ECLI:NL:GHDHA:2026:2932

Datum uitspraak
16-09-2026
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
BK-26/44
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Art. 228a Gemeentewet. Gemeentelijke verordening. Rioolheffing. Belastbaar feit. Opslagboxen zijn direct dan wel indirect aangesloten op de gemeentelijke riolering. Belanghebbende heeft profijt van de voorzieningen en maatregelen in het kader van de rioolheffing. Aanslag rioolheffing is terecht opgelegd.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-26/44

Uitspraak van 16 september 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: N. Andkhuiy)

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 16 december 2025, nummer SGR 25/3614.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een aanslag rioolheffing voor het jaar 2025 van de gemeente Alphen aan den Rijn opgelegd ter zake van het gebruik van het perceel [adres] (opslagboxen [nummer 1] en [nummer 2] ) te [woonplaats] ten bedrage van € 220,80 (de aanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 53. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 147. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De Heffingsambtenaar heeft in reactie op een telefonisch verzoek van de griffier op 2 juli 2026 een nader stuk met daarbij ontbrekende stukken in het dossier ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026. Partijen zijn verschenen.

1.6.

Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag rioolheffing voor het jaar 2024 voor hetzelfde perceel met kenmerk BK-25/655. Al hetgeen in de ene zaak is aangevoerd wordt geacht ook in de andere zaak te zijn aangevoerd. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende huurt sinds juni 2020 twee opslagboxen op het adres [adres] in [woonplaats] ( [nummer 1] en [nummer 2] ; de opslagboxen). Belanghebbende huurt de opslagboxen voor de opslag van rijst. Ter zake van het gebruik van deze opslagboxen (het perceel) is de onder 1.1 bedoelde aanslag opgelegd.

2.2.

Belanghebbende heeft, na afstemming met de verhuurder van de opslagboxen, de in de opslagboxen aanwezige twee kleine wastafels gedemonteerd. Een foto van de situatie na demontage behoort tot de stukken van het geding.

2.3.

Tot de stukken van het geding behoren foto’s van de waterstandmeters van beide opslagboxen. Hierop wordt voor beide opslagboxen een meterstand van “0” vermeld.

2.4.

In hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar een luchtfoto overgelegd van het bovenaanzicht van (een deel van) het gebouw waarin de opslagboxen zijn gelegen (het object) en de naastgelegen sloot. Op de luchtfoto zijn twee afvoerpijpen te zien die, vanuit het object, afwateren in de naastgelegen sloot.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“4. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 6 augustus 2025 met zaaknummer SGR 24/10048 reeds geoordeeld over hetzelfde geschilpunt tussen partijen voor het jaar 2024.[1] De rechtbank heeft geoordeeld:

“(…)

7. Artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet, biedt de mogelijkheid om belasting te heffen ter bestrijding van de kosten verbonden aan enerzijds (het onderhoud van) het riool en anderzijds de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater en kosten voor het treffen van grondwater-maatregelen. Hierbij is het niet noodzakelijk dat de gemeente een zorgplicht heeft voor een perceel of dat een perceel belang heeft bij de uitvoering van de genoemde gemeentelijke taken. Artikel 228a, van de Gemeentewet stelt de gemeente in staat voormelde kosten te verhalen, waarbij de gemeente door de wetgever is vrijgelaten om door middel van een eigen belastingverordening de heffing nader vorm te geven. Het bepalen van onder meer de belastingplichtige, de heffingsgrondslag en de heffingsmaatstaf is aan de gemeente overgelaten. Dit is alleen anders als deze invulling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever, bij de toekenning van de bevoegdheid om rioolheffingen in te voeren, niet bedoeld kan hebben.

8. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiseres betoogt, de onroerende zaak wel direct, dan wel indirect, is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Dat eiseres daar geen gebruik van maakt omdat de twee wastafels zijn gedemonteerd, is in het kader van de rioolheffing niet van belang. Zelfs als eiseres zou worden gevolgd in haar stelling dat zij niet is aangesloten op het riool, of dat op haar perceel geen sprake is van afvloeiend (hemel) water, kan dit haar niet helpen. Uit artikel 3, eerste lid, derde gedachtestreepje van de verordening[2] volgt immers dat rioolheffing tevens wordt geheven voor het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken (de zorgplicht). Dat eiseres geen overlast als gevolg van een hoge grondwaterstand heeft ervaren, maakt het voorgaande niet anders en is eerder een bevestiging van het feit dat verweerder haar zorgplicht nakomt.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.”

5. Nu het geschilpunt in beide jaren identiek is en eiseres geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan zoals hiervoor weergegeven. Het betoog van eiseres ter zitting dat geen rioolheffing mag worden geheven wegens strijd met het in artikel 9 Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000) neergelegde beginsel dat de vervuiler betaalt slaagt niet gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2017.[3] De stelling van eiseres dat zij geen vervuiler is omdat geen direct hemelwater op haar opslagboxen valt miskent het belastbaar feit en leidt niet tot een ander oordeel.

6. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

[1] Rechtbank Den Haag 6 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15954.

[2] De Verordening 2025 is tekstueel gelijkluidend aan de Verordening 2024, met dien verstande dat de aandachtsstreepjes zijn vervangen door letteraanduidingen.

[3] ECLI:NL:HR:2017:3082.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag bevestigend.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

4.3.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Belanghebbende stelt dat zij geen gebruiker is van het perceel, nu, mede gelet op een verklaring van de verhuurder, het waterbedrijf en de foto’s van de waterstandmeters van de opslagboxen, de riolering (van het perceel) niet wordt gebruikt. De Rechtbank heeft geoordeeld dat gelet op artikel 3, derde gedachtestreepje, van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2024 Alphen aan den Rijn (de Verordening), sprake is van belastingplicht van belanghebbende voor de rioolheffing, vanwege de daarin benoemde gemeentelijke zorgplicht (onderhouds- en zorgkosten). Dit derde gedachtestreepje is echter volgens belanghebbende niet van toepassing, nu het eerste gedachtestreepje van artikel 3 van de Verordening tot de conclusie leidt dat geen sprake is van belastingplicht, omdat belanghebbende het perceel/de riolering niet gebruikt. Er is volgens belanghebbende geen sprake van een belastbaar feit voor de rioolheffing, nu, aldus belanghebbende, in de opslagboxen de aansluiting op het buizenstelsel van de riolering is afgesloten. In dit kader verwijst belanghebbende naar twee uitspraken van de Rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2025:5194 en ECLI:NL:RBOBR:2022:2024). Belanghebbende acht de aansluiting cruciaal voor het ontstaan van de belastingplicht voor de rioolheffing. Belanghebbende voert in dit kader aan dat de opslagboxen (het perceel) niet beschikken (beschikt) over toiletten of badkamers en dat de wastafels zijn gedemonteerd. De zorgkosten en het gevaar van een hoge grondwaterstand worden dan ook, aldus belanghebbende, niet veroorzaakt door het perceel en derhalve dienen de onderhouds- en zorgkosten te worden betaald door degenen die de riolering daadwerkelijk gebruiken. Verder stelt belanghebbende dat grondwater geen deel uitmaakt van de gemeentelijke riolering, omdat dit niet wordt afgevoerd via de gemeentelijke riolering en de gemeente niet verantwoordelijk is voor grondwaterproblemen. Hemelwater valt, door de ligging van de opslagboxen (het perceel) niet op het perceel en belanghebbende stelt dat zij daar dan ook geen last van heeft. Verder geldt, aldus belanghebbende, dat het hemelwater dat in de omgeving valt wordt opgevangen in zogenoemde grindkoffers die niet zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering, waarna, na verwerking daarvan, dit hemelwater wordt hergebruikt. Het hemelwater bereikt het grondwater dus niet en heeft geen effect op de grondwaterstand. Nu de afvoercapaciteit van de grindkoffers, aldus belanghebbende, zeer groot is, is de kans, ook volgens belanghebbende, zeer klein dat bij extreme neerslag de grindkoffers het hemelwater niet kunnen verwerken. In dit kader verwijst belanghebbende nogmaals naar de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant met het nummer ECLI:NL:RBOBR:2022:2024. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende nog verklaard dat de luchtfoto die de Heffingsambtenaar heeft overgelegd slechts een zijde van het object toont. Aan de andere zijde van het object is geen afwatering op een gemeentelijke sloot en daar loopt bij extreme regenval “alles onder”, aldus de gemachtigde van belanghebbende.

5.2.

De Heffingsambtenaar stelt dat de aanslag rioolheffing gelet op de Verordening wordt opgelegd aan degene die het gebruik heeft van het perceel (de opslagboxen). Belanghebbende is daarvan de gebruiker en daarmee belastingplichtig voor de rioolheffing, aldus de Heffingsambtenaar. Het is niet van belang dat geen gebruik wordt gemaakt van water(afvoer) in de opslagboxen. Er is immers ook sprake van belastingplicht als sprake is van afvloeiend water (hemelwater) of als er een belang bestaat bij nakoming van de gemeentelijke zorgplicht, te weten het treffen van maatregelen ten aanzien van de grondwaterstand. Belanghebbende heeft daar met het gebruik van het perceel profijt van, nu bij onjuiste afvoer of controle daarvan, schade kan ontstaan aan het perceel. Nu belanghebbende gebruiker is en profijt heeft van de voorzieningen en maatregelen in het kader van de rioolheffing, is zij volgens de Heffingsambtenaar terecht betrokken in de rioolheffing. Verder geldt volgens de Heffingsambtenaar dat op de onder 2.4 genoemde foto zichtbaar is dat vanaf het gebouw waarin de opslagboxen zijn gelegen via daarop zichtbare afvoerpijpen, hemelwater wordt afgevoerd op de naastgelegen sloot die in beheer is bij de gemeente.

Toepasselijke regelgeving

5.3.1.

Artikel 228a van de Gemeentewet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1 Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

2 (…)

3 (…).”

5.3.2.

De Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2025 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 1 Definities

Deze verordening verstaat onder:

a. (…)

b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente, waarbij onder voorziening ook wordt begrepen een gemeentelijke sloot;

c. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan haar zorgplicht voor:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene die het gebruik heeft van een perceel:

a. dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, en/of

b. waarbij via dit perceel afvloeiend water direct of indirect op een gemeentelijke voorziening of combinatie van voorzieningen wordt afgevoerd, en/of

c. waarbij een direct of indirect belang tot nakoming van de gemeentelijke zorgplicht van het in artikel 2 lid a en/of artikel 2 lid b genoemde bestaat.

2. Met betrekking tot de belasting wordt als degene die het gebruik heeft, de gebruiker, aangemerkt degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt of persoonlijk recht gebruikt.

(…)

5. Ingeval een gedeelte van een perceel, niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4, in gebruik is gegeven, wordt als gebruiker aangemerkt degene die dat gedeelte in gebruik heeft gegeven.

(…)

(…)”

Beoordeling

5.4.

Artikel 228a, eerste lid, Gemeentewet, biedt de mogelijkheid om belasting te heffen ter bestrijding van de kosten verbonden aan enerzijds (het onderhoud van) het riool en anderzijds de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater en kosten voor het treffen van grondwatermaatregelen (zorgplicht). Hierbij is het niet noodzakelijk dat de gemeente een zorgplicht heeft voor een perceel of dat een perceel belang heeft bij de uitvoering van de genoemde gemeentelijke taken. Het Hof stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2016:2495, voorop dat artikel 228a van de Gemeentewet aan gemeenten de ruimte biedt om de rioolheffing met een zekere ruwheid vorm te geven. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is aan de gemeenten namelijk een grote vrijheid verleend bij die vormgeving. Die vrijheid betreft onder meer het bepalen van de belastingplichtige, de heffingsgrondslag en de heffingsmaatstaf. Zo hoeft de heffingsmaatstaf bij een heffing als de onderhavige niet gerelateerd te zijn aan de hoeveelheid afvalwater die vanuit de percelen wordt geloosd of aan de omvang van de daardoor in individuele gevallen opgeroepen kosten (vgl. HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5477). Een en ander is alleen anders als de invulling van de gemeentelijke vrijheid leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever, bij de toekenning van de bevoegdheid om rioolheffingen in te voeren, niet bedoeld kan hebben.

5.5.

Gelijk de Rechtbank terecht heeft overwogen, is het perceel (zijn de opslagboxen), met en door het daarin aanwezige buizensysteem, direct, dan wel indirect, aangesloten op de gemeentelijke riolering als bedoeld in artikel 3, lid 1, eerste gedachtestreepje van de Verordening. Dat belanghebbende daarvan feitelijk geen gebruik maakt nu de twee wastafels in de opslagboxen zijn gedemonteerd, is in het kader van de rioolheffing niet van belang. Zelfs als belanghebbende zou worden gevolgd in haar stelling dat zij niet is aangesloten, baat dit haar niet. Op de door de Heffingsambtenaar overgelegde luchtfoto (zie 2.4) is immers duidelijk te zien, hetgeen ook niet door belanghebbende is betwist, dat vanuit het object waarin de opslagboxen zijn gelegen, twee afwateringsbuizen afwateren op de naastgelegen sloot. Het Hof acht aannemelijk dat deze afwateringsbuizen, die, naar niet door belanghebbende is betwist, het hemelwater afvoeren vanaf het object, zijn aangesloten op het gemeentelijke riool. Ook om deze reden is voldaan aan het belastbare feit voor de rioolheffing (artikel 3, lid 1, derde gedachtestreepje van de Verordening). Belanghebbende heeft nog gesteld dat de afwatering op grindkoffers plaatsvindt, waardoor het hemelwater het grondwater niet zou bereiken en geen effect zou hebben op de grondwaterstand. Dit wordt niet alleen tegengesproken middels de uit de luchtfoto blijkende afwatering op de naastgelegen sloot, maar ook de gemachtigde van belanghebbende zelf heeft dit tegengesproken ter zitting van het Hof met zijn verklaring dat bij extreme regenval alles onderloopt, waarna het hemelwater dus wel degelijk het grondwater zal bereiken. Verder geldt dat het feitencomplex in de door belanghebbende aangedragen jurisprudentie anders is. Deze jurisprudentie gaat hier, anders dan belanghebbende stelt, dan ook niet op. In die gevallen was geen sprake van een aansluiting op het buizenstelsel van de gemeentelijke riolering en/of was de gemeentelijke verordening anders ingericht dan in de gemeente Alphen aan den Rijn het geval is, waardoor in die gevallen een beperktere definitie van het belastbaar feit gold. De binnen de gemeente Alphen aan den Rijn geldende verordening, die past binnen de ruimte die artikel 228a Gemeentewet biedt, bevat een ruimere definitie van het belastbaar feit, waardoor in dit geval wel degelijk sprake is van belastingplicht.

5.6.

Ten overvloede merkt het Hof nog op dat de stelling van belanghebbende dat, indien niet voldaan zou zijn aan het eerste gedachtestreepje van artikel 3 van de Verordening al geen sprake is van gebruik en dus van belastingplicht voor de rioolheffing, onjuist is, want achter ieder gedachtestreepje staat immers “en/of”, zodat er sprake is van belastingplicht (en gebruik) voor de rioolheffing indien aan één van de drie in dat artikel opgesomde mogelijkheden is voldaan. Het enkel hebben van een direct of indirect belang tot nakoming van de gemeentelijke zorgplicht (het derde gedachtestreepje) ten aanzien van de inzameling en afvoer van hemelwater en het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, is derhalve al voldoende om te kwalificeren als gebruik van een perceel, zoals bedoeld in de aanhef van lid 1 van vorenbedoeld artikel 3.

5.7.

De stellingen van belanghebbende dat de zorgkosten en het gevaar van een hoge grondwaterstand niet worden veroorzaakt door het perceel (de opslagboxen) van belanghebbende en dat de onderhouds- en zorgkosten moeten worden betaald door degenen die de riolering daadwerkelijk gebruiken, ketst af op hetgeen hiervoor onder 5.4 tot en met 5.6 is overwogen. Belanghebbende is gelet op de tekst van de Verordening wel degelijk gebruiker van het perceel en is dan ook terecht aangeslagen voor de rioolheffing. De door de gemeente verkozen invulling van de vormgeving van de rioolheffing leidt niet tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever, bij de toekenning van de bevoegdheid om rioolheffingen in te voeren, niet bedoeld kan hebben. Daarbij dient belanghebbende zich te realiseren dat de rioolheffing (mede) strekt ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit beperkt zich niet tot het perceel (de opslagboxen) van belanghebbende. De taken die de gemeente, op het niveau van de gemeente als geheel, verricht op het gebied van hemelwaterafvoer en grondwaterbeheer, komen mede ten goede aan alle inwoners, zoals belanghebbende, die gebruik maken van de openbare wegen en ruimten.

5.8.

Belanghebbende heeft tenslotte nog gesteld dat de gemeente dient te onderbouwen dat zij kosten heeft gemaakt die noodzakelijk zijn om de zorgplicht ten aanzien van het perceel van belanghebbende na te komen. Met hetgeen de Heffingsambtenaar heeft aangevoerd heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat de gemeente (een combinatie van) voorzieningen heeft getroffen voor inzameling, verwerking, zuivering en transport van afvalwater, hemelwater en grondwater. Daaraan inherent is dat de gemeente kosten maakt voor het aanleggen en instandhouden van deze (combinatie van) voorzieningen en dat belanghebbende baat heeft bij die (combinatie van) voorzieningen. De stelling van belanghebbende faalt dan ook.

Slotsom

5.9.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding tot toekenning van een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, P.J.J. Vonk en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.

De griffier, de voorzitter,

E.J. Nederveen W. de Wit

De beslissing is op 16 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »