GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.370.211
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 12048254)
beschikking van 8 oktober 2026
over beschermingsbewind (bewind)
in de zaak van
[verzoeker] ( [verzoeker] )
die woont in [woonplaats1]advocaat: mr. J.P. den Besten
en
[geïntimeerde] , handelend onder de naam [naam1] ,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [verzoeker] (de bewindvoerder)
die kantoor houdt in [vestigingsplaats]
en
[belanghebbende1] (de moeder)
die woont in [woonplaats2]
en
[belanghebbende2] (de vader)
die woont [woonplaats2]
en
[belanghebbende3] ( [belanghebbende3] )
die woont in [woonplaats2]
1 1. Samenvatting
De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind over de goederen die hem (zullen) toebehoren, afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
[verzoeker] is geboren [in] 1981. [belanghebbende1] en [belanghebbende2] zijn de ouders van [verzoeker] . [belanghebbende3] is de broer van [verzoeker] .
Bij beschikking van 17 mei 2023 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Op dit moment is [geïntimeerde] de bewindvoerder.
3 De procedure bij de kantonrechter
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 2 januari 2026, heeft [verzoeker] om opheffing van het bewind verzocht.
De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind afgewezen.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 16 maart 2026.
4 De procedure bij het hof
[verzoeker] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kantonrechter ongedaan maakt en zijn verzoek tot opheffing van het bewind alsnog toewijst.
De bewindvoerder schrijft in zijn zienswijze dat het bewind nog steeds noodzakelijk is, maar gezien de onwerkbare situatie die is ontstaan lijkt een traject naar zelfredzaamheid niet mogelijk te zijn. De bewindvoerder geeft daarbij aan dat hij zijn taak op dit onderdeel niet goed kan uitvoeren. Om deze reden lijkt hem het bewind aanhouden niet meer zinvol is.
Het gerechtshof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift met producties, ontvangen op 15 juni 2026
- een zienswijze van de bewindvoerder
De zitting bij het gerechtshof was op 24 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
[verzoeker] met zijn advocaat
-
de bewindvoerder
-
de ouders van [verzoeker]
5 Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
De kantonrechter kan, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.1
Hoe oordeelt het hof?
Het hof vindt net als de kantonrechter dat het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind moet worden afgewezen. De beslissing van de kantonrechter zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof licht die beslissing hieronder toe.
Uit de beschikking van de kantonrechter van 17 mei 2023 blijkt dat het bewind is ingesteld omdat [verzoeker] als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Omdat [verzoeker] om opheffing van het bewind verzoekt, ligt het op zijn weg om te onderbouwen dat de noodzaak voor het bewind thans niet meer bestaat of dat voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Hierin is [verzoeker] naar de mening van het hof niet geslaagd. Het hof heeft geen stukken ontvangen waaruit de aanleiding voor de onder bewindstelling blijkt. Er zijn ook geen stukken ter onderbouwing van de lichamelijke en geestelijke toestand van [verzoeker] overgelegd ten tijde van de instelling van het bewind en ook niet van zijn lichamelijke en geestelijke toestand nu. Ook is niet onderbouwd waarom het bewind volgens [verzoeker] niet zinvol is gebleken. [verzoeker] heeft zijn standpunt dus onvoldoende onderbouwd. Het hof kan daarom niet beoordelen of zijn situatie is veranderd en of hij nu wel in staat is om zijn eigen belangen te behartigen. Daarbij komt dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verzoeker] kort daarvoor op grond van een rechterlijke machtiging gedwongen opgenomen is geweest in een ggz-instelling. [verzoeker] heeft op de zitting gezegd dat hij thans medicatie krijgt in de vorm van een depot. Op de zitting heeft het hof vastgesteld dat [verzoeker] een verwarde indruk maakt. Het hof constateert dan ook dat bij [verzoeker] nog steeds sprake is van psychiatrische problematiek.
Op de zitting heeft [verzoeker] verder nog gezegd dat hij schulden had en dat om die reden het bewind destijds is ingesteld. De schulden zijn nu opgelost en het bewind is dus niet meer nodig, aldus [verzoeker] . Het hof overweegt dat het feit dat [verzoeker] op dit moment geen schulden heeft het voorgaande niet anders maakt nu in 2023 de onder bewindstelling is uitgesproken vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van [verzoeker] .
6 De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 16 maart 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, K.A.M. van Os-ten Have en A.T. Bol en is op 8 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.