ECLI:NL:GHARL:2026:6032

Datum uitspraak
15-09-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.372.077/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding, ontruiming perceel. Het hof wijst de vordering tot ontruiming toe in verband met dreigende last onder dwangsom van de gemeente.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.372.077/01

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 256032

arrest in kort geding van 15 september 2026

in de zaak van

Markar B.V., h.o.d.n. "de Bewindvoerder" in haar hoedanigheid van bewindvoerder in het bewind van [naam] ,

die is gevestigd in Veendam

advocaat: mr. M.F. van Hulst

en

[geïntimeerde]

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. J.P. de Man

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Markar heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, (hierna: de voorzieningenrechter) op 26 juni 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

• de dagvaarding in hoger beroep met grieven van 3 juli 2026

• de memorie van antwoord van 11 augustus 2026

• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 18 augustus 2026 is gehouden. Namens [geïntimeerde] is op die zitting toegezegd het vonnis van de voorzieningenrechter niet ten uitvoer te leggen in afwachting van het arrest van het hof.

1.2

Partijen hebben het hof verzocht een uitspraak te doen.

2 De kern van de zaak

2.1

[naam] verblijft sinds 2020 op een perceel van [geïntimeerde] . Hij woont daar in een stacaravan. In geschil is of hij de stacaravan en andere bouwwerken/opstallen en dergelijke van dat perceel moet verwijderen en daar niet langer mag verblijven.

2.2

[geïntimeerde] heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd dat Markar en [naam] worden veroordeeld het perceel van [geïntimeerde] te verlaten en te ontruimen, de opstallen die zich op het terrein bevinden te verwijderen of af te breken en de vrijgekomen materialen daarvan te verwijderen, behoudends de nog aanwezige schuur, met enkele nevenvorderingen over de tenuitvoerlegging van het gewenste vonnis.

2.3

De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen grotendeels toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep van Markar is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.

2.4

Het hof zal beslissen dat het vonnis van de voorzieningenrechter wordt bekrachtigd (in stand blijft), behalve wat betreft de ontruimingstermijn. Het perceel moet door [naam] ontruimd worden zoals gevorderd, maar de termijn waarbinnen dat moet gebeuren wordt door het hof verlengd tot 1 november 2026. Markar wordt in de proceskosten in hoger beroep veroordeeld, en het meer of anders gevorderde en verzochte wordt afgewezen. Het hof zal dat hierna toelichten, na een beschrijving van de relevante feiten.

3 De feiten

3.1

Het hof verwijst naar en neemt over de feiten die de voorzieningenrechter heeft vastgesteld nu daartegen geen bezwaar is gemaakt. Aangevuld met wat in hoger beroep is gebleken komen die feiten neer op het volgende.

3.2

[geïntimeerde] is eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres] te [plaats] in de gemeente [gemeentenaam] (hierna: 'het perceel'). [geïntimeerde] heeft het perceel medio 2000 in eigendom verkregen. Op het perceel staat een schuur. Een op het perceel aanwezige woning is in november 2008 door brand verwoest.

3.3

In 2010 heeft [geïntimeerde] een bouwvergunning gekregen voor een vervangende woning. Die vergunning is tot dusver niet door hem benut. Op dat moment was het perceel sedert enkele jaren betrokken door een woongroep, die plannen hadden het perceel van [geïntimeerde] te kopen. Toen dat niet doorging heeft de woongroep het perceel in 2015 verlaten.

3.4

Medio 2020 heeft [naam] het perceel in gebruik genomen voor bewoning.

Daartoe heeft hij een caravan/woonwagen op het perceel geplaatst. Hij verblijft in die woonwagen. Hij heeft inmiddels in de afgelopen jaren op het perceel ook, zoals hij dat ter zitting bij het hof heeft genoemd, een ‘tiny house’ gebouwd. Dat staat leeg en wordt niet bewoond. Voor dit alles kan hij zich niet beroepen op toestemming van of een overeenkomst met [geïntimeerde] of op een ander recht waarop dat in gebruik nemen en verblijf is gebaseerd. Dat is daarmee ‘zonder recht of titel’.

3.5

Bij brief van 5 augustus 2024 heeft de gemeente [gemeentenaam] na een onderzoek ter plaatse aan [geïntimeerde] geschreven dat sprake is van illegale bewoning op het perceel. Voorts heeft zij geschreven voornemens te zijn aan [geïntimeerde] een last onder dwangsom op te leggen. Aan dat voornemen heeft de gemeente toen geen vervolg gegeven. Volgens de gemeente was het gebruik van bouwwerken als woning op het perceel niet in overeenstemming met het omgevingsplan en was sprake van overtreding van het verbod om zonder de benodigde vergunning een omgevingsplanactiviteit uit te voeren. [naam] heeft als feitelijk gebruiker op 11 december 2025 een brief van de gemeente gekregen met een vergelijkbare inhoud.

3.6

De gemeente heeft op 23 september 2024 aan [geïntimeerde] weer geschreven dat zij voornemens is een last onder dwangsom op te leggen indien de eerder geconstateerde overtreding van de Omgevingswet, het Besluit Bouwwerken leefomgeving en het ter plaatse geldende Omgevingsplan [gemeentenaam] -bestemmingsplan Steendam niet binnen 12 weken zijn beëindigd, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per week met een maximum van € 15.000,-. Ook aan dat voornemen is geen uitvoering gegeven.

3.7

De gemeente heeft op 7 mei 2026 aan [geïntimeerde] bericht een last onder dwangsom op te leggen als uit een controle blijkt dat de eerder geconstateerde overtreding niet uiterlijk op 1 september 2026 is beëindigd. De gemeente heeft [naam] in een brief van dezelfde datum de gelegenheid gegeven om uiterlijk 1 september 2026 de geconstateerde overtredingen te beëindigen, op straffe van een dwangsom. [naam] heeft daarop op 21 mei 2026 gereageerd met de mededeling aan de gemeente dat een dwangsom niet nodig zal zijn omdat hij de overtredingen per 1 september ongedaan zal hebben gemaakt en in het hoofdgebouw zal verblijven.

3.8

[geïntimeerde] heeft de gemeente vervolgens gevraagd of er op het perceel gewoond mag worden. De gemeente heeft zich daarover uitgelaten bij brieven van 27 mei 2026 en 10 juni 2026 en een e-mail van 17 juni 2026. De advocaat van [naam] heeft vervolgens op 17 juni 2016 een zienswijze ingediend bij de gemeente, waarop de gemeente bij brief van 22 juni 2026 een nadere toelichting heeft gegeven.

3.9

[naam] heeft het perceel nog niet ontruimd.

4 De beoordeling

Formele procespartij

4.1

Markar is de beschermingsbewindvoerder van [naam] . De vorderingen van [geïntimeerde] betreffen goederen die onder bewind zijn gesteld, zodat Markar terecht als formele procespartij is opgetreden. [naam] zelf is bij de voorzieningenrechter ook als gedaagde partij aangemerkt en de vorderingen zijn ook jegens hem toegewezen. Het feit dat [naam] niet ook in hoger beroep is opgetreden maakt echter niet dat de vorderingen van Markar in hoger beroep, die materieel [naam] aangaan, niet beoordeeld zouden kunnen worden.

4.2

Hierna zal het hof de naam van [naam] gebruiken waarmee dan ook Markar wordt bedoeld.

Spoedeisend belang

4.3

[geïntimeerde] heeft een voldoende spoedeisend belang bij een beoordeling van zijn vorderingen. De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de zaak, omdat sprake is van een voortdurende inbreuk op zijn eigendomsrecht door [naam] en een dreigende last onder dwangsom van de gemeente. De vraag of de gevraagde voorziening moet worden gegeven (of in dit geval: gehandhaafd) moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof, waarbij moet worden beoordeeld of a) met een grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure de ontruiming zal worden bevolen en b) van [geïntimeerde] verlangd mag worden dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

Daarbij is relevant dat het gaat om een ontruimingsvordering waarbij het woonbelang van [naam] een rol speelt.Inhoudelijk

4.4

Het staat vast dat [naam] het perceel van [geïntimeerde] gebruikt zonder dat dat hij van [geïntimeerde] daartoe het recht heeft gekregen. Daarmee maakt hij inbreuk op het eigendomsrecht van [geïntimeerde] . Dat is het meest veelomvattende recht dat iemand op een zaak kan hebben (tenzij hij dat recht ten gunste van iemand anders heeft willen of heeft moeten beperken). De enkele inbreuk op het eigendomsrecht is op zich niet beslissend voor toewijzing van de vorderingen in dit kort geding. De gevorderde ontruiming maakt immers een inbreuk op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op bescherming van de woning (woonrecht) en de persoonlijke levenssfeer van [naam] . Die waarborg strekt zich ook uit over ontruiming van de standplaats van de stacaravan waarin [naam] feitelijk verblijf houdt. Binnen de grenzen van een kort geding moeten gedetailleerd de argumenten worden onderzocht die zijn aangevoerd bij de toets of de inbreuk op dat woonrecht evenredig en proportioneel is1.

4.5

Het hof stelt vast dat de in de memorie van grieven van [naam] geen duidelijk gemarkeerde en afgebakende grieven zijn geformuleerd. [geïntimeerde] heeft daarover in zijn memorie van antwoord terecht een opmerking gemaakt. Het is niet verplicht om grieven te nummeren of anderszins specifiek te rubriceren, maar wel mag worden gevergd dat duidelijk wordt gemaakt wat de bezwaren tegen het bestreden vonnis zijn, niet alleen voor het hof, maar ook, en misschien wel meer nog, voor de wederpartij. Die moet kunnen weten waartegen hij zich moet verweren en wat de reikwijdte van het hoger beroep is.

4.6

Volgens de advocaat van [naam] blijken de bezwaren uit de ‘kopjes’ in de appeldagvaarding maar is de kern van het hoger beroep dat de gemeente ten onrechte een last onder dwangsom heeft aangekondigd, omdat de gemeente een verkeerde uitleg (contra legem) geeft aan de regels die gelden voor bewoning op het perceel. Volgens [naam] kan de schuur als hoofdgebouw in planologische zin worden aangemerkt en is het bewonen van de schuur als hoofdgebouw niet vergunningsplichtig. [geïntimeerde] grijpt de last dan ook ten onrechte aan als argument voor de gevorderde ontruiming.

4.7

Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat de gemeente deze keer (anders dan in 2024) geen uitvoering zal geven aan haar voornemen van 7 mei 2026 om een last onder dwangsom te geven indien het perceel niet op 1 september 2026 is ontruimd. Dat maakt dat [geïntimeerde] belang heeft bij een ontruiming op korte termijn en dat nu niet van hem gevergd kan worden om een bodemzaak tegen [naam] te beginnen in plaats van een kort geding. Dat hij kennelijk in 2024 geen aanleiding heeft gezien een procedure tot ontruiming te beginnen toen ook al een last onder dwangsom werd aangekondigd doet daaraan niet af.

4.8

Het bestuursrechtelijk ingestoken betoog van (de advocaat van) [naam] richt zich niet op de stacaravan en het bijgebouwde tiny house, zodat de aangekondigde last in zoverre ook volgens [naam] kennelijk niet op onjuiste gronden is gebaseerd. [geïntimeerde] hangt dus een dwangsom boven het hoofd indien de stacaravan c.a. blijft staan, ook al heeft [naam] aangekondigd die te zullen verwijderen, maar wat hij nog niet heeft gedaan.

4.9

De discussie tussen [naam] en de gemeente gaat er over of de regelgeving toestaat dat [naam] in de schuur mag wonen en of daarvoor wel of geen vergunning moet worden verleend. Die discussie kan worden geïllustreerd aan de hand van de reactie van de gemeente van 22 juni 2026 op de zienswijze namens [naam] van 17 juni 2026:

“(…)

Ad 3 – Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

U stelt in uw zienswijze dat het besluit ziet op het afzien van het bewonen van bouwwerken

geen gebouwen zijnde. Wij volgende deze redenatie niet. In het voornemen last onder

dwangsom wordt gesproken over ‘bouwwerken’. Deze definitie omvat alle bouwwerken op het perceel, ook de schuur en bijbehorende bouwwerken. Zie hiervoor ook de definitie van

‘gebouw’ en ‘bouwwerk’ in artikel 1.61 en 1.91 van het bestemmingsplan Steendam.

(…)

Ad 5 – Geen voornemen om een woning te bouwen

U stelt dat wij er ten onrechte vanuit gaan dat uw cliënt voornemens is een woning te bouwen of andere vergunningplichtige activiteiten uit te voeren. Het gaat volgens u en uw cliënt slechts om het bewonen van het hoofdgebouw.

Dit punt raakt de kern van het geschil. De overtreding ziet namelijk op het bewonen van

bouwwerken op het perceel. Terwijl het bewonen van een bouwwerk alleen kan als deze

daadwerkelijk geschikt is voor bewoning en met het oog op dit gebruik is vergund.

Zoals wij in onze brief van 10 juni 2026 hebben uiteengezet, is er feitelijk geen woning aanwezig op het perceel. De aanwezige bouwwerken voldoen niet aan de definitie van ‘woning’ uit het bestemmingsplan. Ook is geen omgevingsvergunning verleend voor het realiseren of gebruiken van een woning op het perceel.

Dat uw cliënt stelt een hoofdgebouw te willen bewonen, neemt niet weg dat moet worden

beoordeeld of dat hoofdgebouw ook als toegestane woning kan worden aangemerkt. Dat is

niet het geval. De aanwezige schuur kan weliswaar als hoofdgebouw worden aangemerkt,

maar die kwalificatie betekent niet dat de schuur ook als woning mag worden gebruikt. Het

begrip “hoofdgebouw” is niet gelijk aan het begrip “woning”. De status van hoofdgebouw zegt iets over de planologische positie van het bouwwerk op het perceel, maar niet zonder meer over de vraag of daarin mag worden gewoond.

Voor zover uw cliënt in de schuur wil gaan wonen, beëindigt hij daarmee de overtreding dus

niet. De overtreding wordt alleen beëindigd door de bewoning van de bouwwerken op het

perceel te staken of te legaliseren. Voor het legaliseren van woonruimte op het perceel is een

omgevingsvergunning vereist (art. 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet). Voor zover uw cliënt

bewoning in de schuur mogelijk wil maken zal daarvoor een aanvraag omgevingsvergunning moeten worden ingediend. Ten overvloede: bouwwerken moeten ook aan het Besluit

bouwwerken leefomgeving voldoen, in het geval van een woning zal een kwaliteitsborger het

gebouw moeten controleren.

Ad 6 – Artikel 22.29 omgevingsplan / bruidsschat

U stelt dat artikel 22.29 van het omgevingsplan niet los kan worden gelezen van artikel 22.26 en dat voor het hoofdgebouw een vergunning zou zijn verleend, dan wel dat sprake is van

overgangsrecht of verjaring. Dit leidt niet tot een ander oordeel. De last ziet niet op het enkele bestaan van het hoofdgebouw, maar op het gebruik van bouwwerken voor bewoning zonder dat sprake is van een toegestane woning. Dat de schuur als hoofdgebouw kan worden aangemerkt, betekent niet dat deze ook als woning mag worden gebruikt.(…)

Ad 8 – Bestemming “Gemengd - 2”

Uw cliënt wijst erop dat de bestemming ‘Gemengd – 2’ wonen toestaat en u citeert artikel 7.1 en artikel 7.4 van het bestemmingsplan. Wij onderschrijven dat binnen de bestemming ‘Gemengd – 2’ wonen als functie is toegestaan. Dat betekent niet dat ieder aanwezig bouwwerk op het perceel zonder meer voor bewoning mag worden gebruikt.

In de brief van 10 juni 2026 is toegelicht dat artikel 7.2.2 van het bestemmingsplan één woning op het perceel toestaat en dat deze woning uitsluitend binnen het bouwvlak mag worden gebouwd. Ook is daarin toegelicht dat het bestemmingsplan onder “woning” verstaat: een complex van ruimten, blijkens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

De bestemming biedt ruimte voor wonen, maar uitsluitend binnen de grenzen van de

planregels. Omdat het realiseren van een woning niet als vergunningvrije activiteit is

aangewezen kan aan het bestemmingsplan geen zelfstandig recht ontleend worden om

bouwwerken als woning te gebruiken.

Ad 9 – Hoofdgebouw versus woning

U stelt dat artikel 7 van het bestemmingsplan niet vereist dat een gebouw als ‘woning’ is

aangemerkt, maar dat een gebouw als ‘hoofdgebouw’ is aangemerkt. Omdat uw cliënt in het

hoofdgebouw gaat wonen is er volgens u geen sprake van een overtreding. Wij volgen dit argument niet.

Dat een bouwwerk als hoofdgebouw kan worden aangemerkt, betekent niet dat dit bouwwerk

ook als woning mag worden gebruikt. Het begrip “hoofdgebouw” zegt iets over de

planologische positionering en functie van een gebouw binnen het perceel, maar is niet gelijk

te stellen met het begrip “woning”. In de brief van 10 juni 2026 is toegelicht dat de aanwezige schuur als hoofdgebouw kan worden aangemerkt op basis van artikel 1.110 van het bestemmingsplan Steendam. Ook is toegelicht dat deze status losstaat van de vraag of in een bouwwerk mag worden gewoond. De onduidelijkheid is ontstaan doordat het bewonen van bijgebouwen in het bijzonder als niet toegestaan is aangemerkt in het bestemmingsplan.

Daaruit volgt niet dat bewoning van het hoofdgebouw automatisch is toegestaan.

Voor bewoning is vereist dat sprake is van een toegestane woning. Daarvan is niet gebleken. De aangekondigde bewoning per 1 september 2026 zou de overtreding daarom niet beëindigen maar voortzetten.

Ad 10 – Gebruik van de begrippen “hoofdgebouw” en “woning” in het bestemmingsplan

U stelt dat het bestemmingsplan bewust onderscheid maakt tussen ‘hoofdgebouw’ en ‘woning’ en dat ons besluit daarom moet worden aangepast. Wij volgen dit niet. Het begrip

‘hoofdgebouw’ vervangt het begrip ‘woning’ niet. Dat de schuur als hoofdgebouw kan worden aangemerkt, betekent dus niet dat deze ook als woning mag worden gebruikt.(…)”.

4.10

Wat er ook zij van betoog namens [naam] dat die last voor wat betreft de mogelijke bewoning van de schuur geen grond vindt in de geldende (gemeentelijke) regelgeving, het is niet op voorhand onwaarschijnlijk of onzeker dat die last in een bestuursrechtelijk traject stand zal houden. Daar komt bij dat [naam] op dit moment niet in de schuur woont en hij daarvoor geen vergunning heeft. Dat is wel zijn bedoeling. [geïntimeerde] zou hem, zo begrijpt het hof, moeten faciliteren, althans hem de gelegenheid moeten geven die bedoeling waar te maken door of zelf bezwaar te maken tegen de last onder dwangsom (en eventueel beroep aan te tekenen) of [naam] die mogelijkheid te bieden. Het hof ziet echter niet in op grond waarvan [geïntimeerde] in zijn rechtsverhouding tot [naam] daartoe gehouden zou zijn. Dat zou, als het aan [naam] ligt, mogelijk leiden tot een situatie die [geïntimeerde] als eigenaar van de schuur niet wil en die hem zou kunnen belemmeren in de (planologische) mogelijkheden met het perceel als de schuur als hoofdgebouw zou (moeten) gelden, mede gezien de bouwvergunning voor een woning. Het is, zoals de voorzieningenrechter ook al overwoog, niet redelijk dat [geïntimeerde] desondanks een dergelijk bestuursrechtelijk traject zou moeten doorlopen. Het hof verenigt zich met en neemt over wat de voorzieningenrechter in 4.12 van zijn vonnis heeft overwogen op dat punt.2

4.11

[naam] heeft (op zich terecht) aangevoerd dat een belangenafweging moet plaatsvinden, maar hij heeft in de grieven verder, naast zijn stellingen over de last onder dwangsom, geen feiten en omstandigheden aangevoerd die er toe strekken dat en waarom de door de voorzieningenrechter gemaakte belangenafweging niet juist is en anders uit moet pakken, bijvoorbeeld omdat de gevorderde ontruiming niet in verhouding staat tot het belang van [naam] . Hij heeft aangekondigd de stacaravan en het tiny house van het perceel te verwijderen, maar niet is gebleken dat hij de stacaravan niet elders kan plaatsen. Naar zijn zeggen heeft hij de stacaravan weggegeven aan degene die de caravan van het perceel zal verwijderen, maar dat hij geen andere mogelijkheden heeft gehad blijkt daarmee niet. Dat [naam] door de ontruiming dakloos zal worden (dat heeft hij hooguit impliciet gesteld) is tegen die achtergrond onvoldoende onderbouwd.

4.12

Gelet op de aangevoerde en gebleken feiten en omstandigheden acht het hof de belangen van [geïntimeerde] bij ontruiming van het perceel op korte termijn zwaarder wegen dan de belangen van [naam] bij behoud van zijn standplaats en het plan om in de schuur te gaan wonen. Het hof ziet wel aanleiding om [naam] een iets ruimere termijn voor ontruiming te geven, namelijk tot 1 november 2026. Het hof sluit daarvoor aan bij de door de gemeente eerder steeds genoemde begunstigingstermijn van 12 weken, te rekenen vanaf de datum van het vonnis van de voorzieningenrechter. Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter alleen op dit punt vernietigen en voor het overige bekrachtigen.

4.13

Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal Markar door het hof tot betaling van de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.3

4.14

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5 De beslissing

Het hof:

5.1

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 26 juni 2026, behalve wat betreft de in 5.1 van dat vonnis genoemde datum van 1 september 2026, waarvoor gelezen moet worden 1 november 2026 waartoe het vonnis alleen voor dat deel wordt vernietigd;

5.2

veroordeelt Markar tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :

€ 373 aan griffierecht

€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);

5.3

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, M.M.A. Wind en P.W. Schreurs, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »