ECLI:NL:GHARL:2026:1126

Datum uitspraak
24-02-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.358.186
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Pachtzaak. Incident ex art. 194 en 195 Rv.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.358.186

zaaknummer rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, 11378550

arrest van de pachtkamer in het incident van 24 februari 2026

in de zaak van

[appellant] ( [appellant] )

die woont in [woonplaats1] , [gemeente1]

advocaat: mr. B. Nijman

en

[geintimeerde] ( [geintimeerde] )

die woont in [woonplaats2]

advocaat: mr. R. Jansen

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de pachtkamer in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, (hierna: de rechtbank) op 28 mei 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep van 24 juni 2025

  • de memorie van grieven, tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 843a Rv (oud)

  • de memorie van antwoord in het incident

  • de memorie van antwoord, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel.

2 De toelichting op de beslissing van het hof

2.1.

[appellant] vordert in zijn incidentele vordering dat [geintimeerde] op grond van artikel 843a Rv (oud) wordt veroordeeld om een kopie te verstrekken van de door hem [in] 2013, met het provinciebestuur van Limburg gesloten overeenkomst of overeenkomsten voorzien van alle daartoe behorende bijlagen, aanvullingen en wijzigingen.

2.2.

Het hof stelt voorop dat het hoger beroep op 24 juni 2025 is ingesteld. Dit heeft tot gevolg dat het bewijsrecht van toepassing is dat op 1 januari 2025 in werking is getreden.1 Het hof zal de vordering van [appellant] op grond van artikel 843a Rv (oud) daarom beoordelen aan de hand van de artikelen 194 en 195 Rv.

2.3.

Het hof ziet geen aanleiding om conform artikel 209 Rv eerst en vooraf aan de hoofdzaak op dit incident te beslissen, nu deze vordering te zeer verweven is met de vorderingen in de hoofdzaak. De behandeling van het incident zal daarom worden aangehouden tot de behandeling in de hoofdzaak. Het hof is voornemens in de hoofzaak en het incident een gezamenlijke mondelinge behandeling te bepalen. Tijdens die mondelinge behandeling zal met partijen worden besproken of [geintimeerde] de gevraagde inzage in de overeenkomst(en) tussen hem en de provincie Limburg dient te geven en zo ja, onder welke voorwaarden en de wijze waarop die inzage dient te worden gegeven (zie artikel 195 lid 2 Rv). Het hof verzoekt [geintimeerde] de overeenkomst(en) mee te nemen naar de nog te bepalen mondelinge behandeling.

3 De beslissing

Het hof:

in het incident en in de hoofdzaak in hoger beroep

3.1.

bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;

3.2.

houdt iedere verdere beslissing in de hoofdzaak en het incident aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, H.L. Wattel en S.C.P. Giesen en de deskundige leden ing. C.R.M. Francissen en B.Th.W. Lamers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »