GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.344.397
zaaknummer rechtbank 10767503
arrest van 21 juli 2026
in de zaak van
[appallante] B.V. (hierna: [appallante] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats1]
advocaat: mr. M.J. Wagemans
en
[geïntimeerde] , h.o.d.n. [naam1] (hierna: [geïntimeerde] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats2]
advocaat: mr. G.L. Breunesse
1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 3 februari 2026 (het tussenarrest) heeft [appallante] het hof bericht dat zij niet in de daarin gegeven bewijsopdracht kan voorzien. De geplande (tegen)getuigenverhoren hebben om die reden geen doorgang gevonden. Partijen hebben het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2 De toelichting op de beslissing van het hof
In het tussenarrest is onder rechtsoverweging 3.18 het volgende opgenomen als conclusie:
“De huurovereenkomst tussen partijen ziet op art. 7:290- bedrijfsruimte, omdat er sprake is van een ambachts-, en kleinhandelsbedrijf met een voor het publiek toegankelijk lokaal waar diensten en goederen rechtstreeks worden geleverd. [appallante] zal worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling, dat tussen [naam2] en [geïntimeerde] is overeengekomen dat de huurprijs voor het gehuurde (exclusief voorschotten) met ingang van 1 januari 2023 € 2.368,80 per maand bedraagt. Als zij niet in dit bewijs slaagt, dan blijft het vonnis van de kantonrechter geheel in stand. Slaagt zij wel in dit bewijs, dan zal [geïntimeerde] alsnog worden veroordeeld tot betaling van deze hogere huurprijs en de huurachterstand en blijft het bestreden vonnis voor het overige in stand.”
[appallante] heeft te kennen gegeven niet in het opgedragen bewijs te kunnen voorzien en heeft het hof op 7 mei 2026 bericht dat partijen beiden akkoord zijn met het laten vervallen van zowel de enquête als de contra-enquête. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de afwijzing van de vorderingen van [appallante] in stand blijft, waarbij ook de eisvermeerdering (voor zover gehandhaafd) in hoger beroep zal worden afgewezen. Het hof verwijst hiervoor naar al hetgeen in het tussenarrest is overwogen.
Omdat [appallante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appallante] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.1
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
3 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort , van 19 juni 2024;
veroordeelt [appallante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 349 aan griffierecht en
€ 3.870 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (3 procespunten x het toepasselijke tarief II);
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. Mans, L.A. de Vrey en J.G.J. Rinkes, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.