GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.368.847/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 251383)
beschikking van 29 september 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. V. de Roo te Rotterdam,
en
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord-Nederland,locatie Groningen.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI),
die is gevestigd in Amsterdam,
en
[belanghebbende] (de vader),die woont in [woonplaats2] ,
en
[de zorgboerderij] (de zorgboerderij), die is gevestigd in [vestigingsplaats] .
1 1. Samenvatting
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft het gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd. Het hof oordeelt dat een deskundigenonderzoek nodig is om te kunnen beoordelen of het verzoek van de raad, voor zover dat ziet op beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] , toewijsbaar is.
2 De feiten
De ouders hebben samen één kind: [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2019.
De ouders hadden tot de bestreden beschikking het gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] staat sinds 11 augustus 2021 onder toezicht van de GI en is sinds 31 augustus 2022 met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. Zij werd eerst geplaatst in een crisispleeggezin. In april 2023 verhuisde ze naar een pleeggezin waar zij verder zou kunnen opgroeien. Vanwege zorgen over dat gezin, is [de minderjarige] in september 2023 met spoed overgeplaatst naar een ander pleeggezin. Haar gedrag bleek echter zo complex dat is vastgesteld dat een pleeggezin niet geschikt is voor haar situatie. Sinds maart 2024 woont [de minderjarige] daarom bij [de zorgboerderij] (een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder), waar zij kan blijven.
3 De procedure bij de rechtbank
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de ouders te beëindigen. De moeder heeft daar verweer tegen gevoerd.
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen en de GI tot voogd over [de minderjarige] benoemd. Die beslissing is vastgelegd in de beschikking van 10 februari 2026.
4 De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt voor zover daarbij haar gezag over [de minderjarige] is beëindigd.
De raad verzoekt bij verweerschrift om de beschikking te bekrachtigen.
De GI vindt dat de beslissing in stand zou moeten blijven.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift met bijlage(n);
-
een brief namens de moeder van 29 mei 2026 met bijlage(n);
-
een brief namens de moeder van 22 juni 2026 met bijlage(n);
-
het verweerschrift van de raad met bijlage(n).
De zitting bij het hof was op 9 juli 2026. Hierbij was de moeder aanwezig, bijgestaan door haar advocaat, de vader en een vertegenwoordiger van de GI. De vader heeft ter zitting spreekaantekeningen voorgelezen en overlegd.
5 Het oordeel van het hof
De wettelijke regeling
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.
Nader deskundigenonderzoek
Het hof ziet aanleiding om de beslissing over het beëindigen van het gezag van de moeder over [de minderjarige] aan te houden en een deskundigenonderzoek te gelasten zoals hierna vermeld. Het hof licht deze beslissing als volgt toe.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat in de relatie van de ouders sprake is geweest van herhaaldelijk ernstig geweld door de vader richting de moeder, waarvan [de minderjarige] getuige was. Voor [de minderjarige] leverde dit een erg onveilige situatie op en dit was de aanleiding om haar op 22 augustus 2022 uit huis te plaatsen. Het lukte de moeder ook na de uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet om de relatie met de vader definitief te verbreken, en zich te onttrekken aan het geweld, en de vader weigerde structureel om hulpverlening in te schakelen om te komen tot een verbetering van de situatie. De GI heeft eind 2022 aanleiding gezien om onderzoek te doen naar het opgroeiperspectief van [de minderjarige] . De GI had vanuit eerdere inzet van Ambiq zorgen over de opvoedmogelijkheden van de ouders. Voor de GI was van belang dat de problematiek tussen de ouders en de mogelijkheden tot terugplaatsing werden onderzocht. De GI heeft de ouders voorgesteld om daarvoor ofwel het NIFP een forensisch ambulant perspectiefonderzoek te laten verrichten, ofwel een ouderschapsbeoordeling te laten plaatsvinden door middel van een klinische opname bij GGZ [locatie] . De vader is daar niet mee akkoord gegaan, waardoor de beoordeling die de GI verlangde niet heeft kunnen plaatsvinden. Op 5 december 2022 heeft de GI schriftelijk haar perspectiefbesluit van 10 november 2022 aan de ouders laten weten. Dat besluit hield in dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet langer bij de ouders lag, omdat de hulpverlening gericht op een terugplaatsing van [de minderjarige] niet van de grond kwam. Er is vervolgens ingezet op het vormgeven van ouderschap op afstand. De vader accepteert dat [de minderjarige] zal opgroeien op de zorgboerderij. De moeder heeft nog steeds de wens dat [de minderjarige] bij haar opgroeit.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is het hof gebleken dat de moeder de afgelopen jaren grote stappen heeft gezet om haar situatie in positieve zin te veranderen. In april 2024 heeft zij de relatie met de vader definitief beëindigd en sinds die tijd heeft zij met behulp van hulpverleners, vrienden en familie aan zichzelf gewerkt om zelfstandiger te worden. De moeder heeft een opleiding gevolgd en heeft inmiddels een vaste baan als beveiliger. Ook volgt zij traumabehandeling om te verwerken wat zij heeft meegemaakt. Ter zitting is gebleken dat de vader strafrechtelijk is veroordeeld voor mishandeling van de moeder (en van een vorige partner). Hij heeft daarvoor een gevangenisstraf van twee weken en een taakstraf van 210 uur opgelegd gekregen. Ook geldt een contactverbod met de moeder voor de duur van vijf jaar. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat de veiligheid in de leefomgeving van de moeder inmiddels aanzienlijk is verbeterd.
Het hof is met de raad van oordeel dat continuïteit in de opvoedingssituatie van [de minderjarige] en een ongestoord hechtingsproces belangrijke uitgangspunten zijn voor het oordeel dat het hof moet geven in deze zaak. Er is bij [de minderjarige] hechtingsproblematiek vastgesteld en een achterstand in haar emotionele ontwikkeling. Het gaat goed met [de minderjarige] op de zorgboerderij waar zij sinds maart 2024 verblijft en zij krijgt daar de zorg geboden die zij gelet op haar verzwaarde opvoedingsvraag nodig heeft. Het belang van [de minderjarige] bij continuïteit en een ongestoord hechtingsprocesmoet echter worden afgewogen tegen een ander belangrijk uitgangspunt, namelijk het belang van [de minderjarige] om te worden herenigd met, in dit geval, haar moeder, en bij haar te kunnen opgroeien.
Uit de jurisprudentie1 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat beëindiging van het gezag alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden is toegestaan, na een zorgvuldige en frequente evaluatie van de mogelijkheden tot thuisplaatsing. Er moet voldoende zijn geïnvesteerd in de band tussen kind en ouders teneinde een terugkeer naar huis te bewerkstelligen voordat een verderstrekkende maatregel mag worden overwogen.
Het hof is op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat de mogelijkheden tot hereniging van [de minderjarige] met de moeder onvoldoende zijn onderzocht. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat tussen de uithuisplaatsing van [de minderjarige] op 22 augustus 2022 en het nemen van het perspectiefbesluit op 10 november 2022 een periode was gelegen van slechts drie maanden, in welke periode als gevolg van een weigering van de vader het aangeboden traject van ouderschapsbeoordeling geen doorgang heeft gevonden. Dat is een omstandigheid die de moeder, gelet op de situatie van terugkerend huiselijk geweld waarin zij zich toen bevond, niet (zonder meer) kan worden aangerekend en wat in elk geval met het oog op de beschreven omstandigheden een ouderschapsbeoordeling niet in de weg mag staan2. Uit de overgelegde stukken blijkt dat na het nemen van het perspectiefbesluit door de GI niet meer is ingezet op het onderzoeken van de mogelijkheden van thuisplaatsing van [de minderjarige] . Ook nadat de moeder de relatie met de vader in april 2024 definitief had verbroken, en zij haar situatie had gestabiliseerd, is er geen nader onderzoek meer verricht naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder en is zij daarin niet begeleid. Ook de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] is al die tijd beperkt gebleven.
Het vorenstaande brengt mee dat het hof zich op dit moment onvoldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen over het beëindigen van het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige] . Het hof is van oordeel dat er nader onderzoek moet worden gedaan naar de mogelijkheden van de moeder om op termijn zelf voor [de minderjarige] te zorgen, waarbij met name van belang is dat er zicht komt op de opvoedingsvaardigheden van de moeder in relatie tot de (verzwaarde) opvoedingsvraag van [de minderjarige] .
Het hof zal het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) verzoeken te bemiddelen bij de benoeming van de deskundige(n) om het hiervoor bedoelde onderzoek te verrichten en advies uit te brengen.
Het hof is van plan om de volgende vragen aan de door het hof te benoemen
deskundige voor te leggen:
1. Hoe kan de ontwikkeling en het functioneren van [de minderjarige] worden beschreven? Indien blijkt dat sprake is van een verstoorde ontwikkeling op één of meer ontwikkelingsgebieden, wat kan hiervan de oorzaak zijn? Wat zijn de specifieke pedagogische en affectieve behoeften van [de minderjarige] ?
2. Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van de moeder te omschrijven op basis van zowel klinische impressies als psychologisch testonderzoek?
3. Wat zijn de affectieve en pedagogische vaardigheden van de moeder in relatie tot de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] ? Indien deze vaardigheden van de moeder niet volledig aansluiten op de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] : Zijn er mogelijkheden om die vaardigheden met hulpverlening en/of behandeling zodanig te verbeteren dat deze wel aansluiten op de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] ? Zo ja, aan welke hulpverlening wordt gedacht? Is de verwachting dat de moeder zich zal inzetten voor deze hulpverlening c.q. daarvan zal kunnen profiteren?
4. Wat zijn de indicaties en contra-indicaties voor opvoeding en verzorging van [de minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder, mede gelet op eventuele (psychische) problematiek van de moeder en/of van [de minderjarige] ? In hoeverre speelt bij uw antwoord de slechte verstandhouding tussen de moeder en de vader een rol? Kan het contact tussen de vader en [de minderjarige] in dat geval voldoende worden gewaarborgd?
5. In hoeverre is terugplaatsing van [de minderjarige] (op korte of lange termijn) bij de moeder in het belang van [de minderjarige] ?
6. Indien tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder wordt overgegaan, is hulpverlening dan aangewezen? Zo ja, voor wie, in welke vorm, waar dient deze op gericht te zijn?
7. Indien tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder wordt overgegaan, wat zijn de mogelijkheden van de zorgboerderij om dit te begeleiden?
8. Indien wordt geadviseerd de plaatsing van [de minderjarige] op de zorgboerderij in stand te
laten, in hoeverre zou de moeder in staat kunnen zijn om naast de zorgtaken die de
zorgboerderij op zich neemt ook een deel van de opvoedingstaken op zich te nemen?
a. Indien de moeder daartoe in staat zou worden geacht, aan welke opvoedingstaken kan dan worden gedacht en hoe zou dat eruit kunnen komen te zien?
b. Indien de moeder daartoe op dit moment niet in staat zou worden geacht: zou dat na verloop van tijd, als [de minderjarige] ouder wordt, nog anders kunnen worden?
9. Indien wordt geadviseerd om de plaatsing van [de minderjarige] op de zorgboerderij in stand telaten, hoe kan het contact tussen [de minderjarige] en de moeder in dat geval worden vormgegeven? Is een uitbreiding van de huidige omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] aangewezen en hoe kan deze vorm krijgen, zodanig dat deze de ontwikkeling van [de minderjarige] ten goede komt?
Indien dat is aangewezen, is hierbij professionele begeleiding nodig en zo ja, voor wie en aan welke hulpverlening/begeleiding wordt gedacht?
Indien de deskundige uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] al tijdens het onderzoek nodig en in het belang van [de minderjarige] acht, dan verzoekt het hof de deskundige dat te rapporteren aan de GI/voogd, zodat de GI/voogd kan zorgen dat dat ook gebeurt.
10. Is er vanuit gedragsdeskundig oogpunt aanleiding om het gezag van de moeder te
beëindigen?
11. In hoeverre kan de moeder bij instandhouding van haar gezag in staat geacht worden
ruimte te geven aan contact tussen [de minderjarige] en de vader?
12. In hoeverre komen uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn
gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de
ontwikkeling en opvoeding van [de minderjarige] en/of bij de te nemen beslissingen?
Het hof zal het NIFP vragen om binnen een termijn van acht weken na dagtekening van deze beschikking een deskundige voor te stellen, eventuele nadere of andere vragen te formuleren als dit in de ogen van het NIFP dan wel de voorgestelde deskundige (meer) aangewezen is voor het onderzoek dat het hof voor ogen staat, en de kosten van het onderzoek te begroten.
Het hof zal in verband hiermee het procesdossier daartoe (digitaal) aan het NIFP ter beschikking stellen. Belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun eventuele bezwaren daartegen binnen één week na dagtekening van deze beschikking aan het hof kenbaar te maken. Indien geen reactie wordt ontvangen gaat het hof ervan uit dat tegen verstrekking van het procesdossier aan het NIFP geen bezwaar bestaat.
Zodra het hof bericht van het NIFP heeft ontvangen zoals bedoeld onder 5.10., zal het hof dat bericht doorsturen aan de belanghebbenden. Zij kunnen daarop binnen veertien dagen na dagtekening van de brief van het hof laten weten of de door het hof voorgestelde vragen in hun visie nog aanvulling behoeven, wat hun zienswijze is op de eventuele aanvulling van die vragen door het NIFP en of bezwaar bestaat tegen de benoeming van de deskundige die het NIFP voordraagt.
Naar het oordeel van het hof brengt het belang van [de minderjarige] onder de gegeven omstandigheden met zich dat de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste komen van 's Rijks kas. Om die reden is het hof voornemens om geen voorschot als bedoeld in artikel 187 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan partijen op te leggen. Het aan de deskundige toekomende bedrag wordt bij de te geven eindbeschikking overeenkomstig de daarvoor en krachtens de wet gestelde regelingen in dit geval ten laste van 's Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaald.
Het hof zal in een nadere tussenbeschikking overgaan tot benoeming van een deskundige ter beantwoording van de onder rechtsoverweging 5.9. geformuleerde, eventueel nog aan te passen, vragen.
Het hof wijst de belanghebbenden er verder op dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door een deskundige. Wanneer de medewerking wordt geweigerd, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het hof geraden acht.
Andere voogd
Ook de beslissing van de rechtbank wie tot voogd wordt benoemd ligt in deze zaak voor. Gedurende het deskundigenonderzoek blijft de beslissing van de rechtbank over de gezagsbeëindiging van de moeder in stand en moet er dus een voogd zijn. Het hof stelt vast dat de samenwerking tussen de GI als gezinsvoogd en voogd en de ouders al geruime tijd zeer moeizaam verloopt en dat er sprake is van een ernstig wederzijds gebrek aan vertrouwen. Het hof heeft ter zitting aan de GI gevraagd of zij in verband met haar specifieke expertise (op het gebied van mensen met een verstandelijke beperking) in dit geval tot voogd is benoemd, maar de GI wist het antwoord niet. Uit het dossier blijkt ook niet dat dat zo is; in elk geval staat nergens geconcretiseerd dat de betrokkenen behoren tot de doelgroep van de GI. Het hof is alles in aanmerking nemend van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht dat een andere GI de voogdij over haar uitoefent, zodat met het oog op de toekomst, en in verband met de verwachte duur van het onderzoek, een constructievere en effectiever samenwerking kan ontstaan. Beide ouders hebben de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (het LJ&R) als alternatief gesuggereerd en het hof kan zich daarmee verenigen. Het hof ziet aanleiding om het LJ&R bij afzonderlijke beschikking tot voogd over [de minderjarige] te benoemen. Het hof verzoekt de huidige GI in dit verband om in contact te treden met het LJ&R voor de overdracht van het dossier en om te zorgen dat een bereidverklaring van het LJ&R binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking wordt ingediend bij het hof.
6 De beslissing
Het hof:
draagt de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering op om binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking een bereidverklaring over te leggen van de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering waaruit blijkt dat zij bereid is om de voogdij uit te voeren over [de minderjarige] ;
verzoekt het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Noord Oost Nederland, Postbus 870, 8000 AW Zwolle,
bezoekadres: Schuurmanstraat 2, 8011 KP Zwolle,
telefoon 088-0710600,
om te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.9. vermelde vraagstelling;
stelt belanghebbenden in de gelegenheid om eventuele bezwaren tegen het verstrekken van het procesdossier aan het NIFP binnen één week na dagtekening van deze beschikking aan het hof kenbaar te maken en draagt de griffer op om bij geen bezwaar het procesdossier digitaal aan het NIFP te doen toekomen;
verzoekt het NIFP om het hof uiterlijk acht weken na dagtekening van deze beschikking een deskundige voor te stellen en eventuele nadere of andere vragen te formuleren, als dit in de ogen van het NIFP dan wel de voorgestelde deskundige meer aangewezen is voor het onderzoek dat het hof voor ogen staat, en een begroting van de kosten van het onderzoek in te dienen;
verzoekt de griffier van het hof om dat bericht van het NIFP bij brief door te sturen aan de belanghebbenden en stelt de belanghebbenden in de gelegenheid om uiterlijk twee weken na dagtekening van die brief van het hof te reageren op:
- de persoon van de voorgestelde deskundige;
- de door het hof in r.o. 5.9. voorgestelde vragen en de eventuele aanvulling van die vragen door het NIFP dan wel de voorgestelde deskundige;
draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking te doen toekomen aan het NIFP;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. F. van der Meulen, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 29 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.