GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/621
Uitspraak van 8 juli 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 juli 2025, nummer SGR 24/204.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 16.793 (de naheffingsaanslag). Bij beschikking is € 232 belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 13 mei 2026 een nader stuk ingediend. Belanghebbende heeft op 28 mei 2026 een nader stuk ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op 4 april 2022 op aangifte een bedrag van € 1.116 aan bpm voldaan voor de registratie van een Mercedes-Benz GLE 350 4MATIC (de auto). De auto heeft een vermogen van 225 kW, een motorinhoud van 3.496 cc en is voor de Amerikaanse markt gemaakt. De CO2-uitstoot van de auto bedraag 313 g/km. De datum van de eerste toelating van de auto is 1 juli 2016. De RDW heeft de auto gekeurd op 31 maart 2022 en een zogenoemde wachten op keuren-status (WOK-status) gegeven. De Inspecteur heeft per e-mail informatie opgevraagd bij de RDW. De tekst in de e-mail luidt onder meer:
“Voor een beroepszaak zou ik graag de foto's ontvangen van het voertuig met VIN-nummer [nummer] , welke gemaakt zijn tijdens de keuring van 31maart 2022. Hierbij zou het voertuig een WOK status zijn toegekend. Kunt u hierbij aangeven wat de reden was van de WOK-status en of dit een WOK1 of WOK2 status betreft?”
De RDW heeft gereageerd bij e-mail van 15 april 2024 met:
“Hierbij de tijdens de keuring gemaakte foto ’s en de opmerking aangaande de WOK toekenning .”
Bij de e-mail van de RDW zijn twee foto’s van de auto van belanghebbende gevoegd. De tekst onder de eerste foto luidt:
“Langsbalken van het chassis zijn ernstig vervormd”
De WOK-status is op 18 mei 2022 opgeheven door de RDW.
In de aangifte is de te betalen bpm berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 18 maart 2022 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 29 maart 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 100.519 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 26.130. De taxateur heeft een waarde verminderende factor van € 6.521 in aanmerking genomen, een bedrag van € 18.184 (72% van de totale gecalculeerde reparatiekosten van € 25.255) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 1.425 vastgesteld. Belanghebbende heeft geen inkoopfactuur overgelegd bij het taxatierapport.
Een medewerker van de dienst Domeinen Roerende zaken (DRZ) heeft een hertaxatie uitgevoerd. Het DRZ-rapport van 12 april 2022 vermeldt een historische nieuwprijs van € 104.833, een netto catalogusprijs van € 66.700 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 26.195. DRZ heeft geen schade geconstateerd anders dan normale gebruikersschade en heeft geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. In het rapport is – onder meer – het volgende opgenomen:
“Voertuig is compleet hersteld en zodoende zijn de opgegeven schadeposities niet aangetroffen.”
De Inspecteur heeft € 16.793 aan bpm nageheven en daarbij € 232 belastingrente in rekening gebracht. De naheffingsaanslag is vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser(es) en de Inspecteur als verweerder:
“Bruikbaarheid taxatierapport en essentiële gebreken
8. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering, als bedoeld in artikel 10 van de Wet Bpm, rust op de belastingplichtige. Voor de aanwezigheid en de omvang van de schade verwijst eiser naar het taxatierapport. In artikel 10 van de Wet Bpm is per 1 januari 2022 expliciet vastgelegd dat de afschrijving op basis van een taxatierapport kan worden bepaald, indien het voertuig onder meer voldoet aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet gestelde eisen waardoor met dat voertuig kan en mag worden gereden op de weg. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto op de datum van keuring door de RDW, te weten 31 maart 2022, een WOK status had en dat deze WOK status op 18 mei 2022 werd beëindigd. Uitsluitend met een taxatie na het herstel van de essentiële gebreken kan een vermindering van de bpm op grond van een taxatierapport worden toegepast. Bovendien geeft de taxatie van eiseres niet de staat van de auto weer op het moment van het belastbare feit. Het taxatierapport kan niet dienen.
9. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot het Kennisgroepstandpunt[1] en de inmiddels ingetrokken goedkeuring die was opgenomen in artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021 gaat ten onrechte uit van de bruikbaarheid van het taxatierapport en slaagt reeds daarom niet.
Historische nieuwprijs
10. Eiser heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Gelet op hetgeen is overwogen onder 8 kan het taxatierapport niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Omdat voor de auto geen koerslijst beschikbaar is, heeft verweerder de afschrijving van de auto terecht bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Alsdan is de historische nieuwprijs niet relevant voor de bepaling van de verschuldigde Bpm.
Immateriële schadevergoeding
11. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag op 3 oktober 2023 ontvangen en de uitspraak van de rechtbank is van 22 juli 2025. De redelijke termijn is dus niet overschreden. Eiser komt dan ook niet voor een vergoeding van immateriële schade in aanmerking.
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5“
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend; de Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot:
- vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank,
- vernietiging van de uitspraak op bezwaar,
- primair vermindering van de naheffingsaanslag tot € 11.748,
- subsidiair vaststelling van de handelsinkoopwaarde in goede justitie en dienovereenkomstige vermindering van de naheffingsaanslag.
Belanghebbende verzoekt voorts om een vergoeding van de (proces)kosten in alle instanties.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep
Afschrijvingsmethode
Belanghebbende heeft aangifte gedaan met toepassing van de taxatiemethode. In hoger beroep doet belanghebbende nog steeds een beroep op de taxatiemethode, maar doet daarbij geen beroep op schade. Wel wenst belanghebbende binnen de taxatiemethode gebruik te maken van de door DRZ gehanteerde koerslijst XRAY. De Inspecteur stelt dat nu de auto van belanghebbende ten tijde van de registratie een WOK-status had, belanghebbende geen gebruik kan maken van de taxatiemethode (HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415).
Het Hof verwerpt het standpunt van de Inspecteur. Artikel 110 VWEU verzet zich tegen een nationale belastingregeling waarbij een belastingplichtige de mogelijkheid wordt ontnomen om tegenbewijs te leveren en aannemelijk te maken dat op zijn voertuig een hogere belastingdruk komt te rusten dan op soortgelijke voertuigen die al in Nederland rondrijden. Het Hof laat belanghebbende toe tot het leveren van tegenbewijs. Nu de auto niet op een koerslijst voorkomt, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof in principe toegang tot het toepassen van de taxatiemethode aan de hand van een geschikte koerslijst voor een referentievoertuig.
Waardevermindering
Belanghebbende stelt dat in het kader van de taxatiemethode kan worden uitgegaan van de door DRZ gehanteerde koerslijst XRAY van een Mercedes-Benz GLE 400 4MATIC, waaruit een handelsinkoopwaarde volgt van € 26.195. Belanghebbende stelt dat de auto niet significant afwijkt van het voertuig in die koerslijst, dat er inderdaad verschillen zijn, dat het verschil in vermogen van 20 kW gering is en dat het Hof de koerslijstwaarde, gelet op de verschillen, eventueel kan bijstellen.
De Inspecteur stelt dat er wezenlijke verschillen zijn tussen de uitvoering van de auto van belanghebbende en de uitvoering van het voertuig in de koerslijst XRAY en bestrijdt dat die koerslijst kan worden gebruikt voor het bepalen van de taxatiewaarde van de auto. Anders dan belanghebbende stelt staat ook de netto catalogusprijs niet vast tussen partijen, aldus de Inspecteur.
Het Hof is van oordeel dat sprake is van dermate wezenlijke verschillen tussen de auto van belanghebbende en het referentievoertuig in de koerslijst XRAY dat de koerslijst XRAY niet zonder meer geschikt is voor het bepalen van de taxatiewaarde van de auto van belanghebbende. De koerslijst XRAY vermeldt voor het daarin opgenomen referentievoertuig een netto maximum motorvermogen van 245 kW, een cilinderinhoud van 2.996 cc en een CO2-uitstoot van 197 g/km (NEDC). De auto van belanghebbende heeft een netto maximum motorvermogen van 225 kW, een cilinderinhoud van 3.496 cc en een CO2-uitstoot van 313 g/km (NEDC Gecombineerd). Weliswaar is de CO2-uitstoot van 313 g/km van de auto Scandinavisch berekend en zijn de verschillen in uitstoot mogelijk minder groot dan op het eerste gezicht lijkt, het Hof acht de overige verschillen zoals vermogen, cilinderinhoud en type (GLE 350 4MATIC vs GLE 400 4MATIC) tussen de auto van belanghebbende en het referentievoertuig in de koerslijst XRAY, dermate groot dat de koerslijst XRAY niet zonder meer bruikbaar is.
Gelet op het voorgaande komt de vraag op of het Hof de handelsinkoopwaarde in goede justitie moet vaststellen, zoals belanghebbende stelt. Het Hof overweegt dat onduidelijk is hoe het met de beschikbare gegevens, uitgaande van de koerslijstwaarde van de GLE 400 4MATIC en rekening houdend met alle verschillen (“plussen en minnen”) met de auto van belanghebbende tot een reële taxatiewaarde van de auto van belanghebbende zou kunnen komen. Daar komt bij dat de netto catalogusprijs ook nog in geschil is tussen partijen, zodat de historische nieuwprijs van de auto van belanghebbende niet kan worden berekend. Nu belanghebbende, op wie de bewijslast rust, geen nuttige gegevens heeft aangedragen om de verschillen tussen de auto’s te kwantificeren en zo vanuit de koerslijst XRAY te komen tot een realistische historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde van de auto (en uiteindelijk tot een realistische afschrijving), ziet het Hof geen aanleiding om de handelsinkoopwaarde in goede justitie vast te stellen.
Belanghebbende heeft gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat een grotere waardevermindering in aanmerking moet worden genomen dan reeds door de Inspecteur in aanmerking is genomen.
Aangezien belanghebbende niet is geslaagd in de bewijslast dat de handelsinkoopwaarde van de auto dusdanig moet worden verlaagd dat de verschuldigde bpm minder is dan de Inspecteur heeft berekend aan de hand van de tabel, is de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
Belastingrente
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen
de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet te veel belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd W. de Wit
De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.