GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-26/318
Uitspraak van 1 september 2026
op het verzet van [X] te [Z] , belanghebbende, tegen na te noemen uitspraak.
Uitspraak en verzet
Belanghebbende heeft verzet aangetekend tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling van de enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 8 juli 2026, waarbij het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 17 maart 2026, nummer SGR 25/8634, niet-ontvankelijk is verklaard omdat belanghebbende de gronden van het hoger beroepschrift niet tijdig heeft ingediend.
Het verzetschrift is ter griffie van het Hof ontvangen op 10 juli 2026.
Belanghebbende heeft een nadere toelichting op het verzet ingediend.
De mondelinge behandeling van het verzet heeft plaatsgehad ter zitting van 18 augustus 2026. Belanghebbende is verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2024 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) bij uitspraak van 17 maart 2025 ongegrond verklaard. Bij bericht van 19 maart 2026 is aan belanghebbende en de Inspecteur via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ (Mijn Rechtspraak), medegedeeld dat de uitspraak in het digitale dossier is geplaatst.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, doch omdat het hogerberoepschrift niet de gronden van het hoger beroep bevat is hij door middel van een bericht, verzonden op 28 april 2026 om 11.23 uur via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’, op het verzuim gewezen en is hij bij dat bericht in de gelegenheid gesteld dit verzuim uiterlijk op 26 mei 2026 te herstellen.
Belanghebbende heeft aan deze uitnodiging niet binnen de gestelde termijn gevolg gegeven. De gronden van het hoger beroep zijn - na het verstrijken van voormelde uiterste datum van 26 mei 2026 - te weten op 9 juni 2026 om 11.22 uur via Mijn Rechtspraak door het Hof ontvangen.
Belanghebbende heeft bij het indienen van vorenbedoelde gronden van het hoger beroep, bij het indienen van het in 1.1 vermelde verzetschrift alsmede bij de mondelinge behandeling van het verzet als reden voor de termijnoverschrijding aangevoerd dat de notificatie waarin hem de gelegenheid werd geboden het verzuim te herstellen aan zijn aandacht is ontsnapt.
Geschil in verzet
In geschil is of het hoger beroep terecht bij de in 1.1 vermelde uitspraak niet-ontvankelijk is verklaard.
Belanghebbende concludeert tot ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, tot gegrondbevinding daarvan, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en het verminderen van de aan belanghebbende voor het jaar 2024 opgelegde aanslag IB/PVV door het verlenen van een arbeidskorting.
Beoordeling van het verzet
De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 in verbinding met artikel 6:24 Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Die termijn vangt aan met ingang van de dag na die van verzending van de uitspraak door de Rechtbank (artikel 6:8 Awb). Een hogerberoepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, lid 1, Awb).
In de uitspraak van de Rechtbank is een rechtsmiddelenverwijzing opgenomen, waarin is vermeld hoe hoger beroep kan worden ingesteld. Daarin is, conform artikel 6:5 Awb onder meer, en voorzover in dit geschil van belang, het volgende vermeld:
“Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 – bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 – (…).
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).”
Niet in geschil is dat het pro-forma hogerberoepschrift binnen de daarvoor geldende termijn door het Hof is ontvangen, doch dat het hogerberoepschrift niet de gronden van het hoger beroep bevat.
Het Hof heeft op 28 april 2026, op de voet van artikel 6:6 Awb, via Mijn Rechtspraak in het digitale dossier van belanghebbende een bevestiging van het (pro-forma) hogerberoepschrift en een uitnodiging tot herstel van het geconstateerde verzuim, te weten het niet vermelden van de gronden van het hoger beroep, geplaatst.
Belanghebbende is erop gewezen dat het verzuim uiterlijk op 26 mei 2026 diende te zijn hersteld en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard bij het ontbreken van de gronden van het hoger beroep.
Belanghebbende heeft erkend dat de e-mailnotificatie in zijn mailbox is geplaatst. Hij heeft verklaard dat deze notificatie destijds aan zijn aandacht is ontsnapt, waardoor hij niet tijdig kennis heeft genomen van de uitnodiging tot herstel van het verzuim en de daarin genoemde hersteltermijn en de daarin genoemde uiterste hersteldatum.
Belanghebbende wijst erop dat hij procedeert als individuele burger, zonder advocaat of professionele rechtsbijstandverlener. Het missen van deze ene notificatie is een eenmalige, menselijke vergissing. Er was geen sprake van onwil, het bewust negeren van een rechterlijke termijn of het prijsgeven van het hoger beroep.
Belanghebbende stelt dat bij de beoordeling van het antwoord op de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is rekening moet worden gehouden met de ontwikkeling in de bestuursrechtelijke rechtspraak over artikel 6:11 Awb. Hij verwijst naar de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, aangaande de toepassing van een kader om voortaan soepeler de verschoonbaarheid van overschrijding van een bezwaar- en beroepstermijn te beoordelen, waarbij een op het individuele geval gerichte, contextuele beoordeling moet plaatsvinden. Daarbij kan bij een slechts geringe verwijtbaarheid, ruimte bestaan om een termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen.
Het CBB heeft in voormelde uitspraak geoordeeld dat bestuursorganen en bestuursrechters met onmiddellijke ingang de beoordeling van de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen minder strikt moeten gaan benaderen. Bij die beoordeling moet meer rekening worden gehouden met bijzondere omstandigheden die de indiener van het bezwaar- of beroepschrift betreffen. Het CBB denkt hierbij in de eerste plaats aan persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de indiener zelf (psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan) en in de tweede plaats aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen (een natuurramp, een besmettelijke dierziekte op het bedrijf of een brand in de woning of in een bedrijfspand). Verder is van belang of de rechtszekerheid van actuele of potentiële derden met een tegengesteld belang in het geding is. Vervolgens wordt nader ingegaan op de bewijspositie ten aanzien van de bijzondere omstandigheden en de verschillen tussen particulieren en professionals.
Bij de beoordeling of de termijnoverschrijding bij de indiening van de gronden van het hoger beroep verschoonbaar is gelden dezelfde eisen als hiervoor vermeld.
Belanghebbende heeft bij het (te laat) indienen van de gronden van het hoger beroep, noch in deze verzetprocedure feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen blijken dat sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in voormelde uitspraak van het CBB, die zouden kunnen leiden tot het oordeel de overschrijding van de indieningstermijn van de hogerberoepgronden niet verwijtbaar is of dat belanghebbende een slechts gering verwijt treft. Dit leidt tot het oordeel dat van een verschoonbare termijnoverschrijding bij de indiening van de hogerberoepsgronden geen sprake is.
Dat in de onderhavige belastingzaak geen sprake is van een tegengesteld belang van actuele of potentiële derden maakt dit oordeel niet anders, evenmin als het feit dat belanghebbende zonder rechtsbijstand procedeert.
Slotsom
Het hoger beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Proceskosten
Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, W. de Wit en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes.
De griffier, de voorzitter,
D.W. Renes P.J.J. Vonk
De beslissing is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.