GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.339.628
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 538615
arrest van 6 mei 2025
in de zaak van
[appellante] ( [appellante] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. A.C. de Bakker
tegen
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. D. van de Lockant-Geschiere
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) op 2 augustus 2023 en 6 december 2023 tussen partijen heeft uitgesproken.
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep van 5 maart 2024
-
de memorie van grieven
-
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
-
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
-
een journaalbericht van mr. De Bakker van 29 januari 2025 met productie10
-
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 4 februari 2025 is gehouden
2 De kern van de zaak
Deze zaak gaat over de verdeling van de nalatenschap van [erflaatster] (hierna erflaatster) die is overleden op 8 november 2020. In haar testament heeft zij haar kinderen (uit haar eerste huwelijk), [geïntimeerde] en [naam1] , voor gelijke delen als erfgenamen benoemd. [naam1] is op 12 september 2019 overleden. [appellante] is het enige kind van [naam1] en vervult haar plaats als erfgename van erflaatster. [appellante] heeft de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard; [geïntimeerde] heeft zuiver aanvaard.
Erflaatster is in 2002 getrouwd met haar tweede echtgenoot, de heer [naam2] . Zij hebben in hun huwelijkse voorwaarden naast uitsluiting van iedere andere gemeenschap van goederen dan die van gemeenschap van inboedel, afgesproken dat zij bij ontbinding van het huwelijk door overlijden met elkaar afrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Bij echtscheiding wordt er niet verrekend.
Erflaatster was eigenaar van een woning aan de [straatnaam1] te [woonplaats2] (hierna: de woning). In de periode februari 2002 tot en met mei 2014 heeft [geïntimeerde] de woning gehuurd voor € 462 per maand. Erflaatster heeft de woning op 26 mei 2014 aan [geïntimeerde] geschonken onder de verplichting:
-
een schuld van erflaatster aan haar toenmalige echtgenoot van € 95.229,83 over te nemen;
-
tot inbreng in de nalatenschap van erflaatster van de waarde van de schenking voor een saldobedrag van € 156.770,17 (bepaald op de waarde van de woning van € 252.000 verminderd met de overgenomen schuld van € 95.229,83).
Aan deze verplichtingen heeft [geïntimeerde] voldaan.
Op 22 december 2017 is het huwelijk tussen erflaatster en de heer [naam2] (hierna: de ex-echtgenoot) ontbonden door echtscheiding.
[appellante] heeft bij de rechtbank ontbinding van de schenking van de woning gevorderd en verder een deskundige te benoemen om de marktwaarde van de woning per datum van de verdeling van de nalatenschap te bepalen, en vervolgens de verdeling van de nalatenschap vast te stellen dan wel de wijze van verdeling te gelasten. Door de schenking van de woning en de echtscheiding daarna, een onvoorziene omstandigheid, wordt [appellante] onderbedeeld, terwijl erflaatster bedoeld heeft haar kinderen gelijk te behandelen. Voor het geval de schenking niet wordt ontbonden heeft zij gevorderd dat de rechtbank haar legitimaire aanspraak vaststelt en het bedrag dat [geïntimeerde] aan haar wegens inkorting moet betalen met veroordeling van [geïntimeerde] dat bedrag aan haar te betalen. Daarbij moet rekening worden gehouden met het voordeel dat [geïntimeerde] heeft gehad doordat zij jarenlang in de woning woonde zonder een marktconforme huurprijs te betalen, wat als een gift moet worden gezien, die bij de vaststelling van de legitimaire aanspraak in aanmerking moet worden genomen.
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd die inhoudt wat de goederen en schulden van de nalatenschap zijn en dat de legitimaire aanspraak van [appellante] negatief dan wel nihil is, met vaststelling van de verdeling van de nalatenschap van erflaatster. De legitieme portie is nihil omdat [naam1] en [appellante] beiden allerlei giften hebben ontvangen van erflaatster en de waarde daarvan op de legitieme portie in mindering moet komen. Ingeval de schenkingsovereenkomst ontbonden moet worden, dient de woning aan [geïntimeerde] toebedeeld te worden en getaxeerd te worden per datum overlijden van erflaatster.
De rechtbank heeft:
-
in conventie voor recht verklaard dat de legitimaire vordering van [appellante] € 29.546,32 bedraagt en [geïntimeerde] veroordeeld aan [appellante] € 1.024,02 te betalen (met wettelijke rente) en de andere vorderingen van [appellante] afgewezen.
-
in reconventie de roerende zaken, het banksaldo en de teruggave inkomstenbelasting aan [appellante] toegedeeld en voor recht verklaard dat partijen ter zake van de verdeling niets meer van elkaar te vorderen hebben, en de andere vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat haar afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde] is dat de legitimaire vordering van [appellante] op nihil dan wel een lager bedrag vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan, en wel zo dat alle goederen van de nalatenschap aan [geïntimeerde] worden toegedeeld en [appellante] het aan haar betaalde bedrag van € 1.024,02 moet terugbetalen (met rente).
Het hof zal beslissen dat – voordat het hof verder zal beslissen – [appellante] bewijs mag leveren van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat erflaatster met haar testament heeft bedoeld dat beide erfgenamen gelijk zouden worden behandeld, dat de huwelijksvoorwaarden tussen erflaatster en haar ex-echtgenoot een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de schenking van de woning aan [geïntimeerde] en dat de echtscheiding een onvoorziene omstandigheid is van dien aard dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de schenking van de woning niet mag verwachten.
3 De toelichting van de beslissing van het hof
principaal hoger beroep
Ontbinding van de schenking? (grief 1)
Volgens [appellante] moet de overeenkomst tot schenking van de woning aan [geïntimeerde] worden ontbonden, omdat de echtscheiding van erflaatster en de gevolgen daarvan voor de omvang van de nalatenschap van erflaatster onvoorziene omstandigheden zijn van dien aard dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de schenking niet mag verwachten (art. 6:258 BW). Zij stelt hiertoe het volgende. De bedoeling van erflaatster met haar testament was dat beide erfgenamen gelijk zouden worden behandeld. De huwelijkse voorwaarden – waarbij ingeval van overlijden zou worden afgerekend alsof sprake was van een gemeenschap van goederen – hebben een rol gespeeld bij de totstandkoming van de schenking van de woning aan [geïntimeerde] . [appellante] heeft daarbij ter zitting nog toegelicht dat de verwachting toen was dat erflaatster op niet al te lange termijn zou overlijden, en zij dan een relatief groot vermogen zou hebben waarbij er kon worden geschonken en er gelijkheid was. [appellante] heeft verder toegelicht dat zij voor het overlijden van haar moeder nog met erflaatster over gesproken over hoe het zat met de schenking. Erflaatster was op leeftijd en gezien haar gezondheidssituatie (zowel fysiek als mentaal) niet meer in staat de gevolgen van haar echtscheiding – dat het na te laten vermogen van erflaatster ingeval van overlijden veel kleiner zou worden – en de gevolgen daarvan voor de schenking aan [geïntimeerde] ‘door te denken’. [appellante] heeft nog wel geprobeerd om erflaatster van de gevolgen bewust te maken, maar erflaatster was niet meer in staat hiermee bezig te zijn. Het tijdsverloop en de omstandigheid dat erflaatster niets heeft ondernomen duiden er volgens [appellante] niet op dat zij de wil had de schenking in stand te laten, dan wel dat zij niet de voorkeur gaf aan gelijke behandeling van de erfgenamen.
[geïntimeerde] heeft de stellingen van [appellante] betwist. Volgens haar is niet vast te stellen dat de huwelijkse voorwaarden een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de schenking. De echtscheiding is niet een onvoorziene omstandigheid, en ook niet zodanig dat ongewijzigde instandhouding van de schenkingsovereenkomst niet verwacht zou mogen worden. Niet blijkt dat erflaatster bij de schenking een gelijke verdeling tussen de erfgenamen voor ogen stond en erflaatster heeft ook niets gedaan om na de echtscheiding een verandering aan te brengen in haar testament. Erflaatster deed bij leven voor haar kinderen wat nodig was; zij wilde dat [geïntimeerde] ook na haar overlijden in de woning kon blijven wonen. Ook [appellante] en haar moeder hebben veel giften van erflaatster gehad. Erflaatster had weliswaar lichamelijke problemen, maar geen hersenletsel of problemen met denken of begrijpen waardoor zij niet in staat zou zijn geweest de gevolgen van de echtscheiding te doordenken. Erflaatster heeft na haar echtscheiding, ook nadat [appellante] haar bij leven had voorgesteld en aangedrongen om met de notaris in gesprek te gaan, geen actie ondernomen, en daaruit volgt dat erflaatster de gevolgen van de schenking heeft aanvaard.
Als de eerste grief van [appellante] slaagt, zou dat betekenen dat het saldo van de nalatenschap, en dus ook het erfdeel van [appellante] , aanmerkelijk hoger wordt dan de rechtbank heeft vastgesteld. [appellante] heeft in eerste aanleg uitdrukkelijk aangeboden om de notaris (mr. [naam3] ) als getuige te doen horen over de omstandigheden waaronder de schenking aan gedaagde (in 2014) tot stand is gekomen en de verwachtingen die erflaatster daarbij had, en heeft in hoger beroep haar bewijsaanbod herhaald. Het hof zal [appellante] in de gelegenheid stellen om het door haar aangeboden bewijs te leveren.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4 De beslissing
Het hof:
laat [appellante] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat erflaatster met haar testament heeft bedoeld dat beide erfgenamen gelijk zouden worden behandeld, dat de huwelijksvoorwaarden tussen erflaatster en haar ex-echtgenoot een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de schenking van de woning aan [geïntimeerde] en dat de echtscheiding een onvoorziene omstandigheid is van dien aard dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de schenking van de woning niet mag verwachten ;
bepaalt dat, indien [appellante] dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.L. van der Bel, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;
dat partijen (in persoon) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;
bepaalt dat [appellante] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 27 mei 2025, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;
bepaalt dat [appellante] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. van der Bel, J.U.M. van der Werff en L. Hamer en is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2025.