staat hierover, voor zover van belang:
‘After the data and the RST Excel spreadsheet, specifying all the phantom invoices by RFS and Bonfide, had been reviewed by [deskundige] Adjusting in London, acting for the Commercial Crime Insurers, [naam 3] confirmed to HV, on 30 November, 2017, that, based on [deskundige] ’s findings, the insurers provided cover and were prepared to grant HV an interim payment of EUR 2,744,646.87.
That amount equalled the net total (excluding 21% VAT) of the (majority of) RFS/Bonfide invoices marked in red on RST’s Excel spreadsheet, to the extent that they had, to the insurers’ satisfaction, been proven to be fraudulent.’
Het in dit citaat genoemde bedrag van € 2.744.646,87 staat als eerste schadepost (met de omschrijving ‘als frauduleus beoordeeld op basis van RST-roodlijst’) in de door RST als productie 107 overgelegde schadeopstelling, die uitkomt op een totaal van ruim € 6,5 miljoen. In het bedrag van € 2.744.646,87 zitten bijvoorbeeld geen onderzoekskosten, althans is dat gesteld noch gebleken. Dat die onderzoekskosten in deze zaak gedekt zijn met het door de verzekeraars uiteindelijk uitgekeerde bedrag van € 3 miljoen (dus met het verschil tussen € 3 mln. en € 2.744.646,87 = € 255.353,13, of desnoods het in de gevoegde zaak in dit verband genoemde bedrag van € 3 a 4 ton) is gelet op de aard en omvang van het onderzoek niet aannemelijk te achten (RST zelf noemt in bedoelde schadeopstelling een bedrag van ruim € 1.7 miljoen aan onderzoekskosten), terwijl evenmin kan worden gezegd dat de onderzoekskosten in redelijkheid slechts tot dat bedrag van € 255.353,13 (of € 3 a 4 ton) voor verhaal op de fraudeurs in aanmerking komen. Dit betekent dat, zelfs indien het totaalbedrag dat met de valse/spookfacturen aan RST is onttrokken beperkt is tot het door verzekeraars erkende bedrag van € 2.744.646,87 (exclusief btw), de totale voor verhaal in aanmerking komende schade het onder de fraudeverzekering (onder aftrek van het eigen risico) uitgekeerde bedrag van € 3.000.000 overstijgt. Dit geldt temeer als andere, niet gemotiveerd betwiste, posten uit de schadeopstelling worden meegenomen, zoals het aan de belastingdienst betaalde bedrag van € 650.000.
Ook als RST nog steeds niet beschikt over een last en volmacht van de verzekeraars leidt de uitkering van € 3.000.000 daarom niet tot afwijzing van de door haar gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde veroordeling tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Anderzijds kan niet (nu al) worden vastgesteld dat haar voor vergoeding in aanmerking komende schade ten minste (het door RST in hoger beroep gevorderde bedrag van) € 3.000.000 hoger ligt dan het van de (gesubrogeerde) verzekeraars ontvangen bedrag.
Ten aanzien van het daarin aan RST reeds toegewezen schadebedrag, waarvoor
hetzelfde geldt, kan om die reden geen bekrachtiging volgen van het bestreden eindvonnis, dat daarom op dat punt wordt vernietigd. Voor een nadere vaststelling van de totale (aan RST te vergoeden) schadeomvang volgt een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Daarin kan dan ook worden bezien of de verzekeraars inmiddels een last en volmacht ter incasso aan RST hebben verstrekt.
Als voldoende gemotiveerde betwisting dat met de bonfide-fraude ten minste het door de verzekeraars erkende bedrag van ruim € 2.7 miljoen (exclusief btw) aan RST is onttrokken kan niet gelden het (in nr. 28 van de spreekaantekeningen van hun advocaat van 28 november 2025 bedoelde) commentaar van [appellanten] in hun memorie van grieven (80 -154) (onder verwijzing naar producties 82 - 85) en in hun memorie van antwoord in incidenteel appel (40-46). Het commentaar in laatstbedoeld processtuk betreft (vooral) de (in het Vinosi-rapport bedoelde) facturen van La Sicilia, waarover RST heeft gezegd dat die een voorbeeld vormen van een door [appellanten] gepleegde fraude binnen de bonfide-fraude, waarmee [appellanten] het niet eens zijn. Uit de schadeopstelling van RST (productie 107) blijkt echter dat de La Silicia-facturen geen onderdeel uitmaken van eerdergenoemd bedrag van € 2.744.646,87.
Het commentaar van [appellanten] in de memorie van grieven (de ‘factuuranalyse’) bevat als tussenconclusie in nr. 152 dat niet wordt betwist dat RST, als gevolg van het voldoen van facturen met een niet-zakelijk karakter, een totale schade heeft geleden van € 1.792.792,43 inclusief btw. Een heldere toelichting/overzichtelijke optelsom bij dit bedrag ontbreekt overigens, is althans niet meteen te vinden. Wel is (mede gelet op de in het FIOD-dossier genoteerde bevindingen) duidelijk dat hun betwisting van meerdere (onterecht) gefactureerde en uitbetaalde bedragen onvoldoende is gemotiveerd. Dat geldt – als voorbeeld – voor: (i) de betwisting (bij gebrek aan wetenschap en onder verwijzing naar een niet gebleken afspraak tot verdubbeling van buiten-contractueel berekende overuren) van een deel van de als overtime gefactureerde bedragen; (ii) de betwisting (bij gebrek aan wetenschap) van een deel van de bedragen bij de post reizen; (iii) de niet overtuigende betwisting van kostencategorieën als geheel, waaronder de categorieën ‘materialen en artikelen’, ‘incentive Zano’ (de via [betrokkene 1] gelopen facturen), ‘sponsoring’ (de dinerdeclaraties, waaronder mogelijk de door RST bedoelde nota voor het diner ter gelegenheid van het oprichtingsfeest van Bonfide Holding) en (iv) de betwisting van ADO-facturen. Wat die ADO-facturen betreft – de (met instemming van [appellant 1] ) aan RST doorbelaste huur en de overige posten met betrekking tot de door [betrokkene 1] /Bonfide Facts gehuurde ADO-box – gaat niet op het argument van [appellanten] dat iedereen bij RST wist dat op haar kosten een ADO-box werd gehuurd. Bijvoorbeeld de getuige [getuige 1] , aan wier verklaringen door [appellanten] veel gewicht wordt toegekend, wist er volgens haar verklaring van 11 september 2019 niet van. [getuige 2] ook niet. En de betwiste bewering dat [bestuurder] ervan afwist, ermee instemde en er zelf kwam, mist een voldoende onderbouwing. Dat er wel andere RST medewerkers en relaties in de door [betrokkene 1] /Bonfide Facts gehuurde box kwamen en er een of meer reclame-uitingen hingen van/voor RST, het bedrijf dat [betrokkene 1] had ingehuurd, is geen voldoende grond voor de doorbelasting/facturatie. Los hiervan zijn er (met de 52 ADO-facturen) veel meer/hogere bedragen met betrekking tot de ADO-box aan RST in rekening gebracht (in totaal € 840.461 inclusief btw) dan [betrokkene 1] (Bonfide Facts) zelf heeft moeten betalen (zie bijv. pag. 000019 van het FIOD-dossier). [facilitair manager] noemde het bedrag (van ruim € 840.000) onrealistisch. [betrokkene 1] heeft overigens erkend voordeel te hebben genoten met betrekking tot de ADO-box, zij het tot het door hem genoemde bedrag van € 127.182.
Opgemerkt wordt nog dat voor zover [appellanten] hun betwistingen baseren op de opstelling van [customer relations manager] en [operationeel manager] deze overtuigingskracht missen, reeds omdat [customer relations manager] en [operationeel manager] samen met o.a. [appellanten] en [betrokkene 1] in de WhatsApp-groep zaten.
Kortom: de juistheid van het door [appellanten] erkende bedrag van € 1.792.792, 43 (inclusief btw) kan niet worden aanvaard. Los hiervan hebben [appellanten] niet voldoende gemotiveerd betwist dat er nog verscheidene andere schadeposten zijn, waaronder de onderzoekskosten.
Het (door de verzekeraars erkende) schadebedrag van € 2.744.646,87 wegens uitbetaling van spookfacturen is exclusief btw, terwijl die uitbetaling door RST inclusief btw was. Die btw heeft zij kennelijk teruggevorderd, maar na het uitkomen van de fraude heeft zij aan de belastingdienst moeten betalen. [appellanten] , die de belastingschade bij memorie van grieven slechts bij gebrek aan wetenschap hadden betwist, hebben het door RST bij memorie van antwoord genoemde (en in de schadeopstelling vermelde) schikkingsbedrag (€ 650.000) en de betaling ervan vervolgens niet meer gemotiveerd bestreden. Voor zover zij hebben bedoeld te betwisten dat dit schade is, is ook die betwisting onvoldoende gemotiveerd.
Naar aanleiding van het argument van [appellanten] dat RST facturen geheel of ten dele heeft doorbelast aan Uniport en dat RST daarom in zoverre geen schade heeft geleden in verband met die facturen, heeft RST gesteld dat de interne doorbelasting is teruggedraaid en dat zij (wat ook wel voor de hand ligt) voor zover nodig last en volmacht heeft verkregen van haar zustervennootschap Uniport om op eigen naam vergoeding van de schade te vorderen. Een en ander is door [betrokkene 1] c.s. niet gemotiveerd betwist, reden waarom wordt voorbijgegaan aan bedoeld argument.
Het verweer van [appellanten] dat zij niet aansprakelijk zijn voor de schade die RST als gevolg van hun onrechtmatig handelen heeft geleden, maar slechts tot de hoogte van het door henzelf genoten voordeel is, als gezegd, ongegrond. Ongegrond is ook hun standpunt dat hun verplichting tot schadevergoeding nooit verder kan gaan dan het schadebedrag van € 2.625.000 dat in de tenlastelegging is genoemd; RST is vrij om haar werkelijk geleden schade te vorderen en is daarbij niet gebonden aan het in de tenlastelegging genoemde bedrag, dat overigens is weggelaten in de bewezenverklaring.
grief 6: (te laag) percentage van eigen schuld
[appellant 1] c.s beklagen zich erover dat de rechtbank hun vergoedingsplicht met slechts 15% heeft verminderd. In de toelichting op de grief wijden zij uit over wat [bestuurder] volgens hen heeft gedaan en nagelaten. Volgens hen gaf hij leiding aan wat de rechtbank typeerde als een bedrijfscultuur van exorbitante zelfverrijking en zijn zij daarin meegesleurd.
Wat die bedrijfscultuur betreft is in de gevoegde zaak door [betrokkene 1] aangevoerd dat deze het mooiste is samengevat door getuige [getuige 1] (in haar verklaring van 11 september 2019): ‘ja alles wat je nodig had, dat werd gewoon geregeld. Je kan het zo gek niet bedenken, maar het werd geregeld. Auto’s, keukens, verbouwingen, als je ging scheiden de advocaten, concertkaarten, alles werd geregeld.’ Een ander, door [appellanten] zelf aangehaald, citaat uit haar eerdere verklaring (van 25 maart 2019) is: ‘De bedrijfscultuur van RST was er een van een familiebedrijf. Als jij goed was voor de zaak dan werd je daarvoor beloond. Als iemand ging verhuizen dan had RST liever niet dat je vrij nam en dan stuurde ze [bedrijf] .’
Voor zover al deze beschrijvingen door de getuige [getuige 1] – die overigens ook heeft verklaard dat zij mensonterend is behandeld bij de afwikkeling van haar dienstverband – een juiste weergave/samenvatting vormen van de cultuur/gang van zaken binnen RST, ontbreekt een causaal verband met de bonfide-fraude. Een rechtvaardiging/vergoelijking ervoor valt er evenmin aan te ontlenen. Het ‘als je zaken nodig had’ of het door RST loyaal/royaal zijn aan/voor het personeel waarvan veel wordt verwacht kan niet op één lijn worden geplaatst met bijvoorbeeld (i) het door een voor ICT-diensten ingehuurde consultant ( [betrokkene 1] ) bij de in-huurder (het Rotterdamse RST) in rekening brengen van in totaal € 840.461 incl. btw voor een door die consultant (op eigen naam, althans die van diens onderneming Bonfide Facts) gehuurde ADO-box, of (ii) het structureel en op grote schaal declareren/bijschrijven en laten uitbetalen van bedragen voor niet daadwerkelijk geleverde diensten/prestaties, waarbij het netto-voordeel dan (‘eerlijk’) werd gedeeld met bij de fraude betrokken managementleden. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat de schade die RST lijdt en heeft geleden door de bonfide-fraude mede een gevolg is van een omstandigheid die aan RST is toe te rekenen.
Herhaald wordt verder uit het arrest van 30 januari 2024 (rov. 5.14) dat [appellanten] ten opzichte van RST geen derden waren; het was hun werkgever. Zelfs indien er onder leiding van [bestuurder] een bedrijfscultuur van exorbitante zelfverrijking heerste hadden zij zich ervan bewust moeten zijn, eens te meer vanwege hun positie, dat [bestuurder] niet handelde in het belang van de vennootschap en dus niet binnen zijn bevoegdheden. Een beroep op eigen schuld is dan ook niet op zijn plaats. Als er binnen RST al een ‘graaicultuur’ heerste bracht hun functie mee dat [appellanten] daar een eind aan maakten. Ook een slecht voorbeeldgedrag van en een slecht toezicht door [bestuurder] zou hun aansprakelijkheid voor de met de fraude aan RST toegebrachte schade niet opheffen.
Wat er verder in de toelichting op de grief is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel luiden dan in 5.6.2. Daarover – slechts ten overvloede – nog het volgende (5.6.4.1 t/m 5.6.5.9)
5.6.4.1 De klacht van [appellanten] over het door de rechtbank niet bewezen achten van de bewijsonderdelen 1 en 3 is ongegrond. Bewijsonderdeel 1 gaat over de gestelde kasbetalingen aan [bestuurder] en bewijsonderdeel 3 over een bedrag van € 300.000 dat [bestuurder] zich zou hebben toebedeeld.
5.6.4.2 Tegenover de betwisting ervan is er ook in hoger beroep geen voldoende overtuigend bewijs dat de betalingen met [bestuurder] zijn afgesproken, of zijn instemming hadden en aan hem of met medeweten van hem zijn gedaan. Als voldoende (aanvullende) aanwijzing (naast de verklaringen van [betrokkene 1] en [appellant 1] en het door [betrokkene 1] opgestelde overzicht van betalingen) kan niet gelden dat er betalingen zijn gedaan aan [facilitair manager] , die [betrokkene 1] bij RST had geïntroduceerd. Voor de WhatsApp-conversatie tussen [appellant 2] en [betrokkene 1] (over het dubbel declareren) geldt hetzelfde: geen overtuigend (aanvullend) bewijs. En dat [appellant 2] – die bij gelegenheid van zijn RC-verhoor op 19 november 2020 nog niets kon verklaren met betrekking tot dit onderdeel van de bewijsopdracht – op 8 juni 2022 bij zijn RCH-verhoor, verklaard heeft dat hij na verloop van tijd gehoord heeft dat [appellant 1] (verklaard heeft dat hij) € 1.500 per maand van [betrokkene 1] zou krijgen en dat [facilitair manager] en [bestuurder] dit ook kregen, draagt evenmin in voldoende mate bij aan bedoeld bewijs.
Voldoende overtuigend bewijs voor de stelling dat [bestuurder] zichzelf een bedrag van € 300.000 heeft toebedeeld ontbreekt evenzeer. De door [appellanten] verzochte herbeoordeling van wat zij hebben aangevoerd leidt dan ook niet tot een ander oordeel.
5.6.5.1 Geklaagd is door [appellanten] over het door de rechtbank niet bewezen achten dat de bonfide-fraude heeft plaatsgevonden onder leiding en op aanwijzing van [bestuurder] , althans dat van hem de aanwijzingen kwamen voor de andersluidende en verhullende omschrijvingen op de aan RST verstrekte facturen. De rechtbank overwoog hierbij (rov. 2.20 van het eindvonnis) dat alleen de partijgetuigen [betrokkene 1] , [appellant 2] en [appellant 1] hierover verklaren en dat hun verklaringen niet worden ondersteund door aanvullend bewijs. [appellanten] vinden dat de rechtbank te hoge eisen heeft gesteld aan het aanvullend/ondersteunend bewijs. Zij gegeven vervolgens een opsomming van wat als aanvullend bewijs kan dienen. Die opsomming bevat echter geen vaststaande of aannemelijk te achten feiten of omstandigheden die dermate sterk zijn en zodanige essentiële punten betreffen dat zij de verklaringen van [appellanten] en van [betrokkene 1] geloofwaardig maken.
5.6.5.2 Dat [appellant 2] maandelijks de cijfers, waaronder de personeelskosten en de kosten van [betrokkene 1] in het bijzonder, met [bestuurder] besprak en dat dit voor [bestuurder] nooit reden was om in te grijpen, maakt van [bestuurder] niet een mede fraudeur. Als gezegd is ook onaannemelijk dat [appellant 2] heeft aangedrongen op ingrijpen om zo een einde te maken aan zijn frauduleuze handelingen in het kader van de bonfide-fraude. Hiervoor is er al op gewezen dat de mededeling over het verbeterde resultaat in het door [appellant 1] gekopieerde e-mailbericht niet direct aanspoort tot ingrijpen.
5.6.5.3 Met betrekking tot het WhatsApp-bericht van [betrokkene 4] aan [bestuurder] van 18 maart 2016 (dus van na de ontdekking van de fraude) wordt verwezen naar wat daarover in 5.1.7 is gezegd. Terzijde: [betrokkene 4] schrijft in diens door [appellanten] geciteerde bericht over een door hem vermoede ‘set-up’ tussen [appellant 2] , [appellant 1] en [betrokkene 1] . De naam [bestuurder] noemt hij niet in dat verband.
5.6.5.4 De actieve houding van [bestuurder] , waarover [appellanten] spreken naar aanleiding van de door hen geciteerde toelichting van mevrouw [naam 4] (de (voormalig) advocaat van [customer relations manager] , [operationeel manager] en [facilitair manager] , opm. hof) koppelt hem evenmin aan de bonfide-fraude. Die actieve houding zou er zijn geweest naar aanleiding van kritische vragen van KPMG. Het is geen voldoende aanwijzing voor deelname aan of wetenschap en goedkeuring van de fraude.
5.6.5.5 De verklaringen [getuige 3] en [getuige 4] dat er een door [betrokkene 1] gekocht Daytona Platina horloge van € 67.000 aan (een) [bestuurder] is geleverd overtuigen niet als weerlegging van wat [bestuurder] hierover zelf heeft verklaard, te minder tegen de achtergrond van de eigenaardigheden waar RST in dit verband op heeft gewezen (zie o.m. randnummers 116 en 117 van de memorie van grieven in incidenteel appel van RST). Het, wat [appellanten] noemen, gedraai en gekronkel van [customer relations manager] en [operationeel manager] als zij over hun horloges verklaren, draagt niet bij aan het bewijs van betrokkenheid van [bestuurder] bij de bonfide-fraude. Hetzelfde geldt voor het door [appellanten] geciteerde WhatsApp-bericht van [betrokkene 1] aan [appellant 2] dat hij 1.200 heeft betaald voor ‘de restauratie van de cartier van [bestuurder] ’ en dat [appellant 2] ‘dus 2400 moet bijschrijven’. Dat [betrokkene 1] dit heeft gezegd betekent niet dat hij inderdaad in opdracht van [bestuurder] een cartier-horloge (van [bestuurder] ) heeft laten repareren en daarvoor heeft betaald. De instructie tot bijschrijven vormt wel een bevestiging voor de door RST gestelde werkwijze en samenwerking (van in dit geval [betrokkene 1] en [appellant 2] ) in het kader van de bonfide-fraude.
5.6.5.6 Hiervoor in 5.1.7 is overwogen dat het accorderen door [bestuurder] van een (door [appellant 2] gecontroleerde) Bonfide Facts-factuur van 8 december 2014 van € 290,16 inclusief btw voor flessen wijn geen voldoende aanwijzing is voor zijn betrokkenheid bij de bonfide-fraude. Bewijs dat in opdracht of met instemming van [bestuurder] door [betrokkene 1] dure wijnbestellingen werden gedaan (die dan vervolgens met een al dan niet opgepluste factuur bij RST in rekening werden gebracht) is er niet en volgt niet uit de verklaring van getuige [getuige 5] dat hij door [betrokkene 1] bestelde wijn bezorgde bij de ADO-box, waar hij werd voorgesteld aan de mannen van RST. Dat [bestuurder] tot die (daar aanwezige) mannen van RST behoorde heeft [getuige 5] niet verklaard. De te bewijzen aangeboden stelling dat het gebruikelijk was dat ‘er wijn via derden, [betrokkene 1] in het bijzonder, bij RST werd geleverd’ is, mede tegen de achtergrond van wat [getuige 5] als getuige heeft verklaard, te vaag om daaruit een betrokkenheid van [bestuurder] af te leiden. Dat er door de mannen uit de WhatsApp-groep dure wijnen werden besteld staat ook op basis van WhatsApp-berichten voldoende vast en behoeft niet te worden bewezen.
5.6.5.7 Over de door de rechtbank bewezen geachte afspraak over het potje van € 75.000 dat bij [bedrijf] kon worden besteed erkennen [appellanten] dat dit voordeeltje voor [bestuurder] op zichzelf geen sluitend bewijs vormt voor zijn betrokkenheid bij de bonfide-fraude. Het maakt die betrokkenheid volgens hen wel aannemelijk. Die aannemelijkheid spreekt echter niet voor zich en is verder niet toegelicht.
5.6.5.8 [appellanten] noemen verder de cultuur van exorbitante zelfverrijking. Daarover is hiervoor al het nodige gezegd. Een causaal verband met de bonfide-fraude ontbreekt.
5.6.5.9 Tot slot noemen [appellanten] het WhatsApp-bericht van 5 mei 2015 van [betrokkene 1] aan [appellant 2] :
‘Ik had [appellant 1] nog gesproken over de facturen en hij en [facilitair manager] zeiden dat ik ook via
overtime moet goedmaken anders worden andere dingen ook te opvallend of zo bla
bla. (...) Ik moet nu weer bijna 25K bijschrijven voor [bestuurder] […]’
Los van het feit dat niet is geconcretiseerd voor welke diensten/leveranties er 25K ‘moet worden bijgeschreven’, staat er ‘voor [bestuurder] ’ en niet (bijvoorbeeld) ‘in opdracht van [bestuurder] ’. [appellant 1] gaan bovendien voorbij aan het vervolg van het (op pag. 2263 van het FIOD-dossier) weergegeven gesprek, waarin [appellant 2] zegt: ‘En ik zeg wel dat overtime zeer lastig is als deze stijgt en we deze aan [naam 2] en [bestuurder] moeten verklaren.’ Dit laatste bericht pleit tegen [bestuurder] betrokkenheid bij (en instemming met) de frauduleuze handelingen. Dat die betrokkenheid er niet is geweest was, als gezegd, ook de uitkomst van het onderzoek van Deloitte en van de FIOD. Ook daar gaan [appellanten] aan voorbij.
[appellanten] bepleiten dat vanwege [appellant 1] gokverslaving de schade voor rekening van RST wordt gelaten. Ook dat pleidooi wordt verworpen. [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat zijn gokverslaving is begonnen toen hij 16/17 jaar was. Kennelijk heeft deze verslaving niet in de weg gestaan aan een succesvol verloop van zijn carrière, waarin hij operationeel directeur bij RST werd. Uit zijn stellingen volgt niet dat hij door zijn gokverslaving onder zodanig zware druk heeft gestaan dat hij geen andere keuze had dan het begaan van misdrijven, in casu meedoen aan de fraude, laat staan dat RST hier redelijkerwijs op bedacht had moeten zijn en hem zijn bevoegdheden had moeten ontnemen. In het strafproces is kennelijk (ook) geen overmacht aannemelijk geacht.
Het door [appellant 1] / [appellant 2] als productie 86 overgelegde e-mailbericht van [appellant 2] werpt geen nieuw licht op de zaak en geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Dat er bij RST en Handelsveem mogelijk eerder aandacht had kunnen worden geschonken aan de omstandigheid dat er veel geld ging naar de voor ICT-diensten ingehuurde projectmanager en dat de frauduleuze handelingen van [appellanten] dan wellicht eerder ontdekt had kunnen worden door RST/Handelsveem is een constatering achteraf. Wie er bij RST van meet af aan weet hadden van de fraude (en die dus niet behoefden te ontdekken) waren [appellanten] zelf. Overigens zien [appellanten] eraan voorbij dat zij geen grief hebben gericht tegen overweging 5.11 van het tussenvonnis van 24 januari 2018, waarin staat dat uit de eigen stellingen van [appellanten] en [betrokkene 1] volgt dat zij wisten dat Handelsveem niet van de fraude op de hoogte was.
De conclusie is dat grief 6 faalt.
het bewijsaanbod
Het bewijsaanbod wordt als niet ter zake doende gepasseerd.
Zie voor de gestelde bekendheid van [bestuurder] met RF Sports e.a. 5.1.6, voor het gestelde doorbelasten aan Uniport 5.5.5, voor de gestelde beïnvloeding van getuigen 5.1.10 en voor de levering van dure wijnen 5.6.5.6.
Ook meer in het algemeen geldt dat de bewijsaanbiedingen die ertoe strekken de aan [bestuurder] toegedichte rol aan te tonen niet ter zake doende zijn, omdat zelfs indien die rol zou worden bewezen, dat niet afdoet aan de aansprakelijkheid van [appellanten] en de toerekenbaarheid aan hen van de schade. Overigens is die door hen aan [bestuurder] toegedichte rol (het eigen schuld verweer), tegenover de betwisting ervan, onvoldoende onderbouwd en wordt ook op die grond niet aan bewijsvoering toegekomen.
grieven in incidenteel appel
grief 1: grondslagen vordering
De klacht van RST luidt: ‘Ten onrechte heeft de rechtbank [appellant 1] en [appellant 2] uitsluitend aansprakelijk geoordeeld op grond van onrechtmatige daad naast een of meer andere grondslagen.’ Naar haar mening had de rechtbank zelf moeten onderkennen dat de vordering (in ieder geval mede) is gebaseerd op de grondslagen onverschuldigde betaling c.q. ongerechtvaardigde verrijking. Bij die grondslagen past niet een eigen schuld verweer en dus ook niet een mogelijkheid om eigen schuld aan te tonen, aldus RST in de toelichting op de grief.
De grief faalt, reeds omdat in de stellingen van RST onvoldoende besloten ligt dat zij het door haar gevorderde bedrag (inclusief kosten) onverschuldigd aan [appellanten] heeft betaald en/of dat [appellanten] (zonder rechtsgrond) zijn verrijkt tot het door RST gevorderde bedrag.
grief 2 en 3: eigen schuld verweer
Ook deze grieven falen. De in de toelichting op de 2e grief verwoorde stelling van RST dat ‘de rechtbank had moeten oordelen dat art. 6:101 BW hoe dan ook geen verweer is dat [appellant 1] en [appellant 2] in casu vermogen op te werpen’ vindt geen steun in het recht en van de onderdelen 1, 2 en 3 van de verstrekte bewijsopdracht kan (anders dan in de toelichting op de 3e grief besloten ligt) niet worden gezegd dat zij, ook in samenhang met bewijsonderdeel 4, elke relevantie missen in het kader van de tegen [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] ingestelde vordering en dat dit ook op voorhand al duidelijk had moeten zijn.
grief 4: bewezenverklaring van onderdelen 2 en 4 van de bewijsopdracht
De onderdelen 2 en 4 van de bewijsopdracht houden in dat [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] mochten bewijzen dat:
(onderdeel 2) ‘bij gunning van het TOS project aan [bedrijf] onder leiding van [facilitair manager] en met medeweten van [bestuurder] werd geregeld dat acht mensen uit het management team € 75.000 bij [bedrijf] mochten besteden en dat dit ook is gebeurd’;
(onderdeel 4) ‘de fraude onder leiding en op aanwijzing van [bestuurder] heeft plaatsgevonden en deze daar ook zelf van geprofiteerd heeft, althans dat direct of indirect van [bestuurder] de aanwijzingen kwamen voor de andersluidende en verhullende omschrijving op de facturen aan RST’.
Deze en ook de twee andere onderdelen van de bewijsopdracht moeten worden bezien tegen de achtergrond van de (in 5.24 van het tussenvonnis van 24 januari 2018 weergegeven) stellingen van [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] dat (i) [bestuurder] bij de invoering van TOS heeft geregeld dat de opdracht naar [bedrijf] zou gaan en dat in ruil daarvoor iedere manager van RST voor een bedrag van € 75.000 zijn huis mocht laten verbouwen door [bedrijf] , (ii) dat [bestuurder] en [facilitair manager] daar bovenop ieder nog € 300.000 van [bedrijf] ontvingen, (iii) dat [bestuurder] bij het inhuren van [betrokkene 1] als consultant heeft bedongen dat hijzelf, [facilitair manager] en [appellant 1] aanvankelijk € 1.500 en later € 2.000 per maand ontvingen van [betrokkene 1] , die in ruil daarvoor (via RF Sports en later Bonfide Facts) veelvuldig opdracht kreeg om allerlei (luxe) goederen en diensten (met hoge kortingen) te leveren (zoals horloges, wijn, elektronische apparatuur, kleding, reizen, concertkaarten, voetbalkaarten, catering, etc.) en (iv) dat de fraude plaatsvond onder leiding en op aanwijzing van [bestuurder] , die er zelf ook van profiteerde en die de aanwijzingen gaf voor de verhullende omschrijvingen op de facturen van RF Sports en Bonfide Facts.
Bij de op deze stellingen aansluitende bewijsopdracht als geheel gaat het (zoals blijkt uit 5.26 van het tussenvonnis van 24 januari 2018) om het door [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] gestelde feitelijke handelen van [bestuurder] , de vervulling door hem van diens leidinggevende taken, het toestaan door hem om privékosten/bedragen ten laste van RST te brengen en het mogelijk hierdoor aanzetten van [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] om de normen van fatsoen en eerlijkheid te verleggen. Kortom: bij de bewijsopdracht draait alles om het doen en laten van [bestuurder] .
Wat specifiek het 2e onderdeel van de bewijsopdracht betreft, is de kritiek van RST op de bewezenverklaring ervan door de rechtbank terecht. Want weliswaar staat vast dat [bedrijf] in de loop van de tijd betrokken is geweest bij verbouwingen/activiteiten bij (ex) RTS-medewerkers thuis, inclusief [bestuurder] , maar niet dat die verbouwingen/activiteiten plaatsvonden naar aanleiding van een door of met instemming/medeweten van [bestuurder] – bij de gunning van het TOS project aan (een dochtervennootschap van) [bedrijf] – gemaakte afspraak dat acht leden van het managementteam van RST elk voor € 75.000 mochten besteden bij [bedrijf] .
Volgens [betrokkene 1] zou het gaan om een door [bestuurder] gemaakte afspraak tijdens een meeting met [bestuurder] , [facilitair manager] en [betrokkene 5] . Een bevestiging door hen ontbreekt evenwel; [bestuurder] zelf noemt het een ‘broodje aap verhaal’. [appellant 1] , die niet bij de door [betrokkene 1] bedoelde meeting was, heeft het over een lijst (met negen personen) die uit de vergadering kwam. [appellant 2] stond daar ook op, aldus [appellant 1] . Ook volgens [betrokkene 1] behoorde [appellant 2] tot de personen die voor
€ 75.000 mochten laten verbouwen. [appellant 2] , die heeft laten verbouwen, weet daar echter niets van en heeft volgens zijn zeggen nooit een bedrag ontvangen.
De rechtbank heeft voor de bewijsconstructie onder andere de verklaring van 25 maart 2019 van getuige [getuige 1] aangehaald, voor zover inhoudend: ‘U houdt mij de tweede bewijsopdracht voor. Ik kan daar niets over verklaren. Ik weet wel dat er geld is besteed bij [bedrijf] , maar ik weet niets van [een] verband met het TOS project. [bedrijf] heeft keukens verbouwd en woningen opgeknapt. Dat was niet alleen voor het management. (…) U vraagt mij door wie die verbouwingen dan werden betaald. Niet door de betreffende werknemers. Ik heb nooit facturen gezien maar de kosten van [bedrijf] werden doorbelast en uiteindelijk betaald door RST. De kosten van [bedrijf] werden niet verrekend met de werknemers.’ Deze verklaring ondersteunt de stelling van [betrokkene 1] (en [appellanten] ) echter niet: niet op het punt van het verband met het TOS project, niet wat betreft de stelling dat het om acht leden van het managementteam zou gaan en niet op het punt van de kosten, die volgens haar uiteindelijk door RST werden gedragen (en dus niet door [bedrijf] ).
Mogelijk heeft wel de overleden [facilitair manager] op enig moment tegen een of meer anderen gezegd dat voor hen een bestedingsmogelijkheid (tot een bedrag van
€ 75.000) bij [bedrijf] bestond, maar dat is onvoldoende om uit te gaan van een door [bestuurder] (in het bijzijn van [betrokkene 1] ) gemaakte/geregelde/goedgekeurde – (fatsoens- en ethische) normen verleggende – afspraak, waaraan [betrokkene 1] , [appellant 1] en [appellant 2] het vertrouwen konden ontlenen dat de door hen gepleegde factuurfraude instemming had van, althans geen probleem vormde voor Verhoeven als statutair directeur en RST als rechtspersoon.
Met betrekking tot het 4e bewijsonderdeel heeft de rechtbank bij de bewijswaarding in de eerste plaats overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat de bonfide-fraude plaatsvond onder leiding van [bestuurder] en dat van hem aanwijzingen kwamen voor de andersluidende en verhullende omschrijvingen op de facturen aan RST. Wel heeft de rechtbank uit de door haar in dit verband aangehaalde verklaringen afgeleid dat binnen RST, reeds voor aanvang van de bonfide-fraude, een cultuur heerste waarbinnen op grote schaal privékosten ten laste van de vennootschap werden gebracht en dat [bestuurder] hierin een actieve rol had. De rechtbank besluit dan haar overwegingen over de bewijswaardering met (2.21): ‘Uit het voorgaande volgt dat [betrokkene 1] c.s. zijn geslaagd in het bewijs van hun stelling dat onder leiding van [bestuurder] bij RST een bedrijfscultuur heerste waarin exorbitante zelfverrijking werd getolereerd en dat in ruil voor gunning van de opdracht voor de invoering van TOS aan [bedrijf] , iedere manager van RST voor een bedrag van € 75.000,00 zijn huis mocht laten verbouwen door [bedrijf] .’
Wat de gratis verbouwingswerkzaamheden betreft is hiervoor echter al overwogen dat er onvoldoende bewijs is voor de beweerdelijk in aanwezigheid van [betrokkene 1] door of met medeweten van [bestuurder] gemaakte afspraak. Bij het oordeel over de bewezen bedrijfscultuur van exorbitante zelfverrijking onder leiding van [bestuurder] zijn eveneens kanttekeningen te plaatsen. Verwezen wordt naar wat hiervoor is 5.6.2 is overwogen. Ertegen pleit bijvoorbeeld ook de (overigens niet geloofwaardige) verklaring van [appellant 1] dat hij zich wezenloos schrok toen hij hoorde dat het bij de bonfide-fraude om miljoenen ging; want waarom zou hij zich wezenloos schrikken als de bedrijfscultuur er een van exorbitante zelfverrijking was. Verder doet het vreemd aan dat bij een bedrijfscultuur van exorbitante zelfverrijking onder leiding van [bestuurder] , dezelfde [bestuurder] nu juist niet in verband kan worden gebracht met de grootschalige bonfide-fraude. Met die bedrijfscultuur is als voorbeeld ook niet, althans minder goed, te rijmen dat het contract betreffende de ten laste van RST gebrachte ADO-box niet gewoon op naam van RST mocht worden gezet (zie hiervoor pag. 000105 van het Fiod-dossier en de daar genoemde correspondentie/e-mailwisseling die in cc naar [appellant 1] ging) en dat er (zoals uit de WhatsApp-berichten blijkt) meer in het algemeen geheimzinnig werd gedaan over het ophogen van de facturen en het bezigen van verhullende omschrijvingen (zie bijv. het in 5.4.2 aangehaalde bericht van [betrokkene 1] : ‘Ik denk dat we gedurende het jaar moeten kijken waar we in kunnen lopen. Want als jij om wat voor reden dan ook er niet meer bent. Niemand weet hier van.’; en de reactie hierop van [appellant 2] : ‘Ja enkel [appellant 1] ’).
Grief 4 is dus gegrond. Los hiervan geldt wat hiervoor in het principaal appel aan het slot van 5.6.2 is overwogen, namelijk dat honoreren van een beroep op eigen schuld om de daar genoemde reden in deze zaak niet op zijn plaats is.
grief 5 en 6: eigen schuld en het niet toepassen van de billijkheidscorrectie
Uit wat hiervoor in het principaal is overwogen volgt dat het beroep van [appellanten] op eigen schuld niet behoort te worden gehonoreerd. Dit geldt eens te meer nu de gronden waarop de rechtbank het beroep op eigen schuld honoreerde (zie 5.11.6) in hoger beroep niet overeind zijn gebleven. Grief 5 is dus gegrond. Bij die stand van zaken behoeft grief 6 geen bespreking.
in het principaal en in het incidenteel appel tot slot
Hiervoor (5.5.2 slot) is in het principaal appel overwogen dat (het eindvonnis moet worden vernietigd op het punt van de veroordeling van [appellanten] om (85% van € 3.000.000 =) € 2.550.000 met rente aan RST te betalen (3.2 van het dictum), maar alleen vanwege de verlate uitkering onder de fraudepolis, in combinatie met het vooralsnog ontbreken van een last en volmacht van de verzekeraars; dus niet omdat de fraudeschade op een lager bedrag wordt vastgesteld. In het incidenteel appel zal, wegens het slagen van de grieven 4 en 5, het eindvonnis gedeeltelijk worden vernietigd, namelijk ten aanzien van de vermindering van de vergoedingsplicht van [appellanten] tot 85% (zie 3.1 en 3.2, slot, van het dictum).
[appellanten] gelden bij deze uitkomst als de (voor het merendeel) in het ongelijk gestelde partij zijn. Zij moeten daarom de kosten van het hoger beroep dragen.
Het hoger beroep van [appellanten] is niet alleen ingesteld tegen het eindvonnis, maar ook tegen de vonnissen van 18 juli 2018 en 15 juli 2020. Tegen die vonnissen zijn vervolgens geen grieven gericht, althans niet duidelijk kenbaar. Daarom volgt op dat punt een niet-ontvankelijkverklaring.
De memorie van grieven van [appellanten] bevat ook een incidentele vordering. Daar is afwijzend op beslist bij arrest van 30 januari 2024. Er is geen aanleiding om op onderdelen van die vordering alsnog toewijzend te beslissen. Daar is ook niet om gevraagd.
6 De beslissing
Het hof, rechtdoende in het principaal en in het incidenteel appel:
- verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de tussenvonnissen van 18 juli 2018 en 15 juli 2020;
- vernietigt ten aanzien van [appellanten] het eindvonnis op de volgende punten van het dictum:
- 3.1, alleen de laatste zinssnede: ‘met dien verstande dat de vergoedingsplicht van [appellant 2] en [appellant 1] wordt verminderd tot 85%’;
- 3.2 geheel;
- 3.3, alleen de laatste zinssnede: ‘en met inachtneming van de verminderde vergoedingsplicht van [appellant 2] en [appellant 1] ’;
- bekrachtigt ten aanzien van [appellanten] het eindvonnis voor het overige, met bepaling dat de verwijzing naar de schadestaatprocedure in 3.3 van het dictum geldt voor de totale omvang van de door hen aan RST te vergoeden schade;
- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het appel, aan de zijde van RST tot aan deze uitspraak bepaald op € 11.379,- aan verschotten en € 16.522,50 (2,5 x tarief VIII) aan salaris voor de advocaat;
- wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.
Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, M.E. Honée en R.J. van Galen
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.