GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.368.016/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/780713 / KG ZA 25-1049 VVV/EB
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 oktober 2026
in de zaak van
1 [appellant 1] ,
wonend in [plaats] ,
2. [appellant 2] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
3. [appellant 3] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
4. [appellant 4] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. H.J. Bos te De Woude,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. B.W. Wijnstekers te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellanten] en ABN AMRO of de bank genoemd. [appellant 2] B.V., [appellant 3] B.V. en [appellant 4] B.V. worden hierna tezamen de vennootschappen en afzonderlijk [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] genoemd.
1 De zaak in het kort
[appellanten] hebben voor de vennootschappen zakelijke betaalrekeningen aangevraagd bij de bank, die de aanvragen heeft afgewezen met een beroep op artikel 5 lid 1 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en het defensiebeleid van de bank. [appellanten] vinden dat zij (meer dan) voldoende informatie hebben aangeleverd waarmee de bank het cliëntonderzoek kan afronden en vorderen in dit hoger beroep dat de bank wordt veroordeeld hun (zakelijke) betaalrekeningen aan te bieden. Het hof oordeelt voorshands dat de bank de zakelijke betaalrekeningen mocht weigeren op grond van artikel 5 lid 1 Wwft.
2 Het geding in hoger beroep
[appellanten] zijn bij dagvaarding in spoedappel tevens houdende grieven van 20 april 2026 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 31 maart 2026 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eiseressen en de bank als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- akte overlegging producties zijdens [appellanten] met producties 10 t/m 36;
- memorie van antwoord met producties 40 en 41;
- akte overlegging producties zijdens [appellanten] met producties 37 t/m 41.
Op 11 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Namens [appellanten] heeft tevens mr. D. Hulsewé, advocaat te De Woude, het woord gevoerd ter zitting. Namens de bank heeft tevens mr. G.W.H. Katgert, advocaat te Amsterdam, het woord gevoerd ter zitting.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief 2 bestrijden [appellanten] een deel van die feiten. Met inachtneming daarvan stelt het hof de feiten samengevat als volgt vast.
[appellant 1] is sinds 1995 in privé klant van de bank.
Tussen 16 april 2020 en 1 april 2021 ontving [appellant 1] uit 51 transacties in totaal circa € 1.064.654,85 van verschillende Franse entiteiten. Daarna is de bank een klantonderzoek gestart naar het gebruik door [appellant 1] van haar bankrekening.
In november 2021 heeft de bank aan [appellant 1] aangekondigd dat zij de bankrelatie per 15 januari 2022 zou beëindigen. Als reden daarvoor heeft de bank gegeven dat zij het klantonderzoek niet in positieve zin kon afronden en dus niet kon voldoen aan haar wettelijke verplichtingen uit hoofde van de Wwft.
[appellant 1] is vervolgens een kort geding gestart. Die procedure is geëindigd in een minnelijke regeling, die inhield dat de bank de relatie met [appellant 1] zou voortzetten en [appellant 1] aanvullende informatie aan de bank zou verstrekken.
In december 2022 heeft [appellant 1] de vennootschappen opgericht. Vervolgens is een langdurig traject gestart voor de aanvraag door [appellant 1] (als bestuurder van de vennootschappen) van zakelijke rekeningen voor de vennootschappen.
Op 30 oktober 2024 heeft de bank per brief aan [appellant 1] als bestuurder van de vennootschappen laten weten dat zij geen zakelijke rekeningen zal openen.
In een e-mail van de advocaat van de bank aan de advocaat van [appellant 1] van 4 december 2024 is bevestigd dat de bank geen zakelijke betaalrekeningen zal verstrekken aan de vennootschappen van [appellant 1] . In deze e-mail staat de volgende passage:
“De Bank heeft de relatie met mevrouw [appellant 1] na de kortgeding zitting weliswaar voortgezet, maar ziet nog steeds (witwas)risico’s, gelet op de onduidelijke herkomst van zowel vermogen als inkomsten die de Bank destijds heeft geconstateerd en de moeilijkheden (of eigenlijk onmogelijkheid) om bepaalde informatie middels openbare bronnen te verifiëren. Daarbij spelen ok geografische risico’s. Ofwel: de Bank wil het klantcomplex handhaven zoals het is, maar niet uitbreiden. De situatie blijft aldus zoals het de afgelopen jaren steeds is geweest.”
Bij brief van 16 januari 2026 heeft de bank de aanvragen van de zakelijke rekeningen afgewezen. In die brief zijn daarvoor de volgende redenen gegeven:
“(…) Op basis van de door de ondernemingen ter beschikking gestelde gegevens en het onderzoek dat de Bank daarnaar heeft gedaan, kan de Bank echter onvoldoende inzicht krijgen in een aantal belangrijke onderdelen van de bedrijfsvoering van uw ondernemingen. Het gaat daarbij onder meer om:
1 Onvoldoende inzicht in de aard en opbouw van de zakelijke activiteiten
Door u is aan de Bank medegedeeld dat de werkzaamheden van de ondernemingen met name bestaan uit de bemiddeling in defensie- en maritiem gerelateerde producten. De door de ondernemingen uitgevoerde werkzaamheden zijn voor de Bank onvoldoende verifieerbaar. U heeft toegelicht dat de contracten tussen u, althans de ondernemingen, en [naam 1] (…) en [naam 2] (…) onder een met deze ondernemingen gesloten non-disclosure agreement (hierna: NDA) vallen.
(…) Als gevolg van het beroep op de geheimhoudingsverplichting ter onderbouwing van de weigering om de contracten met [naam 1] en [naam 2] te verschaffen ontbreekt het noodzakelijke inzicht in de activiteiten, transactiestromen en de wijze waarop opdrachten tot stand komen voor de door u gedreven ondernemingen.
2 Onvoldoende duidelijkheid over de opbouw van zakelijke inkomsten
Hoewel de door u verstrekte facturen van Kay Jay International (Karachi, Pakistan) aan onder meer [naam 1] en [naam 2] zijn aangeleverd, is niet vast te stellen hoe de aan hen betaalde vergoeding (die weer ten grondslag ligt aan de door [naam 1] en [naam 2] ) aan u en/of de ondernemingen verschuldigde vergoedingen, wordt berekend, welke percentages worden gehanteerd, welke specifieke goederen daarmee gemoeid zijn en hoe deze inkomsten worden opgebouwd. (…) Evenmin is de oorspronkelijke herkomst van de betreffende middelen voor de Bank onduidelijk, hetgeen voor de Bank onacceptabel is.
3 Onvoldoende mogelijkheid om integriteitsrisico’s te mitigeren
Omdat de werkzaamheden van de ondernemingen voor een belangrijk deel bestaan uit de bemiddeling in Pakistan en zien op de Pakistaanse defensie-gerelateerde sector, is inzicht in het zakelijk netwerk voor de Bank noodzakelijk om risico’s te kunnen beoordelen. (…)Bovendien is het mede vanwege het potentiële (integriteits)risico van zogenoemde ‘dual-use’ goederen noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de specifieke goederen ten aanzien van de aankoop waarvan wordt bemiddeld. Ondanks verzoeken naar specificaties van goederen (bijvoorbeeld in de vorm van “HS-codes” of douaneformulieren), dan wel het informeren over voor de Bank van belang zijnde mitigerende maatregelen (zoals een screening beleid of “end-user statements”) blijft het onvoldoende duidelijk ten aanzien van de aankoop van welke specifieke goederen u bemiddelt.
4 Afwijzing op grond van het defensiebeleid van de Bank
Afsluitend is het gebleken dat u niet voldoet aan het beleid dat de Bank stelt op het gebied van activiteiten in of gerelateerd aan de defensie-industrie. (…)
Conclusie
Door de combinatie van beperkte transparantie, defensie- en maritieme activiteiten, internationale transactiestromen en langdurige onduidelijkheden over eerdere geldstromen, zijn witwas-, sanctie- en integriteitsrisico’s (waaronder mogelijk omkoping en corruptie) door de Bank niet op een voor de Bank aanvaardbare wijze te mitigeren. Daarom heeft de Bank besloten om de aanvraag voor de zakelijke rekeningen voor uw ondernemingen af te wijzen. (…)”
Na de inhoudelijke behandeling van de onderhavige vordering in kort geding op 21 januari 2026 heeft de bank bij brief van 27 januari 2026 aan de advocaten van [appellanten] gevraagd om nadere informatie aan te leveren. Vervolgens hebben partijen en hun advocaten op 10 februari 2026 een gesprek gehad. Bij brief van 3 maart 2026 aan de advocaten van [appellanten] heeft de bank de aanvragen voor de zakelijke rekeningen definitief afgewezen. In die brief staat onder meer het volgende:
“3. (…) Op basis van het laatste gesprek d.d. 10 februari 2026, de informatie die tijdens dat gesprek beschikbaar is gesteld en het onderzoek van de Bank daarnaar, krijgt de Bank onvoldoende duidelijkheid ten aanzien van een aantal belangrijke onderdelen van de bedrijfsvoering van de door [appellant 1] gedreven onderneming (waarvoor beoogd is dat die wordt voortgezet door de Vennootschappen als de zakelijke rekeningen zouden worden verstrekt). De Bank kan verder niet vaststellen dat [appellant 1] voldoet aan het door de Bank gevoerde defensiebeleid (het “Defensiebeleid”), althans dat de Vennootschappen daaraan zouden voldoen als de Bank aan de Vennootschappen zakelijke rekeningen zou verstrekken.
(…)
4. (…) Afsluitend, en overigens ook doorlopend tijdens de procedure (…), heeft u namens [appellant 1] en de Vennootschappen gesteld dat de Bank al geruime tijd alle benodigde informatie tot haar beschikking heeft en de bespreking op eigen initiatief beëindigd, met het verzoek om een definitief besluit van de Bank ten aanzien van de zakelijke rekeningen voor de Vennootschappen op korte termijn. Hiermee hebben de Vennootschappen, althans [appellant 1] , zich niet bereid getoond medewerking te geven aan nadere en/of voortbouwende informatieverzoeken van de Bank, althans heeft u namens [appellant 1] en de Vennootschappen te kennen gegeven dat zij geen nadere informatie kunnen of willen verstrekken.
5. De Bank wijst daarom de aanvragen voor de zakelijke rekeningen voor de Vennootschappen af.
Onvoldoende inzicht in de aard en opbouw van de zakelijke activiteiten
6. [appellant 1] heeft toegelicht dat de thans door haar gevoerde onderneming, zoals wordt beoogd dat die worden voortgezet door de Vennootschappen, activiteiten verrichten op het gebied van bemiddeling in een maritieme context voor de Pakistaanse marine. [appellant 1] heeft in eerste instantie verklaard dat er uitsluitend sprake is van bemiddeling in civiele goederen. Daarna heeft zij in tegenstelling tot deze verklaring gesteld dat zij ook bemiddelt in zogeheten dual-use goederen. De context van de zakelijke activiteiten van [appellant 1] , zoals voort te zetten door de Vennootschappen, brengt integriteits-, sanctie- en dual-use risico’s met zich mee. In dat kader is het voor de Bank noodzakelijk om een contractuele en feitelijke onderbouwing te zien van de rol en aard van de door [appellant 1] gedreven onderneming (zoals die zou worden beoogd te worden voortgezet door de Vennootschappen), alsmede de manier waarop de opdrachten en de daarmee samenhangende geldstromen tot stand komen. Dit heeft de Bank nodig om de zakelijke activiteiten en daarmee gemoeide geldstromen vast te stellen en te verifiëren.
7. In reactie op vragen hieromtrent heeft [appellant 1] aangegeven geen (kopieën van) contracten te kunnen verstrekken van de contractuele afspraken met haar zakelijke partners, alsmede de contractuele afspraken die haar zakelijke partners zelf hebben afgesloten met haar afnemers, vanwege “mondelinge” non-disclosure agreements (hierna: “NDA”). Hierdoor ontbreekt het voor de Bank vereiste inzicht in de zakelijke activiteiten van mw [appellant 1] , nu zij geen verificatoire contracten of andere documentatie heeft aangeleverd. Verifieerbaar bewijs van de gestelde “mondelinge” NDA is evenmin aangeleverd.
Onvoldoende duidelijkheid over de opbouw van zakelijke inkomsten
8. De Bank heeft concreet inzicht nodig in de opbouw van de zakelijke inkomsten die [appellant 1]
genereert met de door haar gedreven onderneming (en waarvan is beoogd dat die inkomsten in de
toekomst door de Vennootschappen zullen worden gegenereerd) om te beoordelen of deze gebruikelijk en passend zijn binnen de aard en omvang van de gestelde activiteiten. Aangezien [appellant 1] geen (contractuele) documentatie heeft aangeleverd en [appellant 1] desgevraagd geen door haar genoemde correspondentie met haar zakelijke partners over de betreffende commissieafspraken kan delen vanwege de “mondelinge” NDA kan de Bank niet concreet verifiëren hoe de vergoedingen en/of commissies die [appellant 1] voor haar werkzaamheden ontvangt, worden berekend. De Bank kan evenmin beoordelen of en zo ja hoe de commissiebetalingen worden gekoppeld aan concrete diensten, leveringen of transacties. Het is de Bank daarom onduidelijk welke grondslagen en percentages exact worden gehanteerd per activiteit of relatie en hoe deze zich verhouden tot facturen van betalingen aan mw [appellant 1] . De Bank kan daarom niet beoordelen of de inkomstenstromen gebruikelijk en passend zijn binnen de aard en omvang van de door [appellant 1] gedreven onderneming.
9. Daarnaast heeft [appellant 1] ondanks het verzoek van de Bank geen specifieke documentatie van
geldstromen uit haar zakelijke activiteiten aangeleverd, zoals bankafschriften en wissel- of
stortingsbewijzen. Hierdoor heeft de Bank geen sluitend en verifieerbaar inzicht in de herleidbaarheid van internationale geldstromen, en blijft de oorspronkelijke herkomst van die middelen op transactieniveau onvoldoende duidelijk.
Onvoldoende mogelijkheid om integriteitsrisico’s te mitigeren
10. Gezien de internationale structuur en de context waarin de bemiddeling door [appellant 1] (waarvan wordt beoogd die over te dragen aan de Vennootschappen) plaatsvindt en de daarbij behorende integriteits-, sanctie- en dual-use risico’s, is het voor de Bank noodzakelijk om concreet inzicht te verkrijgen in het zakelijke netwerk van [appellant 1] , haar rol binnen de keten en de wijze waarop due diligence op betrokken partijen wordt uitgevoerd. Daarnaast heeft de Bank inzicht nodig in de eindgebruikers van de producten en diensten waarop de bemiddeling ziet, alsmede in de specifieke goederen of diensten zelf bijvoorbeeld aan de hand van zogeheten “HS-codes”, douane/exportdocumenten of end-user statements. [appellant 1] heeft geen van de verzochte documentatie aangeleverd en stelt dat dat ook niet mogelijk js.
11. Gezien de (beoogde) zakelijke activiteiten van de Vennootschappen – hetgeen een voortzetting van de ondernemingsactiviteiten van [appellant 1] zijn – en de daarmee samenhangende integriteits-, sanctie en dual-use risico’s, is het voorts noodzakelijk voor de Bank dat [appellant 1] (op dit moment en de Vennootschappen in de toekomst) mitigerende maatregelen treffen ten aanzien van die risico’s. Het betreft een toepasbaar screeningbeleid en/of het opvragen en bewaren van end-user statements ter voorkoming en beheersing van de genoemde risico’s. [appellant 1] heeft desgevraagd aangegeven niet te beschikken over goederenspecificaties of end-user statements en gesteld dat deze informatie zich bij derden bevindt. Verder is er geen concreet screeningsbeleid overgelegd. Zonder deze informatie en onderliggende stukken kan de Bank de relevante risico’s niet op een voor haar aanvaardbare wijze identificeren, beoordelen en mitigeren.
Afwijzing op grond van het Defensiebeleid
12. De Bank heeft vastgesteld dat de (beoogde) activiteiten van de Vennootschappen —
en thans de Vennootschapsactiviteiten van [appellant 1] —kwalificeren als ‘high sensitive’ onder het Defensiebeleid. Dit brengt met zich dat op dit moment [appellant 1] (en in de toekomst de Vennootschappen) de in het Defensiebeleid voorgeschreven stukken ter beoordeling door de Bank aan haar moeten kunnen overleggen.
13. [appellant 1] heeft in reactie op het Informatieverzoek gesteld dat het Defensiebeleid niet op haar (en in de toekomst de Vennootschappen) van toepassing is en de verzochte documentatie (daarom) niet aan de Bank verstrekt. Hierdoor voldoet [appellant 1] niet aan de voorwaarden die de Bank op grond van het Defensiebeleid stelt voor het aangaan van een zakelijke relatie en is dus ook duidelijk dat de Vennootschappen niet aan die voorwaarden zullen voldoen (…)”
De bank heeft [appellant 1] per brief van 14 april 2026 geïnformeerd dat zij de bankrelatie met [appellant 1] in privé beëindigt. [appellant 1] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verzocht deze opzegging op te schorten tot in dit hoger beroep arrest is gewezen. De gevraagde voorziening is bij vonnis van 5 juni 2026 afgewezen. [appellant 1] heeft tegen dit vonnis geen rechtsmiddel ingesteld zodat het in kracht van gewijsde is gegaan.
4 Procedure bij de voorzieningenrechter
[appellanten] hebben bij de voorzieningenrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, de bank te bevelen: i) (zakelijke) betaalrekeningen voor hen te openen, ii) aan [appellanten] te verklaren in welke interne en/of externe registers de bank hen heeft geregistreerd en wat de inhoud van de registratie is, en iii) een kopie van het volledige klantdossier dat de bank van hen houdt aan hen te verstrekken, althans van de delen daarvan die relevant zijn voor het verkrijgen van een zakelijke bankrekening, alles op straffe van dwangsommen en met veroordeling van de bank in de werkelijke proceskosten met rente en nakosten.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen, omdat de door de bank geschetste risico’s voorshands reëel voorkomen en er voorshands vanuit wordt gegaan dat de bank inhoudelijke redenen (het risicoprofiel) heeft om niet met de vennootschappen te willen contracteren. Van bijzondere omstandigheden aan de zijde van [appellanten] die zwaarder wegen dan het belang van de bank om geen relatie met de vennootschappen aan te gaan is de voorzieningenrechter niet gebleken. [appellanten] zijn veroordeeld in de proceskosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
5 Vordering in hoger beroep
[appellanten] vorderen vernietiging van het bestreden vonnis en na wijziging van eis – samengevat en uitvoerbaar bij voorraad – om de bank te veroordelen primair, (zakelijke) betaalrekeningen voor [appellanten] te openen en subsidiair, voor de afzonderlijke vennootschappen een zakelijke betaalrekening te openen, steeds tegen de gebruikelijke voorwaarden en kosten met alle faciliteiten die bij een (zakelijke) betaalrekening horen, steeds op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de bank in de werkelijke kosten van deze procedure met rente en nakosten.
Volgens de bank moet het hof de vorderingen van [appellanten] afwijzen en het bestreden vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.
6 Beoordeling
Niet-ontvankelijkheid [appellant 1]
Ter zitting in hoger beroep heeft (de advocaat van) [appellant 1] desgevraagd verklaard dat geen van de door [appellanten] ingestelde vorderingen in hoger beroep ziet op [appellant 1] zelf. Dat betekent dat zij geen belang heeft bij dit hoger beroep. Het hof zal [appellant 1] dan ook niet-ontvankelijk verklaren voor zover zij de vorderingen voor zichzelf heeft ingesteld.
In het navolgende verwijst het hof met “ [appellant 1] ” naar [appellant 1] in haar hoedanigheid als directeur-eigenaar/UBO van de vennootschappen.
Spoedeisend belang
Voordat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen moet de vraag worden beantwoord of [appellanten] in dit hoger beroep een voldoende spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen. Dat is het geval vanwege de aard van de vordering. Voor rechtspersonen als de vennootschappen is het beschikken over een bankrekening een voorwaarde om zakelijke activiteiten te kunnen verrichten. Daarbij komt dat voldoende aannemelijk is dat het de vennootschappen tot op heden niet is gelukt zakelijke rekeningen voor de vennootschappen te openen bij een andere bank. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
Verdere beoordeling
Toewijzing van de gevraagde voorziening vergt dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de bank tot het aanbieden van zakelijke betaalrekeningen aan de vennootschappen gehouden is en dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevorderde voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Daarbij moet ook een belangenafweging worden gemaakt.. Het oordeel hierover moet worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden zoals die ten tijde van de behandeling van dit kort geding zijn gebleken. Het ligt op de weg van [appellanten] om voldoende aannemelijk te maken dat een bodemrechter hun vorderingen zal toewijzen. Het hof oordeelt dat [appellanten] daar niet in zijn geslaagd en licht dat hierna toe aan de hand van de door [appellanten] geformuleerde grieven tegen het bestreden vonnis.
De bank hoeft geen betaalrekeningen aan de vennootschappen te verstrekken (grieven 3, 4 en 5)
Met grieven 3, 4 en 5 komen [appellanten] , kort gezegd, op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat er geen grond is om de bank te veroordelen om aan (een of meer van) de vennootschappen betaalrekeningen te verstrekken. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Het hof stelt daarbij het volgende voorop. Er is geen wettelijke regel die de bank verplicht om de vennootschappen een betaalrekening aan te bieden. Het uitgangspunt is daarom dat het de bank vrijstaat om geen overeenkomsten met de vennootschappen te sluiten die hen toegang geven tot een (zakelijke) betaalrekening. Die vrijheid van de bank wordt echter beperkt doordat op banken op grond van hun maatschappelijke positie ook ten aanzien van niet-consumenten de verplichting kan rusten een betaalrekening aan te bieden (Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652 (Yin Yang)). Daarbij weegt zwaar mee dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren. Banken kunnen evenwel een gerechtvaardigd belang hebben om cliënten te weigeren vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s, en dit belang kan eraan in de weg staan een bank te verplichten een betaalrekening aan te bieden.
In dat kader is van belang dat de Wwft de bank verbiedt een zakelijke relatie aan te gaan zonder het verrichten van cliëntenonderzoek (artt. 3-5 Wwft). Daarbij geldt de volgende toetsingsmaatstaf. Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt of misbruikt. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, mag zij geen relatie met die klant aangaan (artikel 5 lid 1 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is daarvoor niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten. Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het cliëntenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf.
In dit geval heeft de bank de zakelijke rekeningen geweigerd op grond van zowel artikel 5 lid 1 Wwft (omdat zij ook na zorgvuldig onderzoek het klantonderzoek niet heeft kunnen afronden, paragraaf 2.1 tot en met 2.3 van de brief van 3 maart 2026, zie 3.9) als het niet voldoen aan het Defensiebeleid van de bank (paragraaf 2.4 van diezelfde brief).
Terechte weigering op grond van artikel 5 lid 1 Wwft
Partijen twisten over de vraag wanneer de vennootschappen voor het eerst aanvragen hebben ingediend voor het openen van zakelijke rekeningen, maar zijn het erover eens dat in elk geval vanaf 23 oktober 2024 aanvragen zijn gedaan voor elk van de vennootschappen. De achtergrond van die aanvragen is gelegen in de situatie van [appellant 1] . Vast staat dat [appellant 1] inkomsten ontving op haar privérekening bij de bank vanwege haar werkzaamheden als agent voor Pakistaanse entiteiten en dat zij die werkzaamheden wil voortzetten via de vennootschappen [appellant 2] en [appellant 3] , en die inkomsten voortaan wil ontvangen op zakelijke rekeningen van die vennootschappen. Met de vennootschap [appellant 4] wil [appellant 1] interieur(ontwerp)werkzaamheden aanbieden. De bank heeft ter uitvoering van haar verplichtingen op grond van de Wwft meermaals vragen aan [appellanten] gesteld over, kort gezegd, de partijen met wie [appellant 1] zaken doet en de contracten (en daaruit voortvloeiende betalingen) die daaraan ten grondslag liggen. In de periode tussen 23 oktober 2024 en de definitieve afwijzing per brief van 3 maart 2026 is veelvuldig (telefonisch) contact geweest tussen de bank en (de advocaten van) [appellanten] Naar aanleiding van de door [appellant 1] verstrekte informatie heeft de bank een aantal keer vervolgvragen gesteld.
De bank heeft in de afwijzingsbrief van 16 januari 2026 en vervolgens in de brief van 3 maart 2026 aan [appellanten] toegelicht op welke gronden de zakelijke rekeningen worden geweigerd. Deze motivering komt er kort gezegd op neer dat de bank geen goed beeld heeft kunnen krijgen van wat de vennootschappen precies (beogen te) (gaan) doen, wat de rol van [appellant 1] is bij de transacties waarvoor zij als agent optreedt en hoe de zakelijke inkomsten zijn opgebouwd, waardoor de bank niet kan beoordelen of de inkomsten gebruikelijk en passend zijn binnen de aard en omvang van de onderneming. Daarbij is ook van belang dat volgens de bank de sectoren waarin de vennootschappen actief zullen zijn (de bemiddeling in defensie- en maritiem gerelateerde producten) een hoger risico op witwassen meebrengen. Dit verhoogde risico brengt mee dat de bank extra kritisch moet zijn als zij op onduidelijkheden stuit en dat [appellanten] zich extra zullen moeten inspannen om die onduidelijkheden weg te nemen. [appellant 1] c.s hebben dat nagelaten door wisselende en tegenstrijdige verklaringen te geven over [appellant 1] rol bij de transacties die zij begeleidt, aldus de bank.
[appellanten] betwisten niet dat de bank dergelijk onderzoek moet uitvoeren, maar betogen dat zij ruimschoots voldoende hebben meegewerkt en dat de bank ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij het klantonderzoek niet kan afronden. Volgens [appellanten] hebben zij alle vragen die zij redelijkerwijs konden beantwoorden (meermaals) beantwoord en moet de bank daarom de rekeningen aan de vennootschappen aanbieden.
Ter onderbouwing van dit standpunt hebben [appellanten] aangevoerd dat [appellant 1] in de aanvraagprocedure tegenover de bank heeft verklaard dat [appellant 3] een holding is, dat zij vanuit [appellant 4] woninginrichtingsklussen voor vrienden en kennissen wil doen, en dat zij vanuit [appellant 2] haar werk als agent wil voortzetten. Dat werk houdt in dat zij [naam 1] en [naam 2] ondersteunt bij de uitvoering van de al jaren bestaande raamovereenkomsten tussen respectievelijk [naam 1] en [naam 2] en de Pakistaanse marine. In Pakistan maakt [appellant 1] voor haar zakelijke activiteiten gebruik van (medewerkers van) de Pakistaanse entiteiten Kay Jay International Karachi (hierna: KJI Karachi) (waarmee zij samenwerkt) en Kay Jay International Islamabad (hierna: KJI Islamabad) (waarvan zij mede-eigenaar is). Haar compagnon in KJI Islamabad heeft door ziekte het bedrijf verlaten, waardoor [appellant 1] alleen is overgebleven. Omdat [appellant 1] geen zakelijke rekening in Nederland heeft, is de betaalstroom voor de activiteiten voor [naam 1] nu zo ingericht dat de inkomsten die [appellant 1] met dit werk genereert, binnenkomen bij KJI Karachi of KJI Islamabad. [appellant 1] moet deze inkomsten vervolgens van roepies naar euro’s wisselen bij een geldwisselkantoor in Pakistan, wat duur is, om deze vervolgens te storten op haar privé-bankrekening in Pakistan. Van die rekening kan [appellant 1] het in euro’s omgewisselde geld overmaken naar haar bankrekening in Nederland. [appellant 2] heeft de zakelijke rekening bij de bank aangevraagd zodat [naam 1] haar rechtstreeks op die rekening kan betalen en daarmee de geldstromen voor de bank (juist) inzichtelijk zijn. [naam 2] betaalt het deel van de werkzaamheden van [appellant 1] direct op haar privérekening bij de bank en KJI Karachi stuurt daarvoor aparte facturen aan [naam 2] . Voor [appellant 1] zijn de zakelijke bankrekeningen nodig om voornoemde omslachtige en dure werkwijze te vereenvoudigen.
[appellanten] kunnen geen end user statements, douane-/exportdocumenten of HS-codes met de bank delen, omdat [appellant 1] als agent optreedt en alleen de leveranciers zelf (dus [naam 2] en [naam 1] ) over dit soort documenten beschikken. Verder is [appellant 1] gebonden aan mondelinge non disclosure agreements (hierna: NDA’s) met [naam 2] en [naam 1] over de voorwaarden en de hoogte van [appellant 1] commissie als agent, steeds aldus [appellanten]
Het hof is voorshands van oordeel dat op basis van hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd onvoldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de bank op basis van het klantonderzoek naar [appellanten] ten onrechte heeft geweigerd zakelijke bankrekeningen te verstrekken. Niet in geschil is dat de bank haar beoordeling in elk geval ten aanzien van [appellant 2] mocht baseren op de door [appellant 1] verrichte werkzaamheden vanuit de Pakistaanse vennootschappen, omdat [appellant 1] beoogt deze werkzaamheden over te dragen aan [appellant 2] . [appellanten] (en hun advocaten) hebben in dat kader documenten overgelegd: brieven van de Pakistaanse belastingdienst, van de directeur van KJI Karachi en van [naam 1] en [naam 2] (waarin wordt bevestigd dat KJI Karachi en KJI Islamabad hun (exclusieve) vertegenwoordigers zijn in Pakistan), documenten waaruit blijkt dat [appellant 1] in loondienst is van KJI Karachi en een partnerschap is aangegaan ten aanzien van KJI Islamabad en facturen van KJI Karachi en KJI Islamabad aan respectievelijk [naam 2] en [naam 1] . Uit die stukken kan worden afgeleid dat [appellant 1] mede-eigenaar is van KJI Islamabad en ook werkt voor KJI Karachi en dat overeenkomsten bestaan tussen die Pakistaanse vennootschappen en [naam 1] en [naam 2] en werkzaamheden worden verricht waarvoor facturen worden gestuurd. De bank heeft echter terecht geconstateerd dat een contractuele en feitelijke onderbouwing van de rol, aard en omvang van de concrete door [appellant 1] (vanuit dan wel voor KJI Islamabad en KJI Karachi) verrichte werkzaamheden en de manier waarop de opdrachten en daarmee samenhangende geldstromen tot stand komen ontbreekt. Zonder gedetailleerder inzicht in de aard en achtergrond van de transacties kan de bank de herkomst en legitimiteit van de geldstromen niet vaststellen, terwijl dat wel nodig is om het cliëntonderzoek te kunnen voltooien. Dat geldt temeer omdat de werkzaamheden voor [naam 1] en [naam 2] plaatsvinden in het kader van opdrachten voor de Pakistaanse marine. Daarmee zijn de goederen die zij leveren en ten behoeve waarvan [appellant 1] (indirect) diensten levert, niet uitsluitend civiel- maar ook defensiegerelateerd, waardoor sprake is van zogeheten dual use-goederen. Niet in geschil is dat daarmee sprake is van integriteitsrisico’s. Vanwege haar betrokkenheid daarbij raken deze ook [appellant 1] en ook daarom mocht van [appellanten] worden verwacht dat zij de activiteiten en daaraan gerelateerde inkomsten van [appellant 1] in het verleden (en daarmee de toekomstige activiteiten van [appellant 2] ) concreet zou onderbouwen.
De door [appellanten] (en hun advocaten) opgestelde gespreksverslagen van de besprekingen tussen de bank en [appellanten] , zijn daarvoor onvoldoende. Die gespreksverslagen geven grotendeels slechts [appellant 1] eigen standpunten weer en bevatten geen nadere documentatie die de stellingen van [appellanten] over de activiteiten van [appellant 1] onderbouwen of van de gevraagde details voorzien. Voor zover [appellanten] zich beroepen op mondelinge NDA’s tussen [appellant 1] en [naam 1] en [naam 2] , en stellen dat zij daarom geen verdere openheid van zaken kunnen geven, komen de gevolgen daarvan voor hun rekening en risico. Niet gesteld of gebleken is dat [appellanten] hebben geprobeerd met [naam 1] en [naam 2] tot overeenstemming te komen over (gedeeltelijk en/of tijdelijk) ontslag uit de verplichtingen krachtens de NDA’s, terwijl het op de weg van [appellanten] had gelegen zich daarvoor in te spannen. Zeker nu [naam 1] ook klant is bij de bank, is niet uitgesloten dat zij bereid zou zijn geweest om met [appellanten] en de bank om tafel te gaan en (onder verdere geheimhouding) informatie te verschaffen zodat de bank meer inzicht zou krijgen. Het door [appellanten] gestelde aanbod van [naam 1] dat de bank het contract tussen [naam 1] en [appellant 1] bij [naam 1] kan komen inzien is in dat verband onvoldoende. Het lag op de weg van [appellanten] om ervoor te zorgen dat die informatie daadwerkelijk bij de bank belandde. De door [appellanten] overgelegde summiere verklaring van [naam 1] verwijst naar de samenwerking met “Kay Jay International” en niet met [appellant 1] zelf (of een van de vennootschappen), en maakt het voorgaande niet anders. Bovendien heeft de bank ook hieruit op geen enkele manier kunnen afleiden om welke goederen bij de verkoop waarvan [appellant 1] betrokken is het precies gaat en hoe de beloning van [appellant 1] (of KJI Karachi of KJI Islamabad) zich verhoudt tot de verkoop (van elk) daarvan.
Die informatie had (deels) kunnen worden verschaft door het overleggen van end user statements, douane/exportdocumenten en HS-codes. De bank noemt deze stukken als voorbeeld, niet als verplichte documenten. Voor zover [appellanten] stellen dat zij daar niet over (kunnen) beschikken, stond het hun vrij om met andere relevante documenten te onderbouwen dat sprake is van legitieme werkzaamheden en dito geldstromen die geen integriteitsrisico vormen voor de bank. Ook die documenten ontbreken echter, zodat de bank hun kan tegenwerpen dat zij haar onderzoek niet heeft kunnen voltooien.
In de stukken en ter zitting in hoger beroep heeft [appellant 1] steeds gewezen op een gesprek met een medewerker van de bank in 2022 waarbij zij die medewerker een grote hoeveelheid documenten zou hebben getoond met informatie waarom de bank in het kader van aanvraagprocedures voor de zakelijke rekeningen opnieuw heeft gevraagd. Daarmee zou de bank – zo begrijpt het hof de stellingen van [appellanten] – vragen om informatie waarmee zij al bekend is, en zou zij haar afwijzing niet op het ontbreken van die informatie kunnen baseren. Of en, zo ja, welke informatie [appellant 1] precies aan de betreffende medewerker zou hebben laten zien kan het hof bij gebrek aan bewijs niet vaststellen. Los daarvan is niet duidelijk geworden waarom [appellanten] deze documenten niet (nogmaals) heeft overgelegd of ter inzage aangeboden toen de bank daar om vroeg. De enkele stelling van [appellanten] dat de bank die stukken al via deze medewerker had (gezien), is onvoldoende. [appellanten] hebben er immers belang bij dat de bank het klantenonderzoek kan afronden en het valt niet in te zien waarom [appellanten] deze informatie, waar zij meermaals om zijn gevraagd en die zich in hun domein bevindt, niet (opnieuw) met de bank heeft willen delen.
[appellanten] betogen verder dat de bank de aanvraag voor ieder van de vennootschappen afzonderlijk moet beoordelen en daarom in elk geval [appellant 4] en [appellant 3] een rekening moet verschaffen. Tegen hen heeft de bank geen bezwaren geuit en die vennootschappen houden zich niet bezig met [appellant 1] werkzaamheden voor [naam 2] en [naam 1] , aldus [appellanten]
In dat verband is het hof van oordeel dat de bank terecht een uitstralingsrisico heeft vastgesteld in het klantcomplex van [appellanten] , dat tot gevolg heeft dat de bevindingen van het klantonderzoek naar de zakelijke activiteiten van [appellant 1] van invloed zijn op de integriteitsrisico’s die alle vennootschappen – en in het verlengde daarvan de bank – lopen. [appellanten] hebben dat geschetste uitstralingsrisico onvoldoende weersproken. De stelling van [appellanten] dat [appellant 3] niets van doen heeft met de activiteiten van [appellant 2] wordt in het licht van de door [appellanten] opgezette holdingstructuur verworpen. [appellant 1] is immers enig bestuurder en aandeelhouder van alle vennootschappen, die momenteel allemaal leeg zijn. Daarom is het risico dat elke vennootschap gebruikt kan worden voor het overbrengen van de hier aan de orde zijnde zakelijke activiteiten van [appellant 1] (en de Pakistaanse vennootschappen) permanent aanwezig. Het hof gaat voorbij aan het beroep van [appellanten] op de onschuldpresumptie uit het strafrecht. De weigering van de bank om rekeningen te verstrekken, is niet gebaseerd op een strafrechtelijk verwijt, maar op het niet kunnen voltooien van het cliëntonderzoek. Ook als de bank rekeningen zou verschaffen aan [appellant 3] en [appellant 4] geldt dat zij bij deze stand van zaken geen inzicht heeft in de legitimiteit en de achtergrond van de geldstromen. Artikel 5 lid 1 Wwft leidt er daarom toe dat de bank ook voor die vennootschappen geen rekening hoeft te openen. Bovendien hebben [appellanten] hun stelling dat de vennootschappen [appellant 3] en [appellant 4] zelfstandige entiteiten met levensvatbare activiteiten zijn onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van [appellant 4] geldt dat [appellant 1] niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk activiteiten ontplooit op het gebied van interieuradvies en ook niet dat zij dat zal gaan doen, terwijl zij minst genomen had kunnen onderbouwen voor en met welke partijen zij (samen)werkt of aan welke projecten zij heeft gewerkt of naar verwachting zal gaan werken. Een bedrijfsplan of andere concretisering ontbreekt. Dat geldt ook ten aanzien van [appellant 3] .
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. In de gegeven omstandigheden wegen de belangen van de vennootschappen bij het verkrijgen van een rekening bij de bank niet zwaarder dan het belang van de bank om geen relatie met de vennootschappen aan te gaan omdat zij het cliëntonderzoek niet kan afronden. Omdat het hof voorshands oordeelt dat de bank terecht een beroep heeft gedaan op artikel 5 lid 1 Wwft als grondslag voor de weigering om de rekeningen te verstrekken, kan in het midden blijven of [appellanten] voldoen aan het Defensiebeleid van de bank.
Grief 1 behelst nog het bezwaar van [appellanten] tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van hun verzoek tot voortzetting van de mondelinge behandeling en het niet (kenbaar) betrekken bij zijn oordeel van de door beide partijen ingediende aanvullende stukken. Volgens [appellanten] zijn deze stukken van essentieel belang en heeft de voorzieningenrechter hiermee in strijd gehandeld met artikelen 22b, 23 en 26 Rv.
Wat er ook zij van de feitelijke gang van zaken na afloop van de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter, in hoger beroep heeft een geheel nieuwe behandeling plaatsgevonden van het geschil en daardoor zijn eventuele tekortkomingen in de procedure bij de voorzieningenrechter gerepareerd. [appellanten] hebben immers het gehele procesdossier, met inbegrip van hun producties 10 tot en met 30 en de producties 37 tot en met 39 van de bank, overgelegd zodat het hof over alle volgens [appellanten] relevante stukken beschikt. Ook hebben [appellanten] in hoger beroep in de appeldagvaarding en tijdens de mondelinge behandeling hun stellingen naar voren kunnen brengen en desgevraagd kunnen toelichten. Daaruit volgt dat [appellanten] bij hun bezwaren geen belang meer hebben en de grief faalt.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 851,00
- salaris advocaat € 1.177,00
Totaal € 2.028,00
7 Beslissing
Het hof:
verklaart [appellant 1] niet-ontvankelijk;
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 2.028,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellanten] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, O.J. van Leeuwen en A.S. Gratama en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.