ECLI:NL:GHARL:2026:6466

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.373.049/02
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hof wijst schorsingsverzoek ex art. 360 lid 2 Rv toe. Belang man bij schorsing beslissing kinderalimentatie weegt zwaarder dan belang vrouw bij directe tenuitvoerlegging. Voldoende aannemelijk dat onverkorte tenuitvoerlegging bij man tot aanzienlijke betalingsproblemen zal leiden en mogelijk tot problemen bij toelating tot schuldsaneringstraject.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.373.049/02

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 254850)

beschikking van 8 oktober 2026 op het verzoek tot schorsing

in de zaak van

[appellant1] h.o.d.n. [naam],

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van:[appellant2] (de man),

die woont in [woonplaats] ,verzoekster in hoger beroep en in het incident tot schorsing,

advocaat: mr. K.J. Kanning te Assen,

en

[geïntimeerde] (de vrouw),

die woont op een geheim te houden adres,

verweerster in hoger beroep en in het incident tot schorsing,

advocaat: mr. M. Hoekman-Haan te Stadskanaal.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor de procedure in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 20 mei 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. De procedure in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, tevens verzoek tot schorsing, met bijlage(n), ingekomen op 11 augustus 2026;

- het verweerschrift, tevens houdende een verweer op het verzoek tot schorsing, met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de bewindvoerder van 28 september 2026;

- een journaalbericht namens de vrouw van 1 oktober 2026.

2.2

Beide partijen hebben ingestemd met schriftelijke afdoening van het schorsingsverzoek. Het hof zal de zaak daarom afdoen op basis van de stukken in het dossier.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2024. De man heeft [de minderjarige] erkend en partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit.

3.2

De vrouw heeft de rechtbank op 31 maart 2026 verzocht om te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met een bedrag van € 250,- per maand.

3.3

De man heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft geen zitting bepaald. Bij de bestreden beschikking van 20 mei 2026 heeft de rechtbank overwogen dat uit het verzoekschrift van de vrouw niet volgt dat het verzoek onredelijk is. De rechtbank heeft beslist dat de man vanaf 31 maart 2026 een bedrag van € 250,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw, vanaf dat moment steeds vóór de eerste van de maand te voldoen, en heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.4

Bij beschikking van 8 april 2026 is een bewind ingesteld over de goederen van de man vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand en is [appellant1] , h.o.d.n. [naam] tot bewindvoerder benoemd. De rechtbank heeft in deze beschikking overwogen dat tevens sprake is van problematische schulden.

4 De motviering van de beslissing

4.1

Het hof stelt voorop dat de bewindvoerder van de man de formele procespartij is in deze zaak. Voor de leesbaarheid van deze beschikking zal worden gesproken over ‘de man’, waarmee zowel feitelijk naar de man wordt verwezen, als naar zijn formele vertegenwoordiger, de bewindvoerder.

4.2

Aan de orde is het verzoek van de man om schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking.

4.3

Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.

4.4

De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en deze beslissing niet toegelicht. Het hof kan de werking schorsen als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Ook als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de werking schorsen. Tot slot kan het hof de werking schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.

4.5

Het hof stelt voorop dat het belang van de vrouw en [de minderjarige] een gegeven is, omdat het kinderalimentatie betreft. De vrouw heeft in het verweerschrift toegelicht dat zij belang heeft bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking, omdat zij aangewezen is op een uitkering ingevolge de Ziektewet en de kinderalimentatie nodig heeft om in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te voorzien.

4.6

Het belang van de man bij schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing over de kinderalimentatie is daarin gelegen dat hij stelt financieel niet tot betaling van de kinderalimentatie in staat te zijn. De man stelt dat hij, noch zijn bewindvoerder, ervan op de hoogte waren dat de vrouw een procedure over de kinderalimentatie voor [de minderjarige] was gestart en dat zij daarom niet tijdig verweer hebben kunnen voeren. De rechtbank heeft daardoor geen inhoudelijk oordeel over het verzoek van de vrouw kunnen geven. De man stelt dat hij gezien zijn financiële positie op dit moment niet in staat is om de vastgestelde kinderalimentatie te voldoen. Hij ontvangt een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW-uitkering) van € 1.281,16 bruto per maand, die op grond van de Toeslagenwet wordt aangevuld tot € 1.644,81 bruto per maand. Netto ontvangt hij € 1.317,23 per maand. Op dat bedrag wordt ingehouden een bedrag van € 542,23 per maand vanwege een door Nijstad & Toonen gelegd beslag, zodat de man per saldo een bedrag van € 775,- netto per maand krijgt uitgekeerd van het UWV. Dat is volgens de man onvoldoende om naast de kosten van zijn eigen levensonderhoud ook een onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] van € 250,- per maand te kunnen voldoen. De man wijst er verder op dat hij een aanzienlijke schuldenlast heeft van in totaal € 34.006,92. Hij stelt dat de bewindvoerder in overleg is met de schuldeisers over een betalingsregeling en dat op dit moment nog niet duidelijk is met welk bedrag op deze schulden zal moeten worden afgelost. Als er geen akkoord met de schuldeisers wordt bereikt, zal een verzoek worden gedaan voor toelating van de man tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De man stelt dat zijn belang bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking er ook in is gelegen dat er geen nieuwe (alimentatie)schuld ontstaat, die toelating tot een schuldentraject in de weg staat.

4.7

Het hof is op grond van de overgelegde stukken van oordeel dat het belang van de man bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om de bestreden beschikking direct ten uitvoer te leggen. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de rechtbank het verzoek van de vrouw om een onderhoudsbijdrage van de man voor [de minderjarige] vast te stellen van € 250,- per maand als niet weersproken en niet onredelijk heeft toegewezen en niet zelfstandig de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van partijen heeft beoordeeld. Het hof acht het op grond van de door de man overgelegde uitkeringsspecificatie en het overgelegde schuldenoverzicht op dit moment, in het kader van de beoordeling van dit schorsingsverzoek, voldoende aannemelijk dat onverkorte tenuitvoerlegging van de beslissing dat de man een kinderalimentatie van € 250,- per maand aan de vrouw moet voldoen, gelet op de hoogte van zijn beschikbare inkomen en de omvang van zijn schulden, voor hem tot aanzienlijke betalingsproblemen zal leiden en mogelijk ook tot problemen bij de toelating tot een (al dan niet minnelijk) schuldsaneringstraject. Dat maakt dat het hof zal beslissen dat de werking van de bestreden beschikking zal worden geschorst.

4.8

Het hof tekent hierbij nog aan dat de man zijn actuele financiële situatie in het kader van dit schorsingsverzoek zeer summier heeft onderbouwd. De man heeft slechts één uitkeringsspecificatie van zijn WW-uitkering overgelegd, van juni 2026, en heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt per wanneer de WW-uitkering aan hem is toegekend en tot wanneer deze loopt. Ook heeft de man geen nadere stukken overgelegd met betrekking tot het door Nijstad & Toonen gelegde beslag en de in verband daarmee gemaakte berekening van de beslagvrije voet en heeft hij geen onderliggende stukken overgelegd behorende bij het overzicht van zijn schulden. Het ligt op de weg van de man om ten behoeve van de behandeling van de hoofdzaak volledig inzicht te geven in zijn actuele inkomenspositie.

5 De beslissing

Het hof:

schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 20 mei 2026.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. C. Koopman en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 8 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »