ECLI:NL:GHARL:2026:2281

Datum uitspraak
07-04-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.350.266/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiseres meent aanspraak te kunnen maken op een achterstallige managementvergoeding en de onbetaald gebleven overnamesom van haar onderneming. Een gefailleerde vennootschap had zich tot betaling daarvan verplicht. Eiseres wil haar vorderingen nu verhalen op natuurlijke personen en hun persoonlijke vennootschap. Volgens eiseres hebben zij de gefailleerde vennootschap in het zicht van het faillissement leeggetrokken, zonder voor de kosten van de overname te willen betalen. Er was in andere woorden volgens eiseres sprake van ‘predatory aquisition’.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.350.266/01

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 230511

arrest van 7 april 2026

in de zaak van

[appellant] B.V. ( [appellant] )

die is gevestigd in [vestigingsplaats]

advocaat: mr. P. van Wijngaarden

en

1 Techno Horeca Holding B.V. (de holding)

die is gevestigd in Groningen

2. Techno Horeca B.V. (TH)

die is gevestigd in Groningen

3. [geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] )

4. [geïntimeerde2] ( [geïntimeerde2] )

die beiden wonen in [woonplaats]

advocaat: mr. K.D. de Boer

tezamen te noemen [geïntimeerden]

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Naar aanleiding van het arrest van 15 april 2025 heeft op 21 mei 2025 een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een kort verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Het procesverloop nadien blijkt uit

• de Memorie van Grieven

• de Memorie van Antwoord

• het proces-verbaal van een tweede mondelinge behandeling, die is gehouden op 24 februari 2026

• een bij gelegenheid van die mondelinge behandeling genomen akte uitlating producties van [appellant] en een door die partij nog overgelegde productie 5.

1.2

Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2 Waar gaat de zaak over?

De kern van de zaak

2.1

[appellant] meent aanspraak te kunnen maken op een achterstallige managementvergoeding en de onbetaald gebleven overnamesom van haar onderneming. Techno Horeca Koeltechniek B.V. (hierna: THKT) had zich tot betaling daarvan verplicht, maar die vennootschap is gefailleerd. [appellant] wil haar vorderingen nu verhalen op [geïntimeerden] , die THKT volgens [appellant] hebben leeggetrokken en laten failleren, zonder voor de kosten van de overname te willen betalen. Er was in andere woorden volgens [appellant] sprake van ‘predatory aquisition’. Daarnaast wordt aangevoerd dat enkele van de gedaagde partijen naast THKT zelf partij bij de verschillende overeenkomsten waren waar de aanspraak op is gebaseerd. Dat geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond.

De feiten

2.2

Het belang van [appellant] is feitelijk het belang van [naam6] . Hij houdt alle aandelen in deze vennootschap, die zich bezighoudt met koeltechniek en de reparatie van bier-, fris- en koeltechnische installaties.

2.3

Met het oog op de pensioenplannen van [appellant] hebben [appellant] en de toen nog op te richten holding (namens deze: [geïntimeerde2] ) op 10 december 2021 een intentieverklaring getekend. [geïntimeerde2] en zijn zoon, [geïntimeerde1] , werden (indirect) aandeelhouders van die holding, en waren dat al van TH. Zij drijven in TH een onderneming op het gebied van grootkeukenactiviteiten en koeling. Voor dat laatste (de ‘koude tak’) was TH indertijd afhankelijk van onderaannemers, onder wie [appellant] .

2.4

In de intentieovereenkomst wordt [appellant] als verkoper aangeduid van haar vaste activa, voorraad, de activiteiten en het personeel, en de op dat moment nog op te richten THKT als ‘geïnteresseerde koper’ daarvan. Uitgangspunt was onder meer dat verspreid over drie jaar € 300.000 zou worden betaald voor de goodwill van [appellant] en dat [appellant] op grond van een nog op te maken managementovereenkomst in ieder geval 3 jaar werkzaam zou blijven tegen een fee van € 5.000 per maand.

2.5

THKT is hierna op 23 december 2021 opgericht, met de holding als meerderheidsaandeelhouder (50,1%). De andere aandeelhouders waren [appellant] (35%), de beoogd opvolger van [appellant] , [naam1] (4,9%) en een medewerker van [geïntimeerden] , [naam2] (10%). Vervolgens zijn op 20 januari 2022 drie overeenkomsten gesloten:

- een overeenkomst ‘tussen aandeelhouders’ THKT. Deze overeenkomst is namens ‘koper’ getekend door [geïntimeerde1] en namens ‘ verkoper’ door [appellant] . De overeenkomst bevat ten aanzien van de koopprijs voor de volledige, onbezwaarde eigendom van de vaste activa, voorraad en de activiteiten van [appellant] het uitgangspunt dat aan goodwill inzake [appellant] € 300.000 zou worden betaald; “Hiervan ontvangt de verkoper hierop de volgende 3 jaar, vanaf 2022, jaarlijks in ieder geval 100.000, voor zover de netto baten op koelactiviteiten in Techno Horeca koel BV dit toelaat”. In deze overeenkomst staat verder dat de vaste activa voor € 45.000 door THKT worden overgenomen en dat TH voorraadonderdelen en klein materieel voor € 30.000 overneemt. Verder werd afgesproken dat [appellant] middels een nog op te maken managementovereenkomst in ieder geval 3 jaar werkzaam zou blijven tegen een fee van € 5.000 exclusief btw per maand of zoveel korter, tot het moment dat de goodwill ad. € 300.000 zou zijn voldaan;

- een overeenkomst tot overname door THKT van de activa en activiteiten van [appellant] , gesloten tussen [geïntimeerde1] (namens THKT, alsmede namens TH) en [appellant] (namens [appellant] ). Dat gebeurde voor de in de intentieovereenkomst al genoemde prijs van € 45.000 exclusief btw. De personeelsleden [naam1] (40 uur per week) en [naam3] (nul-urencontract) werden hierbij naar het hof begrijpt ook door THKT overgenomen. Die vennootschap zou vanaf 1 februari 2022 eveneens de facturering van [appellant] overnemen.

De voorraadonderdelen en klein materiaal werden voor € 30.000 door TH overgenomen. Ook de klantengegevens van [appellant] zouden in het bezit van TH worden gesteld;

- een overeenkomst voor werkzaamheden op het gebied van management en verkoop en reparatie van koeltechnische apparatuur, tegen de in de intentieovereenkomst al opgenomen maandvergoeding van € 5.000. Contractspartijen waren THKT (namens deze [geïntimeerde1] ) en [appellant] ( [appellant] ). Die managementovereenkomst is aangegaan voor de duur van drie jaar vanaf 1 februari 2022. De werkzaamheden zouden door [appellant] worden uitgevoerd.

2.6

TH heeft in 2022 aan [appellant] een deel van de koopprijs van de goodwill uitgekeerd (€ 100.000), maar daar is het bij gebleven; in april 2023 heeft [appellant] zich ziekgemeld, en THKT heeft op 10 augustus 2022 de managementovereenkomst met [appellant] opgezegd. Kort daarna zijn twee door THKT aangenomen medewerkers, [naam4] en [naam1] , bij THKT vertrokken. Op 14 december 2023 is het faillissement van THKT uitgesproken.

De procedure bij de rechtbank

2.7

[appellant] heeft bij de rechtbank het volgende gevorderd.

Met betrekking tot de Managementovereenkomst

Primair

I. een verklaring voor recht dat THKT de managementovereenkomst met [appellant] op onrechtmatige wijze met onmiddellijke ingang heeft opgezegd en derhalve daarvoor schadeplichtig is;

II. THKT en/of de Holding en/of TH en/of de heer [geïntimeerde1] en/of de heer [geïntimeerde2] primair hoofdelijk dan wel (subsidiair) gezamenlijk te veroordelen tot betaling van de onbetaald gebleven managementvergoeding ad € 4.000,- over de maanden juni en juli 2023 en verder tot de regelmatige beëindiging van de managementovereenkomst dan wel op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen tijdstip, te vermeerderen met 21% btw per maand vanaf augustus 2023 tot 1 februari 2025;

III. THKT en/of de Holding en/of TH en/of de heer [geïntimeerde1] en/of de heer [geïntimeerde2] primair hoofdelijk dan wel (gezamenlijk) te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de reeds vervallen managementtermijnen ad € 4.000,- per maand;

Subsidiair

IV. voor zover de rechtbank oordeelt dat THKT de managementovereenkomst d.d. 10 december 2022 wel rechtmatig heeft opgezegd, maar daarbij de opzegtermijn van 12 maanden niet in acht heeft genomen, THKT en/of de Holding en/of TH en/of de heer [geïntimeerde1] en/of de heer [geïntimeerde2] hoofdelijk dan wel (subsidiair) gezamenlijk, naast de voldoening van de fee over de maanden juni en juli 2023, te veroordelen tot betaling van de managementvergoeding ad € 4.000,- te vermeerderen met 21% btw per maand gedurende een periode van 12 maanden gerekend vanaf 1 augustus 2023, dan wel een in goede justitie te bepalen periode;

V. THKT en/of de Holding en/of TH en/of de heer [geïntimeerde1] en/of de heer [geïntimeerde2] primair hoofdelijk dan wel (subsidiair) gezamenlijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de reeds vervallen managementtermijnen ad € 4.000,- per maand;

Koopovereenkomst voor zover deze ziet op de goodwill/koopsom:

VI. THKT en/of deHolding en/of TH en/of de heer [geïntimeerde1] en/of de heer [geïntimeerde2] primair hoofdelijk dan wel (subsidiair) gezamenlijk te veroordelen om de resterende verschuldigde overnamesom van de niet nog betaalde goodwill zijnde € 200.000,- in twee termijnen ad € 100.000,- op uiterlijk 31 december 2023 en 31 december 2024 te voldoen dan wel tegen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen tijdstip;

Algemeen

VII. voor recht te verklaren dat THKT en/of de Holding en/of TH en/of de heer [geïntimeerde1] en/of de heer [geïntimeerde2] allen hoofdelijk dan wel (subsidiair) gezamenlijk aansprakelijk zijn voor de vorderingen van [appellant] op THKT, des dat de ene gedaagde betaalt, de andere gedaagden zullen zijn bevrijd:

VIII. voor recht te verklaren dat de beslagen op de onroerende zaken van de heer [geïntimeerde1] en de heer [geïntimeerde2] eerst dan behoeven te worden opgeheven indien alle vorderingen van [appellant] volledig zijn voldaan.

2.8

De rechtbank heeft geconstateerd dat de procedure tegen THKT door het faillissement was geschorst. Daarom is in de procedure van [appellant] tegen die partij onbesproken gebleven of en in hoeverre THKT op basis van de managementovereenkomst nog een management fee aan [appellant] verschuldigd is en of THKT gehouden is om op basis van de aandelenovereenkomst het restant aan goodwill van € 200.000 aan [appellant] te betalen. THKT is in het hoger beroep niet betrokken. De procedure tegen haar bij de rechtbank is nog steeds geschorst.

2.9

De vorderingen tegen de andere gedaagden zijn afgewezen.

Het hoger beroep

2.10

De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen tegen de andere gedaagden alsnog worden toegewezen. Daarbij heeft [appellant] haar vordering vermeerderd: zij vordert nu ook dat [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 200.000 aan inmiddels opeisbaar geworden management fee, vermeerderd met rente.

2.11

Deze vordering is mede gericht tegen THKT, maar die vennootschap is in deze procedure geen partij. Het hof zal dit beschouwen als een verschrijving. Voor het overige is het hof niet van bezwaren tegen deze eisvermeerdering gebleken. Die zal daarom worden toegestaan.

2.12

Het hof zal beslissen dat de bestreden uitspraak in stand blijft. De vorderingen zullen dus niet alsnog worden toegewezen. Dat wordt hierna toegelicht.

3 De toelichting op de beslissing van het hof

Het beroep op wanprestatie

3.1

In hoger beroep zijn de vorderingen tegen [geïntimeerden] naar het hof begrijpt onder meer gebaseerd op het standpunt dat enkele van die gedaagden (naast THKT) partij waren bij een of meer van de hiervoor genoemde overeenkomsten. Ten aanzien daarvan overweegt het hof het volgende.

3.2

Voor zover [appellant] heeft willen aanvoeren dat de verplichting tot betaling van de managementvergoeding behalve op THKT ook op [geïntimeerden] rustte (althans op de holding of TH), is dat ongefundeerd. De managementovereenkomst heeft [appellant] immers blijkens de tekst ervan alleen gesloten met THKT. De intentieovereenkomst waarbij de holding de wederpartij van [appellant] was, biedt voor dit standpunt ook geen basis, omdat de in die overeenkomst uitgesproken intenties later in onder meer de managementovereenkomst zijn vastgelegd. Verder blijkt uit niets dat TH zich heeft verplicht tot betaling van de managementvergoeding. Hetzelfde geldt voor [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]

3.3

Aan het standpunt dat [geïntimeerden] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling van het restant van de koopprijs voor de goodwill van [appellant] gaat het hof ook voorbij, ten eerste omdat [appellant] er in onderdeel 27 van de Memorie van Grieven zelf vanuit gaat dat alleen THKT tot betaling van die koopprijs gehouden was. Dat is in overeenstemming met het feit dat de koopprijs zou worden voldaan uit de netto baten van THKT op koelactiviteiten; ten tweede omdat (ook verder) nergens uit volgt dat [geïntimeerden] zich op eigen titel tot enige verplichting hebben verbonden. Die verplichting volgt wat TH betreft ook niet zonder meer uit het feit dat de eerste tranche van de goodwill ad € 100.000 door die vennootschap is voldaan. Een toelichting waarom dit anders zou zijn, ontbreekt.

3.4

De suggestie ten slotte, dat de holding de verplichting tot betaling van de koopsom op zich heeft genomen, kan het hof niet volgen.

Het beroep op onrechtmatige daad: de gevolgen van de schorsing

3.5

Voor zover de vorderingen tegen [geïntimeerden] het karakter hebben van een schadevergoeding, veronderstellen ze een betalingsverplichting van THKT. De schade bestaat er dan uit dat THKT haar verplichting tot betaling van de koopprijs en de managementvergoeding door het faillissement niet is nagekomen en ook niet meer zal kunnen nakomen. Maar omdat de procedure tegen die partij (nog steeds) is geschorst, staat deze verplichting volgens de rechtbank niet vast. Alleen al dat gegeven was reden om de vorderingen tegen [geïntimeerden] af te wijzen. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat haar vordering door de curator op de lijst van voorlopig erkende concurrente crediteuren is geplaatst, is dit volgens de rechtbank onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat [appellant] een gegronde en niet betwiste vordering op THKT heeft.

3.6

Het hof is het daarmee deels eens. Omdat de vordering tegen [geïntimeerden] erop is gebaseerd dat de vorderingen tegen THKT wel bestaan, moet daarop het hoger beroep inderdaad stranden voor zover het betrekking heeft op de managementvergoeding. De desbetreffende overeenkomst is immers opgezegd omdat [appellant] in strijd met de afspraken concurrerende werkzaamheden zou hebben verricht. Of dat terecht is, kan in dit hoger beroep niet worden beoordeeld. Daarom staat de aanspraak op de managementvergoeding niet vast, en kan het restant van die vergoeding ook niet op grond van een ook op [geïntimeerden] rustende schadevergoedingsverplichting worden gevorderd. Redengevende feiten die een andere conclusie rechtvaardigen, zijn niet gesteld.

3.7

De gevorderde schadevergoeding kan echter wel betrekking hebben op de gederfde koopprijs voor de goodwill. De verschuldigdheid van die koopprijs staat in deze procedure immers op zichzelf niet ter discussie, maar de opeisbaarheid ervan is zoals gezegd afhankelijk gesteld van de resultaten van THKT en het verwijt van [appellant] aan [geïntimeerden] is nu juist dat die resultaten door hen op onrechtmatige wijze zijn gedrukt, waardoor het restant van de koopprijs nooit opeisbaar is geworden.

Het beroep op onrechtmatige daad: de onderbouwing bij de rechtbank

3.8

Wat de onderbouwing van de schadevordering betreft (zowel ten aanzien van de managementvergoeding als de koopprijs): als het al zo zou zijn dat [appellant] een vordering heeft op THKT, dan heeft zij haar vordering op [geïntimeerden] in de ogen van de rechtbank enkel gebaseerd op het standpunt dat een door [geïntimeerde2] opgestelde prognose van de omzet van THKT niet is uitgekomen. Daarop kan naar het oordeel van de rechtbank geen van de tegen die gedaagden ingestelde vordering worden gebaseerd.

3.9

Het hof deelt dat oordeel en zal hierna de vraag beantwoorden of in hoger beroep alsnog voldoende onderbouwing is gegeven.

Het beroep op onrechtmatige daad: de nadere onderbouwing van de gestelde aansprakelijkheid van de holding en TH; vereenzelviging en onrechtmatige verrijking

3.10

Bij de beantwoording van de vraag of de vereiste onderbouwing ten aanzien van de holding en TH alsnog is gegeven, stelt het hof voorop dat die partijen niet als leidinggevenden van THKT kunnen worden aangemerkt. Daarom kan hen niet het verwijt treffen dat zij THKT in die hoedanigheid kennelijk onbehoorlijk hebben bestuurd. Dat zij kunnen worden vereenzelvigd met de beleidsbepalers binnen THKT, [geïntimeerde1] en (of) [geïntimeerde2] , is op geen enkele manier onderbouwd. Ook voor het overige is niets aangevoerd dat de conclusie kan dragen dat de holding en/of TH zich tegenover [appellant] onrechtmatig hebben gedragen.

Het beroep op onrechtmatige daad: de nadere onderbouwing van de gestelde (externe) bestuurdersaansprakelijkheid van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]

3.11

Het verwijt aan vader en zoon [geïntimeerde2] komt erop neer dat zij als formeel of feitelijk leidinggevenden binnen THKT buitensporig veel overheadkosten van TH bij THKT in rekening hebben gebracht en kortingen voor ingekochte materialen niet ten gunste van THKT hebben geboekt, maar ten gunste van TH. [appellant] heeft bestuurskundige [naam5] gevraagd naar dat proces te kijken. Op grond van diens bevindingen is de redenering dat dit een vooropgezet plan was, en dat [geïntimeerden] dus bij het aangaan van de diverse overeenkomsten al wisten dat de kosten- en batenallocatie ervoor zou zorgen dat THKT haar verplichtingen uit die overeenkomsten niet zou kunnen nakomen. Dat is een financiële scheefgroei tussen omzet en bedrijfskosten die zij bewust hebben gecreëerd. Daarvan kan deze bestuurders een persoonlijk en ernstig verwijt worden gemaakt. Dat betekent dat zij onrechtmatig hebben gehandeld, aldus nog steeds [appellant] .

3.12

[appellant] voert aan dat de wijze van factureren die in artikel 4 van de aandeelhoudersovereenkomst is vastgelegd gunstig is voor TH, en ongunstig voor THKT – maar bovenal niet transparant. TH bepaalt namelijk dat gefactureerd kan worden, terwijl THKT dit dient te controleren. Een gezonde discussie daarover kon om die reden met [appellant] ( [appellant] ) niet plaatsvinden. De pijn zit met name in de afspraak dat THKT de loonkosten zou dragen en "overige kosten/investeringen die benodigd zijn voor het goed kunnen uitvoeren van de werkzaamheden van Techno Koeltechniek BV". Hoewel de omzet in 2022 afnam, zijn veel loonkosten van TH bij THKT ondergebracht. De overige kosten en investeringen zijn naar rato van het aantal fte's verdeeld over TH en THKT. Onderdeel van de afspraken was namelijk ook dat TH en THKT de marge op verkochte goederen van 40%, zouden delen. TH heeft nu niet alleen de marge van 20% behouden, maar ook de overheadkosten bij THKT in rekening gebracht.

3.13

Het hof kan [appellant] hierin deels volgen. Uit het dossier blijkt dat [geïntimeerden] het in hun macht hadden om aan de gemaakte afspraken een invulling te geven die hun het beste uitkwam (ook als die niet in het voordeel van [appellant] was), en dat daarover geruime tijd met [appellant] geen overleg is gevoerd. Dit terwijl [appellant] via [appellant] een belang van 35% in THKT had, afgesproken was dat hij ‘als directeur naar buiten (zou) kunnen optreden’, en het in wezen ging om voortzetting van zijn bedrijf. Die constatering is echter onvoldoende voor toewijzing van de vorderingen van [appellant] . Meer specifiek staat daaraan het volgende in de weg.

3.14

Voor de beoordeling van de aan het adres van [geïntimeerden] gemaakte verwijten is uitgangspunt wat [appellant] over de bepaling van het resultaat van THKT heeft afgesproken. Niet ter discussie staat, dat dit is geregeld in artikel 4 van de overeenkomst tussen aandeelhouders, en dat [appellant] bij het opstellen van deze overeenkomst werd bijgestaan door een financieel adviseur. De concepten voor de gesloten overeenkomsten zijn ook door deze adviseur opgesteld.

3.15

In het genoemde artikel is ten eerste geregeld dat alle opdrachten die via THKT zouden binnenkomen, door TH zouden worden afgehandeld en dat THKT maandelijks 20% van de waarde van de verkochte apparatuur en materialen aan TH zou factureren (de helft van de totale marge). Het aantal uren zou door THKT aan TH worden gefactureerd tegen een tarief van € 60, en € 60 aan voorrijkosten per keer. Niet valt in te zien dat het onrechtmatig is om aan deze afspraken uitvoering te geven, zoals ook is gebeurd.

3.16

Ten tweede: over de verdeling van overheadkosten tussen THKT en TH bevat artikel 4 een bepaling die op meerdere manieren kan worden uitgelegd: de kosten van THKT zouden naast de management fee, loonkosten, afschrijvingen en investeringen de overige kosten en investeringen betreffen ‘die benodigd zijn voor het goed kunnen uitvoeren van de werkzaamheden’ van THTK. Op advies van een accountant is er door [geïntimeerden] (feitelijk [geïntimeerde2] , zo begrijpt het hof) voor gekozen de overheadkosten van THKT enerzijds en TH anderzijds te verdelen naar rato van de personeelsinzet (fte’s). Aan de hand van een rapportage van deskundigen [naam5] en [naam7] heeft [appellant] inzichtelijk gemaakt dat op deze wijze aanzienlijke kosten van TH bij THKT zijn gealloceerd.

3.17

Deze deskundigen concluderen terecht dat een verdeelsleutel die is gebaseerd op omzet tot een andere, voor [appellant] aanmerkelijk voordeligere kostenverdeling zou hebben geleid. Dat neemt echter niet weg dat de constatering dat de toegepaste kostenverdeling ‘weinig gebruikelijk’ is, niet volstaat als onderbouwing van een beroep op bestuurdersaansprakelijkheid. In dit verband zou minst genomen de eis gelden dat de verdeling onder de gegeven omstandigheden onverantwoord was. Die conclusie kan het hof niet trekken.

3.18

Ten derde: als het al zo zou zijn dat een meer gangbare kostenverdeling zou zijn toegepast, dan zou in 2022 de eerste tranche van de koopprijs uit de winst van THKT kunnen zijn voldaan. Dat dat bij deze berekeningswijze niet mogelijk was, heeft echter niet tot schade geleid, omdat die eerste tranche dat jaar daadwerkelijk is uitgekeerd. Dat TH het op zich heeft genomen het eerste deel van de koopprijs te voldoen, verhoudt zich bovendien slecht met het standpunt dat bij het aangaan van de diverse overeenkomsten de opzet bestond om [appellant] te benadelen. Overigens is ook de managementvergoeding dat jaar uitbetaald.

3.19

Ten vierde: het faillissement is in 2023 aangevraagd, nadat de omzet drastisch was gedaald. Aannemelijk is, dat dat voor het overgrote deel werd veroorzaakt door het vertrek van een aantal medewerkers en de ziekmelding van [appellant] . Het hof kan op grond van wat daartoe is aangevoerd niet de conclusie trekken dat [geïntimeerden] (of een van die partijen) van die ontwikkelingen een persoonlijk en voldoende ernstig verwijt treft, laat staan dat dat voor hen bij het aangaan van de overeenkomsten al voorzienbaar was.

3.20

Ten vijfde: het standpunt dat het faillissementsverzoek ‘op zichzelf al onrechtmatig jegens [appellant] ’ zou zijn (lees: [appellant] ), vindt geen steun in het recht.

Deskundigenonderzoek, bewijsaanbod en het verzoek tot overlegging van stukken

3.21

[appellant] vindt een gedegen forensisch onderzoek naar de jaarcijfers op zijn plaats, zodat kan worden vastgesteld dat de door TH bij THKT in rekening gebrachte kosten en de door THKT bij TH te factureren omzetten niet juist zijn.

3.22

Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, ziet het hof daarvoor – of voor nadere bewijsvoering dan wel honorering van het verzoek om nadere stukken - geen ruimte.

De conclusie

3.23

Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof die partij tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten.

4 De beslissing

Het hof:

4.1

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 28 augustus 2024;

4.2

veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :

€ 6.803 aan procedurele kosten

€ 9.414 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (2 procespunten x het toepasselijke tarief VI);

4.3

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4.4

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, J.E. Wichers en A. Elgersma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

7 april 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »