GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.348.994/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/629563 / HA ZA 21-1039
Arrest van 8 september 2026
in de zaak van:
1 MAATSCHAP [naam], gevestigd te ’[vestigingsplaats],en haar maten[naam],wonende te [woonplaats],[naam],[naam],beiden wonende te [woonplaats],
2. DEMIJBA B.V.,gevestigd te Strijensas, gemeente Hoeksche Waard,3. MAATSCHAP [naam],gevestigd te [vestigingsplaats],en haar maten[naam],[naam],beiden wonende te [woonplaats],[naam],wonende te [woonplaats],4. [naam] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],5. [naam], handelend onder de naam [naam],wonende te [woonplaats],6. MAATSCHAP [naam],gevestigd te [vestigingsplaats],en haar maten[naam],allen wonende te [woonplaats],7. [naam],handelend onder de naam [naam],wonende te [woonplaats],8. STILLE MAATSCHAP [naam],gevestigd te [vestigingsplaats],en haar maten[naam],[naam],beiden wonende te ’[woonplaats],9. MAATSCHAP [naam],gevestigd te [vestigingsplaats],en haar maten[naam],[naam],beiden wonende te [woonplaats],10. VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [naam],gevestigd te [vestigingsplaats],en haar vennoten[naam],[naam],allen wonende te [woonplaats],11. [naam],handelend onder de naam [naam],wonende te [woonplaats],12. [naam],handelend onder de naam [naam],wonende te [woonplaats],13. MAATSCHAP [naam],gevestigd te [vestigingsplaats],en haar maten[naam],[naam],beiden wonende te [woonplaats],14. [naam]handelend onder de naam [naam],wonende te [woonplaats],appellanten,advocaat: mr. A. Buth te Middelharnis,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon WATERSCHAP HOLLANDSE DELTA,gevestigd te Ridderkerk,geïntimeerde,advocaat: mr. J.J. Jacobse te Middelburg.
Het hof noemt partijen hierna [appellanten] en het Waterschap.
1 De zaak in het kort
[appellanten] hebben het Waterschap in deze procedure aansprakelijk gesteld wegens schending van zijn zorgplicht. Volgens [appellanten] heeft het Waterschap te weinig gedaan om de gevolgen van extreme regenval voor hun aardappelvelden te voorkomen, dan wel beheersbaar te maken. Hierdoor hebben zij forse schade geleden doordat hun aardappeloogst verloren is gegaan.
De rechtbank heeft de schadevorderingen van [appellanten] afgewezen. Het hof is het hiermee eens.
2 Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
-
de dagvaarding van 31 juli 2024, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2024;
-
het herstelexploot van 15 oktober 2024;
-
de memorie van grieven van [appellanten];
-
de memorie van antwoord van het Waterschap.
3 Feitelijke achtergrond
[appellanten] exploiteren akkerbouwbedrijven op diverse percelen in de Hoeksche Waard. Zij verbouwen onder andere aardappels. In augustus 2015 hadden zij op hun percelen aardappels in de grond. Aardappels raken in de regel ernstig beschadigd als zij meer dan 24 uur onder water staan.
Het beheersgebied van het Waterschap betreft 106.000 hectare en omvat onder meer de Hoeksche Waard en het Eiland van Dordrecht, zoals weergegeven op onderstaande kaart.
De Hoeksche Waard bestaat uit 19 bemalingsgebieden. De percelen van [appellanten] liggen op diverse plaatsen in de Hoeksche Waard, namelijk in de bemalingsgebieden Puttershoek, Volharding, Raepshille, Hogezandse Polder, Cromstrijen (Oost) en Torensteepolder.
De bemalingsgebieden zijn opgedeeld in verschillende peilgebieden. De waterpeilen voor de zomer- en winterperiode zijn per peilgebied vastgelegd in peilbesluiten. Het Waterschap moet in beginsel het peilbesluit nakomen, maar kan daar in bijzondere omstandigheden van afwijken. Het instellen van het winterpeil (lager dan het zomerpeil) vindt jaarlijks (meestal) plaats tussen 15 september en 15 november.
In de nacht van 30 op 31 augustus 2015 is in het oostelijk deel van het beheersgebied van het Waterschap (de Hoeksche Waard en het Eiland van Dordrecht) in korte tijd extreem veel regen gevallen, ruim 40 tot 90 mm, (hierna: de zware regenval). De (statistische) herhalingstijd daarvan ligt - afhankelijk van de precieze locatie - tussen de 25 en 500 jaar. Het grootste deel van de regen viel in een tijdsbestek van acht uren, namelijk tussen 20.00 uur op 30 augustus 2015 en 04.00 uur op 31 augustus 2015. De neerslag heeft geleid tot forse peilstijgingen. De akkers van [appellanten] zijn hierdoor gedurende meer dan 24 uur onder water komen te staan.
Bij verzoekschrift van 2 juni 2017 hebben [appellanten] de rechtbank verzocht om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen. Aan dit verzoek hebben zij, kort gezegd, het volgende ten grondslag gelegd. Door de zware regenval (zoals vermeld in rov. 3.5) is wateroverlast in de Hoeksche Waard ontstaan. Het Waterschap heeft ten onrechte nagelaten om na de wateroverlast in 2001 en 2013 structurele maatregelen te treffen om wateroverlast te voorkomen en heeft onvoldoende adequate maatregelen getroffen om de wateroverlast te bestrijden die in de nacht van 30 op 31 augustus 2015 is ontstaan. Hierdoor hebben de gewassen op de percelen van [appellanten] te lang onder water gestaan en zijn deze deels verloren gegaan.
Bij beschikking van 21 november 2017 heeft de rechtbank ir. M. Vroege, later met instemming van partijen vervangen door ir. K. de Vries, verbonden aan Arcadis Nederland B.V. (hierna: Arcadis), als deskundige benoemd ter beantwoording van de volgende vragen:
-
Hoe moet de regenval in het beheersgebied van het Waterschap in de periode van 30 augustus tot en met 8 september 2015 qua aard en omvang worden gekwalificeerd (herhalingstijd) gelet op de relevante neerslaggegevens van het KNMI? Is daarbij de periode ervoor en/of erna relevant?
-
Welke pompcapaciteit zou nodig zijn geweest om het regenwater, dat in genoemde periode is gevallen in het gebied waar [appellanten] hun bedrijven hebben, af te voeren dan wel weg te pompen, zodat de regenval geen schade aan de gewassen zou hebben veroorzaakt, uitgaande van de fictieve situatie dat de watergangen schoon waren en op leggerprofiel en de inlaat gesloten alsmede uitgaande van de reële situatie?
-
Voldeden de voor [appellanten] relevante waterlopen in het beheersgebied van het Waterschap op 30 augustus 2015 aan de normen qua afvoercapaciteit en profiel, mede gelet op het bepaalde in de Provinciale verordening, de Keur, de Legger en de relevante flora- en faunawetgeving, waaronder het maaibeleid?
-
Welke maatregelen heeft het Waterschap getroffen ter bestrijding/beperking van de wateroverlast in het beheersgebied ten gevolge van de regenval van 30 augustus tot en met 8 september 2015?
-
Wat waren de feitelijke gevolgen van die maatregelen voor het beheersgebied?
-
Wat waren de feitelijke gevolgen van die maatregelen voor het gebied waar [appellanten] hun bedrijven hebben?
-
In hoeverre zijn de maatregelen die het Waterschap heeft getroffen ter bestrijding/ beperking van de wateroverlast ten gevolge van de regenval van 30 augustus tot en met 8 september 2015, bezien vanuit de belangen van het beheersgebied van het Waterschap als geheel, adequaat te achten?
-
In hoeverre is dit het geval bezien vanuit de belangen van [appellanten]?
-
Welke andere maatregelen stonden het Waterschap ter beschikking ter verdere bestrijding/beperking van de wateroverlast in het beheersgebied als geheel?
-
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
Op verzoek van onder meer [appellanten] heeft voor de rechtbank op 10 april 2018, 13 juni 2018 en 4 juli 2018 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden.
Arcadis heeft op 22 augustus 2019 haar definitieve deskundigenrapport uitgebracht (productie 1 dagvaarding). Over de oorzaak van de wateroverlast heeft Arcadis aannemelijk geacht dat, gezien de neerslagintensiteit en de voorgeschiedenis van de neerslag (ook veel regen in de dagen ervoor), verzadiging van het bodemprofiel is opgetreden omdat de hoeveelheid neerslag groter was dan de afvoercapaciteit van de bodem en de capaciteit van het (vrij uitstromende) drainagestelsel. Het oppervlaktewater (het water in de sloten/vaarten) heeft, aldus Arcadis, vrijwel overal boven de drains gestaan, waardoor de ontwateringscapaciteit is verminderd. Verder heeft Arcadis nog gerapporteerd, zoals hierna (in rov 3.10) is weergegeven in het rapport van het adviesbureau HKV van 11 maart 2022. Daarnaast heeft Arcadis over onderstaande aspecten gerapporteerd:
“6.3 (…) Het laten zakken van waterpeilen is niet zonder risico’s, omdat dit kan leiden tot afschuiven van oevers. Om die reden is voormalen langer dan 3 uur riskant. De verdeling van de hevige neerslag over de bemalingsgebieden valt bovendien niet over een periode van zes tot 12 uur te voorspellen. (…) Voormalen levert bij extreme neerslag dus een geringe bijdrage aan het verkorten van de duur van de overlast. (…) 7.2 (….) We concluderen dat het effect schone waterlopen op gewasschade in dit geval verwaarloosbaar is: oftewel het schonen van watergangen zou in dit geval geen bijdrage geleverd hebben aan het voorkomen of verminderen van gewasschade. (…) 7.6 (…) De inzet van noodpompen heeft voor grote delen van de polders geleid tot een iets kortere duur van de periode met verhoogd oppervlaktewater waarbij drainage onder water stond. Volgens de simulatie was maar zeer beperkt sprake inundatie van het maaiveld (…) op de percelen van [appellanten] (…)
(…)
De maatregel met het meeste effect op de oppervlaktewaterstanden is het inzetten van meer pompcapaciteit naar het buitenwater. Zoals reeds toegelicht (…) zouden voor maximale schadereductie grote hoeveelheden (>10 keer de aanwezige pompen) noodzakelijk zijn. Het is niet realistisch te veronderstellen dat deze capaciteit op korte termijn en voor deze locatie te mobiliseren is, en dat het waterschap daarop voorbereid zou moeten zijn. De benodigde pompcapaciteit is waarschijnlijk niet beschikbaar, of alleen tegen grote kosten.”
Het adviesbureau HKV (hierna: HKV) heeft in opdracht van de advocaat van het Waterschap op 11 maart 2022 gerapporteerd over de zware regenval (productie 8 conclusie van antwoord). In deze rapportage staat onder meer het volgende:
(bladzijde 12)
“We merken daarbij op dat verhoogde waterstanden bij de gevallen extreme neerslag onontkoombaar waren en dat het overschrijden van drainhoogtes als zodanig geen schending van de zorgplicht door het waterschap impliceert.”
(bladzijde 15)
“Tot slot gaan we terug naar de oorspronkelijke onderzoeksvraag: “In hoeverre zou een deugdelijk functionerend drainagesysteem in staat zijn geweest om de neerslag op 30 augustus t/m 1 september2015 te verwerken.” Zoals uit het voorgaande blijkt zou een deugdelijk aangelegd en onderhouden drainagesysteem niet in staat geweest zijn de neerslag te verwerken. Daarvoor was de gevallen neerslag te hoog, evenals de verhoogde oppervlaktewaterstanden als onontkoombaar gevolg daarvan.”
(bladzijde 17 en 18)
“4.2 Algemeen effect van eerdere inzet noodpompen
(…) Het rapport van Arcadis gaat in op de wateroverlast in de Hoeksche Waard (…). Eerst nemen we de relevante bevindingen hieruit over die relateren aan de inzet noodpompen: [hof: hieronder volgen, klein gedrukt, citaten uit het deskundigenrapport van Arcadis]:
Bladzijde 47 Arcadis: “Tijdens en na de neerslaggebeurtenis van augustus-september 2015 was het grootschalig inzetten van interne noodpompen waarschijnlijk geen realistische maatregel, aangezien veel bemalingsgebieden in de regio te maken hadden met vergelijkbare problematiek.”
Bladzijde 54 Arcadis: “Met het model is uitgerekend wat het effect zou zijn geweest als de noodpompen eerder waren opgestart. Voor deze simulatie is aangenomen dat alle noodpompen om 00:00 31augustus 2015 (het startmoment waarop de peilen normaal gesproken gaan stijgen) zijn geïnstalleerd en klaar staan om te gaan pompen.”
Bladzijde 56 Arcadis: “Bovenstaande berekeningen gaan uit van een theoretische situatie. Het vervroegd inzetten van noodpompen is in praktijk een stuk lastiger. De precieze locatie van de lokale hevige neerslag en de prioritering van noodpompen is van tevoren lastig te voorspellen. Er is daarom tijd nodig om op basis van betrouwbare informatie een afgewogen besluit te kunnen nemen over de inzet van noodpompen (bijv. om te voorkomen dat pompen onnodig of foutief worden geplaatst.) Bovendien is ook na de besluitvorming nog tijd nodig voor de voorbereiding, organisatie en de installatie van de pompen. In de praktijk is het daarom niet aannemelijk dat de noodpompen in de Hoeksche Waard al vanaf 00:00 31 augustus 2015 vol hadden kunnen draaien.”
Bladzijde 56 Arcadis: “Kortom, het eerder inzetten van noodpompen heeft effect op de peiloverschrijdingen in de Hoeksche Waard. Op de meeste plaatsen daalt de piek in de waterstand 5 tot 15 cm, en neemt de duur van verdronken drains af met 15 tot 50%.”
Bladzijde 65 Arcadis: ”De inzet van noodpompen heeft voor grote delen van de polders geleid tot een iets kortere duur van de periode met verhoogd oppervlaktewater waarbij drainage onder water stond. Volgens de simulatie was maar zeer beperkt sprake inundatie van het maaiveld in dit gebied en op de percelen van [appellanten] (….). Het terugdringen van de omvang en de duur van inundatie (al dan niet door inzet van noodpompen) kan dan ook niet met het model aangetoond worden.”
Bladzijde 68-69: “De meest noodpompen in de Hoeksche Waard werden opgestart in de loop van 31 augustus 2015 (met name in de avond). Dit is veelal een etmaal na de periode met extreme neerslag (van 20:00 30 augustus 2015 tot 04:00 31 augustus 2015). In het watersysteem zelf begonnen de waterstanden vanaf 00:00 31 augustus 2015 sterk te stijgen en werden de maximale waterstanden rond 18:00 31 augustus 2015 bereikt. Elke minuut dat de noodpompen eerder waren opgestart had geholpen om de wateroverlast te beperken. De modelsimulaties hebben laten zien dat de piekwaterstanden en tijdsduren waarin de drains onder water stonden gereduceerd hadden kunnen worden als de noodpompen al vanaf 00:00 31 augustus 2015 draaiden. Deze theoretische start van de inzet van noodpompen is wel erg vroeg en in werkelijkheid niet realistisch. Uit voorliggend onderzoek kan niet geconcludeerd worden of en hoeveel de noodpompen eerder hadden kunnen worden opgestart. Het inzetten van noodpompen vraagt tijd en energie in besluitvorming, voorbereiding, organisatie en installatie.”
Uit de rapportage van Arcadis trekken wij de volgende conclusies ten aanzien van de haalbaarheid en de effecten van het eerder inzetten van noodpompen [onderstreping door het hof]:
Het eerder inzetten van noodpompen had de wateroverlast verminderd met maximaal orde 5 tot 15 cm waterstandsreductie op de piek en 15 tot 50% op de duur. Arcadis concludeert echter ook zelf dat het voor de analyse gekozen starttijdstip van de noodpompen niet realistisch is en dat niet geconcludeerd kan worden of en hoeveel pompen daadwerkelijk eerder hadden kunnen worden opgestart. Dit maakt dat de analyse meer een theoretische gevoeligheidsanalyse is dan een waarheidsgetrouwe weergave van de winst die behaald had kunnen worden met eerdere inzet van noodpompen, zoals Arcadis ook zelf aangeeft.
Het gekozen startmoment van inzet van noodbemaling is sterk bepalend voor het uiteindelijke effect. De noodpompen hadden in het meest gunstige scenario een paar uur eerder ingezet kunnen worden en pas nadat de piekwaterstanden al waren opgetreden. Immers, van tevoren was niet voorspeld waar de extreme neerslag precies ging vallen en dus moesten de locaties van de noodpompen bepaald worden op basis van geconstateerde (dreigende) wateroverlast nadat de neerslag al was gevallen. Dat betekent dat noodbemaling niet de piekwaterstanden kon reduceren maar hooguit de duur van de wateroverlast een paar uur (orde 5-15%) kon verminderen. Gegeven de in Tabel 5 en Tabel 6 gepresenteerde duren van water boven de drains is het onwaarschijnlijk dat dit een significante schadereductie zou hebben geresulteerd.”
(bladzijde 18 en 19)
“4.3 Algemene effect van inzet extra noodpompen
(…)
Uit de rapportage van Arcadis trekken wij de volgende conclusies m.b.t. de effecten van het inzetten van extra noodpompen in de Hoeksche Waard [onderstreping door het hof]:
De bestaande gemalen voldeden aan de capaciteitseisen (minimaal 1,5 l/s/ha);
De gerealiseerde inzet van noodpompen heeft de duur van de verhoging van de waterstanden orde 10-25% verminderd. Op basis van de in Tabel 5 gepresenteerde duren van overschrijding van drainhoogtes is het onwaarschijnlijk dat een significante schadereductie is bereikt.
Om verhoging van de waterstanden geheel te voorkomen zou een extra capaciteit nodig zijn geweest van een factor 2 tot 5 van de bestaande gemaalcapaciteit. Dit zou dan gaan om een factor 10 verhoging van de in 2015 toegepaste noodpompcapaciteit (100-300 noodpompen met een capaciteit van 18 m3/min). Dit is volkomen onrealistisch zoals Arcadis zelf ook aangeeft op basis van expert oordeel en overleg met een leverancier. Bovendien zijn de watergangen niet gedimensioneerd op - en daarmee limiterend voor - een dergelijke verhoging van de maalcapaciteit.
Hiervoor hebben we al gezien dat extra (verzochte) inzet van noodpompen geen significante schadereductie zouden hebben bewerkstelligd. Het plaatsen van extra noodpompen, bij bijvoorbeeld gemaal Steenplaats te Strijen, gemaal De Volharding of De Wacht zoals door eisers of ingelanden gesuggereerd zou dus ook geen significant effect hebben gehad.”
(bladzijde 24)
“ Strijensasboezem [onderstreping door het hof] We beoordelen de claim dat met (nood)pompen water afgewenteld had kunnen worden op de Strijensasboezem, waardoor de wateroverlast in de bemalingsgebieden Volharding en Puttershoed verminderd had kunnen worden.
(…)
Door de langdurige inzet van de gemalen Overwater en Land van Essche en de inzet van twee noodpompen bij gemaal het Land van Essche is de Strijensasboezem gedurende ongeveer twee etmalen continu belast. De mogelijkheid tot verder afwentelen naar de Strijensasboezem kon door het waterschap niet worden benut omdat deze boezem al vol zat en meer lozingen zouden resulteren in overtoppen, en dus falen, van een boezemkade.”
(bladzijde 27)
“We concluderen dat het gevoerde maaibeheer niet of nauwelijks heeft bijgedragen aan de wateroverlast.” [onderstreping door het hof]
(bladzijde 37)
“Het waterschap heeft ons inziens terecht besloten geen noodbemaling te plaatsen op de door Van der Eijk [hof: geen partij in deze procedure] gevraagde locatie langs de Dordtse Kil [hof: een primaire waterkering waaraan reconstructiewerkzaamheden plaatsvonden]” [onderstreping door het hof]
4 Procedure bij de rechtbank
[appellanten] hebben het Waterschap gedagvaard en gevorderd - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:1) voor recht te verklaren dat het Waterschap onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [appellanten] hierdoor geleden schade,2) het Waterschap te veroordelen om aan [appellanten] te betalen de door [appellanten] geleden schade van in totaal € 1.911.554,46, te voldoen aan [appellanten] conform het schadeoverzicht zoals weergegeven in alinea 3.97 van de dagvaarding, te vermeerderen met de wettelijke rente,3) het Waterschap te veroordelen om aan [appellanten] te betalen € 7.712,- voor de kosten van rechtsbijstand en € 63.310,45 voor de deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,4) het Waterschap te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[appellanten] hebben hier - kort samengevat – aan ten grondslag gelegd dat het Waterschap bij de zware regenval in zijn beheersgebied op 30 en 31 augustus 2015 niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan en daarmee onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld.
In dit verband hebben [appellanten] met name het volgende aangevoerd. Ondanks concrete aanbevelingen naar aanleiding van wateroverlast in het verleden (in 2001 en 2013) heeft het Waterschap geen structurele maatregelen getroffen om het watersysteem ook bij forse neerslaghoeveelheden deugdelijk te laten functioneren. Het Waterschap heeft nagelaten om te investeren in vaste opstelplaatsen voor noodpompen op strategische punten en om het aantal opstelplaatsen uit te breiden. Het Waterschap beschikte ook niet over een noodpompenplan met de benodigde en beschikbare noodpompen en heeft nagelaten om afspraken te maken met leveranciers van noodpompen die op afroep kunnen worden gehuurd (waakvlamovereenkomsten). Het calamiteitenbeleid van het Waterschap was niet adequaat, aldus nog steeds [appellanten]
Voor en tijdens de zware regenval op 30 en 31 augustus 2015 heeft het Waterschap voorts niet adequaat gehandeld. [appellanten] verwijten het Waterschap dat het ondanks de weersvoorspellingen niet heeft voorbemalen en het peil niet heeft verlaagd naar het winterpeil. Ook was sprake van achterstallig onderhoud van de watergangen. Tijdens de zware regenval heeft het Waterschap traag gereageerd. Het heeft te laat noodpompen ingezet en ten onrechte de aangeboden hulp in de vorm van trekkers en noodpompen van aannemers en agrariërs geweigerd. De calamiteitenorganisatie heeft niet goed gefunctioneerd.
Als gevolg hiervan kon het water niet tijdig genoeg uit de polders in de Hoeksche Waard worden afgevoerd en hebben de gewassen op de percelen van [appellanten] langer dan 24 uur onder water gestaan. Hierdoor zijn deze gewassen bijna helemaal verloren gegaan.De omvang van de gewasschade bedraagt in totaal € 1.911.554,46.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat het Waterschap jegens [appellanten] zijn zorgplicht had geschonden.
5 Vorderingen, klachten en verweer in hoger beroep
De stellingen van [appellanten] (samengevat)
[appellanten] hebben het afwijzend oordeel van de rechtbank bestreden. [appellanten] hebben hun stellingen en vorderingen uit de eerste aanleg herhaald en meer concreet in de memorie van grieven het volgende aangevoerd.
Het Waterschap heeft niet aan zijn zorgplicht voldaan door na te laten om voorafgaand aan de zware regenval adequate en structurele maatregelen te treffen om wateroverlast zoveel mogelijk te voorkomen, met name naar aanleiding van de neerslaggebeurtenissen in het verleden (onder meer in 2001 en 2013) en de aanbevelingen die toen naar aanleiding van evaluaties zijn gedaan om de watersystemen te verbeteren en het Waterschap beter voorbereid te doen zijn op omvangrijke neerslaggebeurtenissen in de toekomst. Aldus heeft het Waterschap een systeem in stand gelaten dat niet was voorbereid op hevige neerslaggebeurtenissen. Het Waterschap had er naar aanleiding van de eerdere neerslaggebeurtenissen met name voor moeten zorgen dat aanzienlijk meer noodpompen beschikbaar waren. Het had daartoe extra opstelplaatsen voor noodpompen moeten creëren, meer moeten investeren in eigen noodpompen en waakvlamovereenkomsten moeten sluiten. Volgens [appellanten] had het Waterschap, als het goed was voorbereid, eenvoudig over 100 noodpompen kunnen beschikken.
Daarnaast heeft het Waterschap ook kort voor en tijdens de zware regenval niet adequaat gehandeld. De besluitvorming óver en het treffen ván maatregelen verliepen veel te traag, terwijl aangeboden hulp (in de vorm van het inzetten van tractoren en noodpompen) niet werd aanvaard. Het Waterschap had de wél gebruikte noodpompen sneller kunnen inzetten en heeft niet onderkend dat het op meerdere locaties mogelijk was om overtollig water naar het buitenwater te pompen (in ieder geval bij de Dordtse Kil en de Strijensasboezem). Daarnaast had preventief het peil verlaagd moeten worden (voorbemalen en het oppervlaktewater verlagen naar het winterpeil). Ook wijzen [appellanten] erop dat de watergangen niet allemaal voldeden aan de normen.
Het verweer van het Waterschap (samengevat)
Het Waterschap heeft gemotiveerd betwist dat het naar aanleiding van de zware regenval in 2001 en 2013 onvoldoende (structurele) maatregelen heeft getroffen. In de conclusie van antwoord (70 e.v.) heeft het opgesomd wat sindsdien is gedaan. [appellanten] stellen zich ten onrechte op het standpunt dat het watersysteem niet aan de normen voldeed omdat er binnen een tijdsbestek van 15 jaar drie keer wateroverlast is geweest. Het gaat echter om statistische normen die bovendien betrekking hebben op inundatie (overstroming vanuit het oppervlaktewater), waarvan in casu geen sprake was. De watersystemen voldeden aan de norm voor akkerbouwgrond. De door [appellanten] gewenste capaciteit aan noodpompen is volstrekt onrealistisch, zoals ook HKV en de rechtbankdeskundige Arcadis hebben gezegd. Tijdens de zware regenval heeft het Waterschap wel degelijk de nodige maatregelen getroffen. Van schending van zijn zorgplicht is geen sprake.
6 Beoordeling in hoger beroep
De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Inleiding
Zware regenval
Duidelijk is dat in de betreffende nacht van 30 op 31 augustus 2015 plaatselijk sprake is geweest van extreme regenval waardoor het water in de watergangen in de Hoeksche Waard forse hoogtes (boven de drainage-uitlaten van de door eerdere regen verzadigde akkers) heeft bereikt. De akkers zijn blijkens de rapportages toen overigens niet, althans nauwelijks, geïnundeerd (overstroomd vanuit het oppervlaktewater). Het Eiland van Dordrecht, dat ook tot het beheersgebied van het Waterschap behoort, heeft eveneens te maken gehad met extreme regenval, zelfs nog iets meer. Deze regenval heeft in voormelde gebieden en ook in het belendende beheersgebied van het waterschap Rivierenland tot wateroverlast geleid.Zorgplicht van het Waterschap
Het gaat in deze zaak om de vraag of het Waterschap zijn zorgplicht ten aanzien van het watersysteem in de polder heeft geschonden (artikel 1 van de Waterschapswet). De zorg voor het watersysteem (artikel 2.1, eerste lid onder a van de toenmalige Waterwet) omvat het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Tot de zorgplicht behoort dus het voorkomen en zo nodig beperken van wateroverlast. Die zorgplicht is door de wetgever niet verder uitgewerkt, maar wel in de rechtspraak. Volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 19811 hangt de zorgplicht van een waterschap ten aanzien van het beheer van het waterpeil af van verschillende factoren, waaronder het aantal, de aard en de lengte van de waterwegen waarvan het onderhoud ten laste van het waterschap komt, en de middelen - financiële en andere - die het waterschap voor het nakomen van zijn verplichtingen ten dienste staan, waarbij een zekere mate van beleidsvrijheid aan het waterschap niet kan worden ontzegd.
De rechtbank heeft dit terecht ook zo geformuleerd in haar vonnis (rov. 4.2). Op het Waterschap rust dus een inspanningsverplichting, geen resultaatsverplichting. Getoetst moet worden of het Waterschap, in aanmerking genomen de concrete omstandigheden van het geval, de verschillende bij zijn beleid betrokken belangen en zijn beperkte middelen, heeft voldaan aan de zorg van een goed waterbeheerder. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
De stelplicht en bewijslast
Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv moeten [appellanten] feiten en omstandigheden stellen, en zo nodig bewijzen, waaruit volgt dat sprake is van schending van deze zorgplicht. [appellanten] betwisten dit uitgangspunt niet, maar betogen dat op het Waterschap in dit verband een verzwaarde stelplicht rust, en wel in die zin dat het Waterschap ook aansprakelijk is wanneer het niet kan onderbouwen welk beleid het concreet heeft gevolgd.
Naar het oordeel van het hof gaat laatstbedoelde stelling van [appellanten] over de verzwaarde stelplicht in zijn algemeenheid te ver. Wél is duidelijk dat het Waterschap ter bestrijding van de verwijten van [appellanten] deugdelijk moet toelichten welke stappen het heeft gezet. Deze toelichting heeft het Waterschap gegeven. Het hof verwijst hiervoor met name naar de conclusie van antwoord (42 tot en met 49, 69 tot en met 74 en 108 tot en met 110) en de conclusie van dupliek (30 en 75 tot en met 80), met bijbehorende producties. Het Waterschap heeft hier in zijn memorie van antwoord ook op gewezen.
Verdere beoordeling
Verhoogde waterstanden onontkoombaar
[appellanten] verwijten het Waterschap blijkens het voorgaande in de kern niet zozeer dat het water in de watergangen door de zware regenval en de (door eerdere regenbuien) verzadigde akkers extreme hoogtes heeft bereikt. Wel verwijten zij het Waterschap (hoofdzakelijk) dat het water wegens het uitblijven van voldoende structurele en incidentele maatregelen niet snel genoeg is afgevoerd naar de buitenwateren. Als de afvoer beter was geweest, zouden de gewassen minder lang onder water hebben gestaan, zodat [appellanten] naar hun zeggen geen dan wel minder schade zouden hebben gehad.
Onvoldoende maatregelen?
Het hof verwerpt de stelling van [appellanten] dat het Waterschap onvoldoende heeft gedaan met de aanbevelingen na de zware regenval in 2001 en 2013. Niet weersproken is dat het Waterschap de bij conclusie van antwoord (72) opgesomde maatregelen heeft genomen. De omstandigheid dat het Waterschap niet alle maatregelen heeft genomen die [appellanten] gewenst zouden vinden, betekent niet dat het Waterschap reeds hierom zijn zorgplicht heeft geschonden. In dit verband verdient aandacht dat in het Evaluatierapport wateroverlast oktober 2013 (productie 10 dagvaarding) over noodbemaling (door de inzet van noodpompen) is opgenomen: “Inmiddels zijn er al veel ’reguliere’ opstelplaatsen voor noodbemaling gerealiseerd. Bij de actualisatie van het calamiteitenbestrijdingsplan kan bezien worden of specifieke locaties nog toegevoegd moeten worden aan deze reguliere opstelplaatsen. Met name voor specifieke gebieden (hoge waarde/veel schade) [hof: zoals stedelijke gebieden] kan noodbemaling immers significant zijn in het beperken van de wateroverlast.”. Beslissingen hierover passen naar het oordeel van het hof binnen de beleidsvrijheid die het Waterschap toekomt.
Een steeds terugkerend thema is de stelling van [appellanten] dat het Waterschap voor heel veel meer noodpompen had moeten zorgen, zodat de gewassen aanzienlijk minder lang onder water zouden hebben gestaan. Los van de vraag of het door [appellanten] gewenste aantal noodpompen de schade aan de gewassen zou hebben voorkomen, miskennen [appellanten] hiermee de realiteit, waarbij door het Waterschap afwegingen moeten worden gemaakt. Niet voor niets bestempelen Arcadis (de gerechtelijke deskundige) en HKV de door [appellanten] gewenste capaciteit aan noodpompen (100 stuks) als volstrekt onrealistisch. Het hof begrijpt dat het er daarbij niet alleen om gaat dat het niet realistisch is te veronderstellen dat die hoeveelheid noodpompen toen op korte termijn voor deze locatie (tegen aanvaardbare kosten) te mobiliseren was, maar ook dat het niet realistisch is om te verwachten dat het Waterschap daarop voorbereid zou hebben moeten zijn (zie rapport Arcadis, p. 68, bovenaan, weergegeven hiervoor bij rov 3.10). Het hof neemt dit standpunt over. [appellanten] betogen bij memorie van grieven (1.12) weliswaar dat dit een noodpompencapaciteit is waarover het Waterschap eenvoudig kan beschikken mits het alle benodigde maatregelen daarvoor tijdig treft, maar het blijft bij beweringen. [appellanten] gaan niet specifiek in op voormelde, grondig toegelichte, bevindingen van Arcadis (wier bevindingen het hof overtuigend voorkomen) en HKV. Evenmin is aandacht voor het gegeven dat de zware regenval buiten het normale patroon viel en dat de zorgplicht van het Waterschap niet zover gaat dat het een bepaald resultaat ook in barre omstandigheden moet garanderen.
Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat de zorgplicht van het Waterschap niet zover ging dat het had moeten zorgen voor (de beschikbaarheid van) het door [appellanten] gewenste aantal noodpompen, althans voor aanzienlijk méér noodpompen. De vraag is vervolgens of het Waterschap tijdens de periode van de zware regenval voldoende heeft gedaan om de aanwezige noodpompen daadwerkelijk en voortvarend in te zetten.
In dit verband is van belang dat in een periode van omstreeks acht uur extreem veel regen is gevallen in de Hoeksche Waard en het Eiland van Dordrecht, beide gebieden behorend tot het beheersgebied van het Waterschap, zodat de zorg van het Waterschap op méér dan louter de Hoeksche Waard was gericht. Arcadis heeft dit punt indirect genoemd met haar opmerking (bladzijde 46) “Tijdens en na de neerslaggebeurtenis van augustus-september 2015 was het grootschalig inzetten van interne noodpompen waarschijnlijk geen realistische maatregel, aangezien veel bemalingsgebieden in de regio te maken hadden met vergelijkbare problematiek”.
In dit verband wijst het hof ook nog op de complicatie dat slechts een beperkt deel van de Hoeksche Waard direct kon afwateren op een hoofdwatergang/buitenwater. Anders dan [appellanten] hebben aangevoerd, zat de Boezem van Strijensas wel degelijk vol (zie onder meer HKV, rov. 3.10), zodat daarop niet kon worden geloosd. [appellanten] hebben nog betoogd dat ten onrechte plaatsing van een noodpomp bij de Dordtse Kil (een primaire waterkering dicht bij open water) is geweigerd. Los van de vraag of dit invloed zou hebben gehad op de percelen van [appellanten] (deze kwestie heeft immers met name betrekking op Van der Eijk c.s., die geen partij zijn in deze procedure), heeft het Waterschap in redelijkheid (volgens deskundige HKV terecht) de afweging kunnen maken om dit niet te doen wegens de reconstructiewerkzaamheden die aan deze vitale waterkering plaatsvonden.
Het verwijt dat te traag (met noodpompen) is gereageerd is door het Waterschap terecht (en grotendeels overeenkomstig de bevindingen van Arcadis en HKV) gepareerd met de stellingen (i) dat het een ingewikkelde materie was waarin zorgvuldige keuzes gemaakt moesten worden, terwijl de Buitendienst bovendien wel degelijk snel aan de slag is gegaan, (ii) dat een calamiteitenorganisatie is ingesteld en opgeschaald, (iii) dat het Waterschap de gemalen handmatig heeft overgeschakeld naar maximale capaciteit, (iv) dat wel degelijk noodpompen zijn ingeschakeld maar dat tevoren niet duidelijk was waar de ‘puntbuien’ (regenbuien waarbij in korte tijd heel lokaal veel neerslag valt) zouden vallen, zodat niet tevoren een opstelplaats kon worden bepaald, terwijl prioritering op het moment zelf lastig was en (v) dat mede gelet op vervoer naar het steunpunt, het enige tijd heeft geduurd voordat de noodpompen in werking waren. Dit sluit, zoals gezegd, aan op de stellingen van de deskundigen dat de praktijk (de realiteit) een andere is dan de theorie. Het hof neemt deze gedachtegang over.
Omtrent het verwijt van [appellanten] dat het Waterschap aangeboden hulp van agrariërs om noodpompen te plaatsen heeft geweigerd, heeft de rechtbank (in rov. 4.19) overwogen dat [appellanten] niet hebben onderbouwd wat het effect daarvan in het betreffende geval zou zijn geweest. Ook in hoger beroep hebben [appellanten] dit niet onderbouwd. De stelling van [appellanten] in hoger beroep (memorie van grieven 3.50) dat het Waterschap niet heeft onderbouwd dat het deze hulp in redelijkheid heeft mogen weigeren, miskent dat de stelplicht terzake op [appellanten] rust.
Het hof verwerpt in dit verband ook het verwijt van [appellanten] dat niet is voorbemalen (om de bergingscapaciteit te vergroten). Het hof is het eens met de rechtbank in rov. 4.11. Ook de stelling van [appellanten] dat het Waterschap preventief het peil had moeten verlagen naar het winterpeil wordt verworpen. Het hof is het ook op dit punt eens met de rechtbank (in rov. 4.12). De algemene stellingen van [appellanten] in de memorie van grieven maken dit niet anders.
Voor zover [appellanten] stellen dat (anders dan de rechtbank in rov. 4.7 van het vonnis) het watersysteem niet voldeed aan de gestelde normen voor bergingscapaciteit (memorie van grieven 3.17), hebben [appellanten] deze stelling, in het licht van de gemotiveerde betwisting door het Waterschap, niet deugdelijk onderbouwd. Verder wil het hof niet onvermeld laten dat de bergingscapaciteit op het moment van de zware regenval aanmerkelijk was verkleind door de verzadiging van de akkers (wegens kort voordien gevallen regen), hetgeen niet in de invloedssfeer van het Waterschap lag. In zoverre is dit verwijt niet terecht.
Met betrekking tot het maaibeheer geldt tot slot dat, los van het feit dat het Waterschap overeenkomstig het reguliere maaibeheer heeft gehandeld bij het maaien van de watergangen, de deskundigen Arcadis en HKV het erover eens zijn dat eerder maaien niet dan wel nauwelijks zou hebben geholpen.
Conclusie en proceskosten
Al met al valt te betreuren dat het overtollige water niet sneller afgevoerd is kunnen worden, maar van schending van zijn zorgplicht als bedoeld in rov. 6.3-6.4 (onrechtmatig handelen) door het Waterschap is niet gebleken.
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellanten] niet slaagt. Aan (nader) bewijs door getuigen (of deskundigen) wordt niet toegekomen. [appellanten] hebben geen concrete feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van het Waterschap op:
griffierecht € 6.561,-
salaris advocaat € 6.609,- (1 punt × tarief VIII)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 13.359,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
7 Beslissing
Het hof:
-
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2024;
-
veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van het Waterschap begroot op € 13.359,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
-
bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
-
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.M. Burg, D. Stoutjesdijk en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.