ECLI:NL:GHARL:2026:6398

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.361.059/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Herroepingsprocedure. Geen grond voor heropening van het geding dat tot ECLI:NL:GHARL:2024:3281 heeft geleid.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.361.059/01

zaaknummer gerechtshof waarvan herroeping wordt gevraagd 200.316.533/01zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 498773

arrest van 6 oktober 2026

in de zaak van

[appellant]

die woont in [woonplaats] (België)eiser in de herroepingsprocedurehierna: [appellant]

advocaat: mr. N.H.A. Kampschreur

en

1 N.V. De Duckenburg

die is gevestigd in Amsterdam

2. Techfront Ventures B.V.

die is gevestigd in Veenendaal

3. B.V. Bouwmaatschappij Watergraafsmeer

die is gevestigd in Amsterdamgedaagden in de herroepingsprocedurehierna samen: Techfront c.s.

advocaat: mr. R.S.A. Essed

1 Het verloop van de herroepingsprocedure

1.1

[appellant] heeft op 14 oktober 2025 een dagvaarding aan Techfront c.s. laten uitbrengen waarin hij aanzegt dat hij herroeping vordert van het arrest dat dit hof op 7 mei 2024 onder zaaknummer 200.316.553/011 heeft gewezen in het hoger beroep van het vonnis dat op 25 mei 2022 onder zaaknummer 498773 is gewezen door de rechtbank Midden-Nederland2. [appellant] heeft de dagvaarding, die (los van de negen producties) een omvang had van 31 pagina’s, op 4 november 2025 aangebracht bij het hof met een begeleidend verzoek ex artikel 2.13.1 van het toepasselijke procesreglement. Dat verzoek is door de rolraadsheer afgewezen, waarna [appellant] in de gelegenheid is gesteld om binnen 14 dagen een conclusie van eis in te dienen die niet meer beslaat dan 15 pagina’s.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

• de conclusie van eis van [appellant]

• de aanvullende akte van [appellant]

• de conclusie van antwoord met twee producties van Techfront c.s.

• de producties 71 en 72 die door [appellant] in het geding zijn gebracht

• de productie (conclusie van AG B.F. Assink van 6 juni 2025) die door Techfront c.s. in het geding is gebracht • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 1 september 2026 is gehouden.

2 Wat aan deze zaak voorafging

2.1

Techfront c.s. hebben in 2020 onder anderen [appellant] , [naam1] en [naam2] in rechte betrokken en gevorderd hen wegens onrechtmatig handelen te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding. Techfront c.s. hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] , [naam1] en [naam2] Techfront hebben misleid tot het doen van investeringen in Degree-n en dat [appellant] bovendien, direct nadat Techfront c.s. een investering van € 1.000.000 hadden gedaan, een bedrag van € 500.000 heeft overgeboekt naar het aan [appellant] gelieerde Group A.

2.2

Nadat de rechtbank Midden-Nederland3 de vorderingen van Techfront c.s. gedeeltelijk had toegewezen hebben [appellant] en Techfront c.s. hoger beroep ingesteld bij dit hof, locatie Leeuwarden.

2.3

Het hof heeft in zijn arrest van 7 mei 20244 – voor zover in deze zaak van belang – het vonnis van de rechtbank ten aanzien van [appellant] vernietigd en opnieuw beslissende:(i) voor recht verklaard dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld en uit dien hoofde (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de door Techfront c.s. geleden en nog te lijden schade;(ii) [appellant] (hoofdelijk) veroordeeld een bedrag van € 500.000 aan Techfront c.s. te betalen als vergoeding van de door Techfront c.s. geleden schade;(iii) de zaak naar de schadestaat verwezen ter begroting van verder ten laste van [appellant] komende schade voor zover deze een bedrag van € 500.000 te boven zou gaan;(iv) [appellant] in de proceskosten van beide instanties veroordeeld.

2.4

Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. [appellant] heeft Techfront c.s. misleid ten aanzien van het bestaan van een geheime receptuur van een unieke dispersie met het doel om hen te bewegen tot het doen van een forse investering. [appellant] heeft voorts vrijwel onmiddellijk nadat Techfront c.s. € 1.000.000 hadden gestort, zonder medeweten van Techfront c.s., € 500.000 daarvan overgeboekt naar Group A, een vennootschap van het [appellant] concern, om daarmee schulden van het [appellant] concern te voldoen.

2.5

In een arrest van 16 juli 2024 heeft het hof, naar aanleiding van een verzoek van Techfront c.s. als bedoeld in artikel 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), bepaald dat het dictum van de uitspraak van 7 mei 2024 onder 6.10 wordt aangevuld met de wettelijke rente over het bedrag van € 500.000 vanaf 28 februari 2019.5

2.6

Beide partijen hebben vervolgens beroep in cassatie ingesteld. Advocaat-Generaal Assink6 heeft geconcludeerd tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep. De Hoge Raad heeft die conclusie in zijn arrest van 18 juli 20257 gevolgd en de zaak zonder motivering afgedaan (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 De vordering van [appellant]

3.1

De vordering van [appellant] luidt als volgt:

“I. Het geding dat leidde tot het arrest van 7 mei 2024 te herroepen;II. Indien en voor zover toepassing van artikel 21 Rv bij voorbaat zulks gebiedt, rechtdoende alsnog de vorderingen van Techfront c.s. tegen [appellant] af te wijzen, althans Techfront c.s. niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen jegens [appellant] ;III. Bij toewijzing van het bepaalde onder II, zulks uitvoerbaar bij voorraad met veroordeling van Techfront c.s. tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vonnis van 25 mei 2022 en het arrest van 7 mei 2022 [het hof leest: 2024] aan Techfront c.s. heeft voldaan te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van betaling door [appellant] aan Techfront c.s. tot aan het moment van algehele voldoening;IV. Bij toewijzing van het bepaalde onder II: Techfront c.s. te veroordelen in de proceskosten van deze herroepingsprocedure, almede de proceskosten in eerst aanleg en het hoger beroep bij het hof, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien Techfront c.s. niet binnen veertien dagen na het in deze te wijzen arrest aan haar betalingsverbintenis van de proceskosten heeft voldaan.”

3.2

[appellant] heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Hangende het cassatieberoep heeft [appellant] kennis genomen van het onderzoeksdossier van het Openbaar Ministerie dat is opgesteld naar aanleiding van een strafrechtelijke aangifte die Techfront c.s. in april 2021 tegen [naam2] , [naam1] en [appellant] hebben gedaan. Daaruit is [appellant] gebleken dat Techfront c.s. in de procedure bij het hof bedrog hebben gepleegd door hen bekende feiten te verzwijgen of hen bekende feiten die tot een gunstige afloop van de procedure voor [appellant] hadden kunnen leiden tegen beter weten in te betwisten. Ook hebben Techfront c.s. volgens [appellant] in die procedure bewust bewijsmiddelen achtergehouden. [appellant] wil daarom dat het hof de zaak die tot zijn arrest van 7 mei 2024 heeft geleid heropent en zijn arrest herroept op grond van artikel 382 aanhef onder a en c Rv.

3.3

Techfront c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4

Het hof zal oordelen dat er geen aanleiding bestaat de procedure te heropenen en zijn arrest te herroepen en licht dat oordeel hierna toe.

4 De toelichting op de beslissing van het hof

Ontvankelijkheid

4.1

Artikel 383 lid 1 Rv bepaalt dat het rechtsmiddel van herroeping moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

4.2

[appellant] heeft gesteld dat hij hangende het cassatieberoep kennis heeft genomen van het onderzoeksdossier van het Openbaar Ministerie dat is opgesteld naar aanleiding van een strafrechtelijk aangifte die Techfront c.s. in april 2021 tegen [naam2] , [naam1] en [appellant] hebben gedaan. Volgens [appellant] is hem uit dat dossier gebleken dat Techfront c.s. tijdens de procedure bij het hof relevante feiten hebben verzwegen en zelfs hen bekend zijnde feiten hebben betwist die zouden hebben kunnen leiden tot een voor [appellant] gunstige afloop van de procedure bij het hof. Ook hebben Techfront c.s. documenten buiten het procesdossier van het hof gehouden, aldus [appellant] .

4.3

De Hoge Raad heeft op 18 juli 2025 arrest gewezen, waarmee het arrest van het hof van 7 mei 2024 in kracht van gewijsde is gegaan.

4.4

[appellant] heeft de herroepingsdagvaarding op 14 oktober 2025 en daarmee tijdig laten uitbrengen. De dagvaarding is niet betekend aan Techfront c.s. maar aan het kantooradres van mr. Essed, terwijl artikel 63 Rv dat de kantoorbetekening regelt, die mogelijkheid niet biedt voor een herroepingsprocedure. Omdat mr. Essed zich vervolgens voor gedaagden heeft gesteld is de nietigheid van de dagvaarding gedekt en kan [appellant] in zijn vordering worden ontvangen. Juridisch kader

4.5

Artikel 382 Rv geeft een drietal limitatieve gronden voor herroeping:

“Een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen indien:a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegdb. het berust op stukken waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteldc. de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.”

4.6

Het gaat er bij deze grondslagen om dat zij hun oorzaak vinden in (bedrieglijke) handelingen van een van partijen en dat de feitelijke basis van de uitspraak dientengevolge niet deugt. Er moet dus een processueel causaal verband zijn tussen de als grond voor herroeping aangewezen gedragingen of feiten en de als gevolg daarvan in twijfel getrokken juistheid van de genomen beslissing. Een vordering tot herroeping zal niet slagen als de daaraan ten grondslag gelegde grond(en) slechts één van de pijlers treft waarop de bestreden uitspraak rust en een of meer van de andere de uitspraak op zichzelf kan of kunnen dragen. Voorts is geen sprake van in het licht van artikel 382 Rv voldoende verband als de wederpartij in de desbetreffende instantie heeft nagelaten gepleegd bedrog, althans de feiten die de ander beoogde aldus ingang te doen vinden, te ontzenuwen of te controleren, hoewel dit wel mogelijk was. Herroeping is een door de rechtvaardigheid gevorderd laatste correctiemiddel op de uit de eis van rechtszekerheid voortvloeiende, ten slotte aan rechterlijke uitspraken verbonden onaantastbaarheid. De rechtszekerheid vordert dat een uitspraak op enig moment – met name als er geen gewone rechtsmiddelen meer openstaan – voor partijen bindend moet zijn. De rechtvaardigheid stelt daartegenover dat een uitspraak ook dan slechts met een dergelijke binding mag worden bekleed, indien deze niet voor een der partijen ten onrechte op enig punt nadelig is gewezen of tot stand gekomen. Niet elke onrechtvaardigheid kan echter aanleiding zijn de verworven bindende kracht te doorbreken. Het moet gaan om ernstige inbreuken op de rechtvaardigheid. Dit is niet het geval als de klagende partij in het omstreden geding voldoende gelegenheid heeft gehad ter zake verweer te voeren en – zo nodig – bewijs te leveren, maar dit niet is gebeurd.8

4.7

Van bedrog in het geding gepleegd is sprake wanneer een partij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van de procedure hebben kunnen leiden. Dit zal zich onder meer voor kunnen doen wanneer een partij feiten als hiervoor bedoeld verzwijgt, terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tegenpartij niet met die feiten bekend was of redelijkerwijs bekend hoorde te zijn. 9Voor een ‘oneerlijke proceshouding’ is niet voldoende dat het door een partij gestelde achteraf onwaar blijkt te zijn; de partij moet het onware van zijn stelling in de oorspronkelijke procedure ook geweten hebben of hebben behoren te weten. Van oneerlijkheid kan men niet spreken als de betrokken partij op goede gronden meende dat het door haar gestelde waar was. Hetzelfde geldt voor verzwijging. Verzwijging van voor de beslissing niet relevante feiten maakt het in het geding ingenomen standpunt niet oneerlijk. Het bedrog moet na de uitspraak zijn ontdekt. Een vordering tot herroeping kan niet met succes worden ingesteld tegen een uitspraak die mede berust op door de wederpartij gepleegd bedrog, indien het bedrog reeds tijdens de voorafgaande procedure is ontdekt of bij een redelijkerwijs van de bedrogene te verwachten onderzoek had kunnen worden ontdekt.10

4.8

Stukken van beslissende aard zijn stukken die de uitspaak anders zouden hebben doen uitvallen als zij aan de rechter bekend zouden zijn geweest of onzeker maken of de rechter na kennisneming daarvan tot dezelfde uitspraak zou zijn gekomen.11De stukken van beslissende aard moeten bovendien door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden. Om daarvan te kunnen spreken zal ten minste gesteld moeten kunnen worden dat de wederpartij hangende het oorspronkelijke geding over deze stukken de beschikking had, althans het bestaan daarvan kende en de beschikking daarover kon krijgen. Het achterhouden behoeft geen bedrieglijk karakter te hebben. Daardoor onderscheidt deze grond zich van in de procedure gepleegd bedrog. Voor toedoen van de wederpartij is derhalve opzet (willens en wetens) bij het achterhouden van stukken niet vereist, maar is lichte schuld ('culpa') voldoende. Ook bij een ‘nalaten’ of een ‘niet doen’ kan van een toedoen als in art. 382 sub c Rv bedoeld worden gesproken. Een stuk kan niet – ook niet achteraf – als in dat geding door toedoen van de wederpartij achtergehouden worden gekwalificeerd in het geval waarin de partij zelf, ofschoon het haar mogelijk was, heeft nagelaten om desbetreffende afschriften of stukken in het geding te brengen respectievelijk om het origineel te vragen als een afschrift of uittreksel door de wederpartij is overgelegd, in het geval waarin het openbare stukken betreft, of in het geval waarin het gaat om geschriften waarvan de partij wist dat haar wederpartij deze bezat, en waarvan zij de overlegging had kunnen vragen maar dat niet heeft gedaan. Ook voor deze herroepingsgrond geldt dat, wil het rechtsmiddel van herroeping succesvol kunnen worden aangewend, vereist is dat zij pas na de eerdere procedure is ontdekt en redelijkerwijze niet eerder had kunnen worden ontdekt.12

4.9

De herroepingsprocedure bestaat uit twee afzonderlijke fasen. In de eerste fase beoordeelt de rechter of de aangevoerde grond heropening van het oorspronkelijke geding rechtvaardigt. Indien de rechter de aangevoerde grond juist acht, heropent hij het geding geheel of gedeeltelijk en geeft hij partijen gelegenheid hun stellingen aan te passen (artikel 387 Rv). Door heropening wordt de tweede fase ingeluid, waarin een hernieuwde beoordeling plaatsvindt van het geding waarop de heropening betrekking heeft. Indien de rechter dan tot een ander oordeel komt, doet hij opnieuw uitspraak met herroeping in zoverre van de bestreden uitspraak (art 389 Rv). Indien de rechter de aangevoerde gronden niet juist bevindt, wordt het geding niet heropend en komt het niet tot een tweede fase. 13Artikel 21 Rv

4.10

Voor zover [appellant] een beroep doet op artikel 21 Rv gaat het hof daaraan in dit stadium van de herroepingsprocedure voorbij. Schending van artikel 21 Rv is geen herroepingsgrond. Als de vordering van [appellant] wordt toegewezen en het geding wordt heropend kan [appellant] in het heropende geding desgewenst een beroep doen op artikel 21 Rv. Bedrieglijk handelen

4.11

[appellant] doet een beroep op artikel 382 aanhef en onder a en c Rv. Hij stelt daartoe dat hem tijdens de cassatieprocedure uit het strafdossier is gebleken dat Techfront c.s. bedrog hebben gepleegd in de civiele procedure door meerdere stukken van beslissende aard buiten het civiele procesdossier in eerste aanleg en hoger beroep te houden. Ook hebben Techfront c.s. relevante feiten verzwegen en haar bekende feiten tegen beter weten in betwist die tot een voor [appellant] gunstiger afloop van de procedure hadden kunnen leiden. Techfront c.s. hebben volgens [appellant] bedrog in de procedure gepleegd door een onjuist beeld te schetsen van de rol van [appellant] , de ontwikkeling van de verwarmingspanelen en de dispersie, het voortgezet gebruik van de technologie door Degree-n International, de voorsprong op concurrenten, exclusieve rechten ten aanzien van SH Korea en de wijze waarop de verklaring van [naam2] van 27 mei 2019 tot stand is gekomen. Achterhouden stukken

4.12

[appellant] verwijt Techfront c.s. dat zij de volgende stukken heeft achtergehouden:a. verklaringen van [naam2] van 28 en 29 mei 2019b. Nanocyl mailc. Nanocyl documentatied. R&D correspondentie.(a) verklaringen van [naam2] van 28 en 29 mei 2019

4.13

Techfront c.s. hebben in de civiele procedure een verklaring van [naam2] van 27 mei 2019 overgelegd waarin één alinea is opgenomen over de rol van [appellant] :

'Verder wil ik nog verklaren dat de heer [appellant] (bestuurder van Riantis N.V uit België en Degree-n B.V. uit Hilversum en de heer [naam1] op de hoogte zijn van dit alles en met mij hebben samengewerkt met als doel om deze uitvinding voor veel geld te kunnen verkopen aan investeerders om zo snel geld te verdienen, waarvan mij een winstdeel beloofd is. Zij hebben de akte van overdracht samen met mij geparafeerd en ondertekend.'

4.14

Blijkens de verklaring van [naam2] van 28 mei 2019 is hij een dag later op dat onderdeel van zijn verklaring van 27 mei 2019 teruggekomen. Hij verklaarde toen:

‘De heer [appellant] was niet op de hoogte dat het geen pure uitvinding was doch een slimme toepassing van bestaande technologi[e]ën. Evenmin streefde de heer [appellant] geen winstbejag na om "de uitvinding" met veel snelle winst te willen verkopen.

Evenzo wilden de heer [naam1] en ondergetekende geen snel geld maken maar juist bijdragen aan een degelijk bedrijf met een goede continuïteit.

Vriend en vijand zijn het [a]bsoluut eens dat het eindproduct, de infraroodwarmtematjes en

assemblage tot complete warmtepanelen van uitstekende kwaliteit zijn en alle marktkansen heeft.’

4.15

[appellant] verwijt Techfront c.s. dat zij deze verklaring in de procedure hebben achtergehouden en stelt dat hijzelf pas kennis kreeg van deze 28 mei verklaring toen hij het FIOD-dossier ontving. Volgens Techfront c.s. is dat aantoonbaar niet waar en beschikte [appellant] reeds op 28 mei 2019 over deze verklaring. Techfront c.s. verwijzen in dat verband naar de e-mailwisseling met [naam2] (producties 2 bij conclusie van antwoord) waaruit volgt dat [naam2] de aanvulling op zijn verklaring van 27 mei op 28 mei 2019 om 21.01 uur heeft gemaild aan het e-mailadres: [mailadres] met de begeleidende tekst:

‘Beste Eugène, Bijgevoegd een aanvulling op mijn verklaring van d.d. 27-5-2019. Een verklaring (d.d.27-5-2019) die ik onder veel druk heb moeten afleggen en heb moeten ondertekenen op het kantoor van Degree-n te Hilversum..’

4.16

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van de herroepingsvordering heeft [appellant] bevestigd dat dit zijn e-mailadres is. Hij heeft verklaard dat hij de e-mail echter niet in zijn mailbox heeft aangetroffen. Anders zou hij de verklaring zeker in de procedure hebben gebracht.

4.17

[appellant] heeft in het FIOD-dossier ook nog een extra verklaring van [naam2] van 29 mei 2019 aangetroffen, die [naam2] op diezelfde datum aan Techfront c.s. heeft gestuurd. Die verklaring, die niet door [naam2] is ondertekend, houdt onder meer het volgende in:

‘Op 28 mei 2019 heb ik onder druk van de heer [appellant] (bestuurder van Riantis N.N. uit België en van Degree-n B.V. uit Hilversum) een aanvullende verklaring gemaakt.Wat ik in die aanvullende verklaring heb willen aangeven:- Dat de heer Eugène [appellant] geen techneut is en daarom niet volledig van alle ins- en outs op de hoogte kon zijn. (…)’

4.18

Het hof overweegt met betrekking tot deze verklaringen het volgende. Vast staat dat Techfront c.s. eind mei 2019 de beschikking hadden over de aanvullende en de extra verklaringen van [naam2] van 28 en 29 mei 2019. [appellant] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van zijn herroepingsvordering verklaard dat [naam2] hem had verteld dat Techfront c.s. [naam2] onder druk hadden gezet de verklaring van 27 mei 2019 te tekenen, waarop [appellant] [naam2] opdracht heeft gegeven aangifte tegen Techfront c.s. te doen. [appellant] heeft echter ontkend dat hij de aanvullende verklaring van 28 mei 2019 destijds van [naam2] heeft ontvangen. Wat daarvan ook zij, bij de beantwoording van de vraag of Techfront c.s. bedrieglijk hebben gehandeld door deze verklaringen niet in het geding te brengen is van belang of zij wisten of behoorden te begrijpen dat [appellant] niet met deze verklaringen bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn. Naar het oordeel van het hof hadden Techfront c.s. geen reden om eraan te twijfelen dat [appellant] bekend was met de verklaring van [naam2] van 28 mei 2019. Uit de e-mail van [naam2] aan [naam4] van Techfront van 29 mei 2019 bleek immers dat [naam2] zijn aanvullende verklaring zelf op 28 mei 2019 aan [appellant] had gezonden. Het lag bovendien ook in de rede dat [naam2] zijn verklaring aan [appellant] had doen toekomen nu hij die verklaring immers juist ten behoeve van [appellant] had opgesteld. Om die reden kan Techfront c.s. niet worden verweten dat zij die aanvullende verklaring niet in het geding hebben gebracht, temeer omdat [naam2] aan hen had laten weten dat hij die verklaring onder druk van [appellant] had afgelegd. Wat de verklaring van 29 mei 2019 betreft, geldt dat Techfront c.s. voor het in het geding brengen daarvan pas aanleiding zouden hebben gehad als [appellant] zich desondanks op de verklaring van 28 mei 2019 had beroepen.

4.19

Het hof is bovendien van oordeel dat de verklaringen van 28 en 29 mei 2019 niet van beslissende aard zijn in de zin dat zij tot een ander oordeel zouden hebben geleid. [naam2] heeft op 28 mei 2019 verklaard dat hij zijn verklaring van 27 mei 2019 onder druk van Techfront c.s. heeft afgelegd en dat hij zijn verklaring in die zin wil corrigeren dat [appellant] geen techneut was en daarom niet van alle ins en outs op de hoogte was en niet wist dat het geen pure “uitvinding” was maar een slimme toepassing van bestaande technologieën. Ook verklaarde [naam2] dat [appellant] geen winstbejag had.

4.20

Zoals uit het arrest van het hof van 7 mei 2024 blijkt (rov 5.21 e.v.) heeft [appellant] indertijd al aangevoerd dat [naam2] zijn verklaring van 27 mei 2019 onder druk had afgelegd en dat hij daar later – onder meer in een verklaring van 7 april 2023 – op terug was gekomen. Het hof heeft onderkend dat [naam2] wisselende verklaringen had afgelegd en is daar in zijn arrest ook uitvoerig op ingegaan. Uit het arrest blijkt eveneens (rov 5.9) dat [appellant] reeds in die procedure heeft benadrukt dat hij geen technische achtergrond heeft en dat hij Caresanei van Techfront geen technische informatie heeft verstrekt maar alleen in algemene bewoordingen over het product heeft gesproken. Ook dat heeft het hof bij zijn beoordeling in aanmerking genomen.

4.21

Bovendien heeft het hof zich bij zijn oordeel dat [appellant] Techfront c.s. heeft misleid ten aanzien van het bestaan van een geheime receptuur van wat een unieke D7 dispersie zou zijn, niet alleen gebaseerd op de verklaring van [naam2] van 27 mei 2019, maar op een samenstel van meerdere feiten en omstandigheden, zoals - het Ondernemingsplan van Degree-n, waarvan [appellant] (middellijk) bestuurder was en de informatie daarin over de uitvinding van de dispersie, die een voorsprong van 5 jaar op de markt zou geven; - het mede door [appellant] ondertekende Contingencyplan met daarin de mededeling dat de samenstelling van Dispersion7 op schrift was gesteld en al geruime tijd bij [appellant] gedeponeerd was; - de verklaring van SH Korea dat de tests die zij op verzoek van [naam2] hadden uitgevoerd niet tot resultaat hadden geleid en dat zij een product met hun eigen technologie en materiaal hadden ontwikkeld; - het feit dat Techfront c.s. onweersproken hadden gesteld dat [appellant] aan Techfront c.s. had aangegeven dat hij de receptuur bij de notaris zou ophalen en ter gelegenheid van de algemene vergadering van aandeelhouders op 3 april 2019 aan Techfront c.s. zou overhandigen, maar dat [appellant] bij die gelegenheid twee blanco, open en dus niet door een notaris verzegelde enveloppen aan Techfront c.s. had overhandigd, die geen receptuur bleken te bevatten maar informatie die was gekopieerd van de website en uit de bedrijfsdocumentatie van Nanocyl en haar standaardproduct Aquacyl betrof en- de omstandigheid dat van het bestaan van een geheime receptuur niet was gebleken en [appellant] ter zake ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep geen helderheid had verschaft.

4.22

De verklaringen van 28 en 29 mei 2019 doen aan al het vorenstaande niet af en zijn dan ook niet aan te merken als stukken van beslissende aard die de uitspaak anders zouden hebben doen uitvallen als zij aan het hof bekend zouden zijn geweest.

4.23

[appellant] heeft in deze herroepingsprocedure gesteld dat hijzelf ook door [naam2] is misleid en dat hij geen open, maar een gesloten envelop aan Techfront c.s. heeft overhandigd en dat hij van de inhoud daarvan geen kennis heeft genomen. Het hof stelt vast dat deze stellingen afwijken van de stellingen die [appellant] in de voorgaande procedure heeft ingenomen. [appellant] heeft destijds steeds volgehouden dat sprake was van een geheim recept van de zogenoemde Dispersie 7. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 6 februari 2024 heeft hij dienaangaande naar aanleiding van vragen van het hof onder meer verklaard:

‘U vraagt naar het bestaan van de receptuur, de inhoud waaruit de receptuur bestaat, bij welke notaris die was gedeponeerd en wat er nu precies in die envelop zat. Ik ben ingetreden in de nieuwe vennootschap Degree-n. Ik wist indertijd niet meer of minder maar hetzelfde als de wederpartij. Ik ben jurist en geen chemicus. Dat vak – en bijgevolg de technische details van de receptuur en de additieven – is mij vreemd. De gegevens die ik heb ontvangen en door mij zijn doorgegeven, zijn hetzelfde. Ik vond deze gegevens bij ontvangst zeer geloofwaardig. Ik heb het product laten testen met een kundige (chemische) vriend. Het product voldeed goed.(…) Er is een enveloppe met daarin de receptuur overhandigd aan [naam3] (...) [naam4] en [naam5] waren hierbij aanwezig.’

4.24

Uit die verklaring volgt dat [appellant] wel degelijk kennis had genomen van de gegevens die hij aan [naam3] heeft overhandigd. De overhandigde enveloppen bevatten echter geen receptuur van een dispersie, maar informatie die was gekopieerd van de website en uit de bedrijfsdocumentatie van Nanocyl Een receptuur is ook nadien nimmer aan Techfront c.s. overhandigd.

4.25

De verklaringen van 28 en 29 mei 2019 doen evenmin iets af aan de tweede pijler waarop het hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Techfront c.s. De verklaring van [naam2] dat [appellant] geen winstbejag had, laat immers onverlet dat in de procedure die tot het arrest van 7 mei 2024 heeft geleid, is komen vast te staan dat [appellant] niet heeft voldaan aan zijn contractuele verplichting ook € 1.000.000 in te brengen in de joint venture en daarentegen € 500.000 van de door Techfront c.s. ingebrachte € 1.000.000 onmiddellijk heeft weggesluisd naar Group A, een vennootschap uit het [appellant] concern om daarmee schulden van dat concern te voldoen.Die tweede pijler kan het oordeel van het hof dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld en dientengevolge schadeplichtig is en tenminste € 500.000 aan Techfront c.s. dient (terug) te betalen, zelfstandig dragen.

(b) Nanocyl mail en (d) R&D correspondentie

4.26

[appellant] verwijt Techfront c.s. verder dat zij de e-mail van [naam2] van 6 november 2015 aan [naam1] en de e-mails uit 2017, die als producties 65 en 69 in het geding zijn gebracht, hebben achtergehouden. Volgens [appellant] beschikten Techfront c.s. over de volledige mailbox van [naam1] . Zij hebben een USB-stick met daarop de inhoud van die mailbox overhandigd aan de opsporingsinstanties.

4.27

[naam2] schrijft in de e-mail van 6 november 2015 aan [naam1] dat hij Aquacyl zou ophalen bij Nanocyl, de etiketten daarvan zou verwijderen en in Enschede “het juiste mengsel” zou maken. Volgens [appellant] blijkt daaruit dat [naam2] weliswaar een basisdispersie inkocht bij Nanocyl, maar dat hij daar additieven aan toevoegde. Volgens [appellant] is het niet onaannemelijk dat de basisdispersie met additieven als een eigen uitvinding van [naam2] althans Degree-n mag worden beschouwd en dat een dergelijke dispersie ogenschijnlijk als een bedrijfsgeheim in de zin van de wet kwalificeert. [appellant] betoogt verder dat uit de e-mail correspondentie uit 2017 volgt dat er sprake was van een langjarig research & development traject.

4.28

Techfront hebben allereerst opgemerkt dat zij niet bekend waren met de betreffende e-mail berichten. Zij sluiten niet uit dat deze deel uitmaakten van oude databestanden die waren veiliggesteld van een zogenaamd NAS systeem dat Degree-n in het kader van de overdracht van de activa aan DGRN Holding heeft gegeven. Gezien de enorme hoeveelheid data kennen Techfront c.s. echter niet alle data op deze veiligheidskopie. Bovendien beschikken zij niet, zoals de FIOD, over geavanceerde forensische analyse software, aldus Techfront c.s.

4.29

Techfront c.s. hebben verder het volgende aangevoerd. Uit de bewoordingen “het juiste mengsel” in de e-mail van 6 november 2015 blijkt helemaal niet dat [naam2] additieven toevoegde aan de Aquacyl en welke dat dan zouden zijn geweest. [appellant] heeft daar tot op de dag van vandaag geen enkel bewijs voor geleverd en de receptuur van dit ‘juiste mengsel’ ook niet overgelegd. Daar komt bij dat de transactie met DGRN Holding in 2019 is aangegaan en een e-mail bericht uit 2015 niet bewijst dat de dispersie die in de in 2019 aan Techfront c.s. gepresenteerde panelen werd gebruikt bestond uit Aquacyl waaraan additieven zijn toegevoegd. Uit de correspondentie uit 2017 blijkt niet veel meer dan dat Degree-n destijds contact met SH Korea heeft gezocht om te bezien of zij zouden kunnen helpen bij het produceren van matten voorzien van een (zogenaamd) door Degree-n ontwikkelde ‘carbon infrared paste’ en dat [naam2] naar SH Korea is geweest om testen uit te voeren met de door [naam2] meegenomen mat en dispersie. Gebleken is dat dat niet werkte en volgens SH Korea ook niet kon werken.

4.30

Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven of Techfront c.s. bekend waren met de betreffende e-mailberichten. Het betreft namelijk geen stukken van beslissende aard. De e-mails stammen uit 2015 en 2017, derhalve geruime tijd voordat de overdracht van de activa van Degree-n op 1 februari 2019 plaatsvond. Dat [naam2] in de periode daaraan voorafgaand diverse pogingen heeft ondernomen om tot een werkbare dispersie te komen en in dat kader SH Korea had benaderd, was bekend in de procedure die tot het arrest van 7 mei 2024 heeft geleid. In die procedure is ook duidelijk geworden dat de pogingen van [naam2] op niets waren uitgelopen, dat [naam2] noch [appellant] ooit de geheime receptuur aan Techfront c.s. hebben kunnen overhandigen en dat SH Korea, blijkens haar e-mail van 13 september 2019, uiteindelijk zelf een werkende dispersie heeft ontwikkeld met haar eigen technologie en materialen.De door [appellant] als producties 65 en 69 overgelegde e-mails werpen dan ook geen ander licht op de zaak.

(c) Nanocyl documentatie

4.31

[appellant] verwijt Techfront c.s. ten slotte dat zij de als productie 66, 67 en 68 overgelegde stukken hebben achtergehouden. Volgens [appellant] blijkt daaruit dat Degree-n International de activiteiten van Degree-n op dezelfde voet heeft voortgezet, niet slechts een handelshuis is en de bestaande know how van Degree-n gebruikte en doorontwikkelde.

4.32

Techfront c.s. bevestigen dat zij bekend zijn met de producties 66 (bedrijfspresentatie) en 68 (non disclosure agreement ofwel NDA), maar betwisten dat zij kennis hadden van de notulen van Nanocyl (productie 67).

4.33

Het hof overweegt dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt Techfront c.s. over de notulen van Nanocyl beschikte. Dat het gaat om een stuk dat door hen is achtergehouden, is daarmee niet komen vast te staan.

4.34

Wat de bedrijfspresentatie en de NDA betreft hebben Techfront c.s. het volgende verklaard. Kort na de oprichting van Degree-n International heeft Degree-n International een afspraak gemaakt met Nanocyl om de mogelijkheden te verkennen om een eigen dispersie te ontwikkelen. In dat kader heeft [naam3] een korte bedrijfspresentatie gegeven en met Nanocyl gesproken. Volgens Techfront c.s. werd tijdens dat gesprek duidelijk dat Nanocyl waarschijnlijk niet over de juiste expertise beschikte. Nanocyl zou een en ander intern bespreken met haar R&D afdeling en dat in een vervolggesprek terugkoppelen, maar daarvoor moest Degree-n International eerst een NDA ondertekenen. Het vervolggesprek is er nooit gekomen en Degree-n International heeft besloten zich uitsluitend te richten op verkoop van verwarmingspanelen met daarin kant- en klare verwarmingsmatten.

4.35

Het hof acht ook deze stukken niet van beslissende aard. Weliswaar blijkt daaruit dat [naam3] met Nanocyl heeft gesproken over het aangaan van een mogelijk R&D traject, maar uit niets blijkt dat dat daadwerkelijk vorm heeft gekregen. Evenmin blijkt uit de stukken dat daarbij zou zijn voortgeborduurd op bestaande know how van Degree-n. Waaruit die know how zou hebben bestaan heeft [appellant] niet duidelijk gemaakt. Concrete informatie over de samenstelling van de dispersie die [naam2] zou hebben ontwikkeld, al dan niet door het toevoegen van additieven aan Aquacyl, is ook in deze herroepingsprocedure niet boven water gekomen. Productie 70, 71 en 72

4.36

De door [appellant] in het geding gebrachte producties 70, 71 en 72 zijn, zoals de advocaat van [appellant] ter zitting heeft bevestigd, geen stukken die door Techfont c.s. zijn achtergehouden en geen grond voor herroeping. Deze stukken behoeven dan ook geen nadere bespreking. Bedrog

4.37

Voor zover [appellant] zijn stelling dat Techfront c.s. bedrog hebben gepleegd in de procedure heeft gebaseerd op het achterhouden van de hiervoor besproken stukken, volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat het door [appellant] aangevoerde niet tot de conclusie leidt dat het arrest van 7 mei 2024 ten dele berust op bedrog door Techfront c.s. in het geding gepleegd.

4.38

Wat [appellant] heeft aangevoerd over de contacten die [naam3] en [naam4] met [naam1] en [naam2] hebben gehad, doet niet af aan de eigen rol van [appellant] . Overigens zijn ook [naam1] en [naam2] door het hof veroordeeld.

4.39

[appellant] heeft in zijn conclusie van eis verder de niet nader toegelichte opmerking gemaakt dat Techfront c.s. ook een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven ten aanzien van de wetenschap betreffende de overboeking op 3 maart 2019 van € 500.000,- aan

Group A en de rechten die Degree-n had op de door SH Korea ten behoeve van haar geproduceerde componenten van de verwarmingspanelen.Het hof heeft [appellant] de gelegenheid geboden om een en ander in een aanvullende akte nader toe te lichten.

4.40

Uit die aanvullende akte blijkt echter niet van een herroepingsgrond als bedoeld in artikel 382 Rv. [appellant] maakt in dit verband geen melding van nieuwe feiten of omstandigheden die hem pas na het arrest van 7 mei 2024 zijn gebleken. Integendeel, [appellant] verwijst in zijn betoog over het overboeken van de € 500.000 en de exclusieve rechten ten aanzien van SH Korea uitsluitend naar producties die zijn overgelegd en besproken in de procedure die tot het arrest van 7 mei 2024 heeft geleid. De aanvullende akte is een herhaling van hetgeen [appellant] in die procedure heeft aangevoerd en door het hof is beoordeeld. [appellant] heeft met zijn aanvullende akte in feite een voorschot genomen op de eventuele tweede fase van een herroepingsprocedure. Pas als de procedure wordt heropend, kan het debat immers opnieuw worden gevoerd. De inhoud van de aanvullende akte geeft echter geen aanleiding de procedure te heropenen.

De conclusie

4.41

De vorderingen van [appellant] zullen worden afgewezen. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten van Techfront c.s. veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.14

4.42

Techfront c.s. hebben vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten gevraagd. De artikelen 237 – 240 Rv bevatten een limitatieve en exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die in het ongelijk wordt gesteld kan worden veroordeeld. Een volledige vergoedingsplicht voor proceskosten is alleen denkbaar in ‘buitengewone omstandigheden’, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Daarvan is pas sprake als de vordering vanwege de evidente ongegrondheid ervan in verband met de betrokken belangen van de wederpartij niet ingesteld had mogen worden. De toegang tot de rechter moet echter gewaarborgd blijven zonder op voorhand te hoeven vrezen voor hoge proceskostenveroordelingen. Daarom wordt niet snel onrechtmatig procederen of misbruik aangenomen.

4.43

Volgens Techfront c.s. zou de procedure niet zijn gevoerd als [appellant] vooraf contact zou hebben gelegd met Techfront c.s. en door dat niet te doen was sprake van grove onzorgvuldigheid. Bovendien heeft [appellant] een oneerlijke proceshouding ingenomen omdat de verklaring van [naam2] van 28 mei 2019 al in het bezit van [appellant] was. Daarnaast is [appellant] volgens Techfront c.s. deze procedure alleen begonnen om de afwikkeling van de schade verder te vertragen en om Techfront c.s. nog verder op kosten te jagen.

4.44

Het hof is van oordeel dat Techfront c.s. met hun stellingen de hoge drempel die geldt om tot een veroordeling in de werkelijke proceskosten over te kunnen gaan niet hebben gehaald. Het had weliswaar op de weg van [appellant] gelegen om vooraf contact met Techfront c.s. op te nemen, hen van het voornemen om een procedure te starten in te lichten en zich te vergewissen van de verweren van Techfront, maar het feit dat dit achterwege is gebleven neemt nog niet weg dat [appellant] de werkelijke proceskosten moet voldoen. Dat partijen in dat geval tot een vergelijk waren gekomen is naar het oordeel van het hof onwaarschijnlijk. Dat is hen immers in de diverse procedures die zijn gevoerd ook niet gelukt. Voorts heeft [appellant] betwist de e-mail te hebben ontvangen waarbij de verklaring van 28 mei 2019 was gevoegd en Techfront c.s. hebben hun stellingen hierover niet verder onderbouwd, zodat dit niet is komen vast te staan. Voor de overige stellingen geldt hetzelfde. Het enkele feit dat [appellant] niet gelijk krijgt brengt nog niet mee dat het voeren van een procedure onrechtmatig was of misbruik van recht opleverde. Het hof zal [appellant] daarom niet in de daadwerkelijke proceskosten, waaronder de door Techfront c.s. gemaakte advocaatkosten veroordelen.

4.45

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5 De beslissing

Het hof:

5.1

wijst de vorderingen van [appellant] af;

5.2

veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Techfront c.s.:

€ 827 aan griffierecht

€ 2.580 aan salaris van de advocaat van Techfront c.s. (2 procespunten x tarief II)en wijst het ter zake meer door Techfront c.s. gevorderde af;

5.3

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;

5.4

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, C.P. Lunter en A.L. Goederee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »