GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
Zaaknummer hof : 200.360.043/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/690078/KG ZA 25-817
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op grond van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op de zitting van 2 juli 2026
Tegenwoordig: mr. H.J. Wieman-Bart, voorzitter,
mrs. A.N. Labohm en C.S.F. de Nijs, leden, en
mr. T. de Witte-Renkema, griffier
In de zaak van
[de vrouw] ,
wonend op een geheim adres,
appellante,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[de man] ,
wonend op een geheim adres,
geïntimeerde,
advocaat: mr. W.N. Sardjoe, kantoorhoudend in 's-Gravenhage.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming Haaglanden,
hierna te noemen: de raad.
Het hof noemt partijen hierna de vrouw en de man.
Alle partijen, bijgestaan door hun advocaten, zijn op de mondelinge behandeling verschenen. Tevens is [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad verschenen. Tijdens die mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De raad heeft zijn mening kenbaar gemaakt.
Van wat op de zitting is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Daarna heeft het hof de zitting voor korte tijd geschorst voor overleg in raadkamer. Na hervatting van de mondelinge behandeling en uitroeping door de bode heeft het hof met toepassing van artikel 29a lid 1 Rv de hiernavolgende mondelinge uitspraak gedaan.
1.De motivering van de beslissing
Het hof overweegt dat de onderhavige zaak, over de omgangsregeling van de vrouw met de minderjarige, complex van aard is en al een lange voorgeschiedenis kent, waarover partijen het hof maar zeer beperkt hebben geïnformeerd. Vaststaat dat de rechter een omgangsregeling heeft vastgesteld tussen de vrouw en de minderjarige en dat de voorzieningenrechter deze regeling heeft geschorst. Daarbij is de voorzieningenrechter ervan uitgegaan dat de man, conform zijn uitdrukkelijke toezegging in de kortgedingprocedure, een bodemprocedure zou starten waarin wijziging van de omgangsregeling zou worden gevraagd. De man is deze toezegging niet nagekomen.
Het contact tussen de niet verzorgende ouder en de minderjarige is in beginsel van fundamentele betekenis voor de ontwikkeling van de minderjarige. Het hof kan op basis van de in deze procedure beschikbare informatie echter niet inschatten wat de (emotionele) gevolgen voor de minderjarige zijn als het hof per heden de schorsing van de zorgregeling ongedaan maakt. Daarbij is van belang dat er inmiddels al geruime tijd geen contact is geweest tussen de vrouw en de minderjarige en dat (onder meer) recente objectieve informatie over de minderjarige en haar verhouding tot de vrouw ontbreekt. Een gedegen onderzoek naar de mogelijkheden voor contact tussen de vrouw en de minderjarige is nodig en daarvoor is in kort geding geen plaats. Het is de man die een wijziging van de zorgregeling wenst en hij is dus degene die deze zaak bij de bodemrechter aanhangig dient te maken.
Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen met de aanvulling dat indien de man niet binnen 4 weken na heden een bodemprocedure tot wijziging van de tussen de vrouw en de minderjarige geldende omgangsregeling is begonnen, de in het bestreden vonnis bepaalde schorsing van die omgangsregeling vervalt en de omgangsregeling herleeft.
Gelet op de familierechtelijke aard van de zaak zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
2 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis van 18 september 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag en, in aanvulling daarop:
bepaalt dat indien de man niet binnen 4 weken na heden een bodemprocedure tot wijziging van de tussen de vrouw en de minderjarige geldende omgangsregeling is begonnen, de in het bestreden vonnis bepaalde schorsing van die omgangsregeling vervalt en de omgangsregeling herleeft;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.
Deze uitspraak is op 2 juli 2026 mondeling in het openbaar gedaan door mrs. H.J. Wieman-Bart, A.N. Labohm en C.S.F. de Nijs, in aanwezigheid van mr. T. de Witte-Renkema, de griffier.
Dit proces-verbaal van deze uitspraak is op 9 juli 2026 ondertekend door de voorzitter.