ECLI:NL:GHAMS:2026:2916

Datum uitspraak
13-10-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.351.900/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Effectenlease. Is vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW verjaard? Bewijsopdracht

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.351.900/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 10082938 EL 22-98

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 oktober 2026

inzake

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [plaats] (Frankrijk),

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.

Partijen worden hierna Dexia en afnemer genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Dexia is bij dagvaarding van 4 juli 2024 in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van 4 april 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen afnemer als eiser in conventie en verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte uitlaten producties Dexia.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.

2 Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

2.1.

Afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia twee effectenleaseovereenkomsten gesloten. In dit hoger beroep is alleen onderstaande effectenleaseovereenkomst nog in geschil (hierna: de effectenleaseovereenkomst). De effectenleaseovereenkomst is op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekening heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomst zijn als volgt:

Nr.

Contractnummer

Datum

Naam

Looptijd

Eindafrekening

Resultaat

1.

[nummer]

19-03-1999

SpaArEXtra

180 mnd

16-04-2004

-/- € 656,98

2.2.

De echtgenote, met wie afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst was gehuwd, heeft afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomst.

2.3.

Bij brief van 6 februari 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW meegedeeld de effectenleaseovereenkomst te vernietigen.

3 Beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. Afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.

3.2.

Deze procedure ziet op de door afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomst waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.

3.3.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis, voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomst is vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan afnemer ter zake de effectenleaseovereenkomst te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het tussenvonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan afnemer de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.

3.4.

Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst door de echtgenote niet is verjaard.

3.5.

Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomst moet worden aangemerkt als overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomst, die afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.

3.6.

Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.

3.7.

De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.

3.8.

Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).

3.9.

Dexia heeft in eerste aanleg gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 kennis heeft genomen van de effectenleaseovereenkomst en daartoe onder meer het volgende aangevoerd:

  • Dexia gaat ervan uit dat de betalingen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst aan haar zijn verricht vanaf een en/of-rekening;

  • naar algemene ervaringsregels bespreken echtgenoten het sluiten van effectenleaseovereenkomsten als de onderhavige met elkaar. Dat geldt in deze zaak te meer vanwege de hoogte van de totale leasesom van beide tussen afnemer en Dexia afgesloten effectenleaseovereenkomsten (€ 20.420,11);

  • op alle tussen afnemer en Dexia afgesloten effectenleaseovereenkomsten is in totaal een bedrag van € 6.920,45 via incasso’s betaald. Een dergelijke uitgave kan niet zijn gedaan zonder dat dit is besproken;

  • de echtgenote zal ook inkomen hebben gehad en beide salarissen zullen zijn gestort op de en/of-rekening. Ook het salaris van de echtgenote zal zijn aangewend voor de betaling van de maandtermijnen en dit moet reden zijn geweest voor afnemer om haar over de effectenleaseovereenkomst te vertellen;

  • Dexia gaat ervan uit dat afnemer en de echtgenote gezamenlijk hun belastingaangifte indienden en dat de echtgenote deze heeft gelezen voordat zij deze ondertekende. Zodoende heeft zij kunnen zien dat afnemer de verschuldigde rente heeft afgetrokken.

Aan de door afnemer in eerste aanleg overgelegde schriftelijke verklaringen kan volgens Dexia geen betekenis worden gehecht, onder meer omdat de gebeurtenissen waarover is verklaard lang geleden hebben plaatsgevonden en Dexia geen invloed had op de inhoud en beantwoording van de vragen en de totstandkoming van de verklaringen.

3.10.

Afnemer heeft het bovenstaande betwist.

3.11.

Naar het oordeel van het hof heeft Dexia voldoende gemotiveerd gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst. Dat de betalingen aan Dexia voor de effectenleaseovereenkomsten van een en/of-rekening op naam van afnemer en de echtgenote zijn gedaan, is niet komen vast te staan, zodat daaraan geen bewijsvermoeden kan worden ontleend. Het hof zal Dexia overeenkomstig haar aanbod toelaten bewijs te leveren van de feiten of omstandigheden waaruit volgt dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst, zoals hierna onder 4.1 is vermeld.

3.12.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

4.1.

laat Dexia toe tot het leveren van bewijs van haar stelling dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst bekend is geworden;

4.2.

bepaalt dat als Dexia dit bewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. M.M. Kruithof die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 4 november om 9.30 uur;

4.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, W.J.J. Los en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »