Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001815-25
Datum uitspraak: 7 september 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-131264-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1 hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5,35 en/of 7,56 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 1,99 gram 2C-B, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B, zijnde cocaïne en/of 2C-B (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;feit 2hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen de navolgende voorwerpen:
- een grote hoeveelheid (hard)drugs (in dealgeschikte verpakkingen), te weten:
- 9 gripzakjes met 45,18 gram 2MMC
- 3 x gripzakjes met wit brok poeder, 10,54 gram,
- 3 x gripzakjes bruin kristal vermoedelijk mdma, 3,84 gram,
- 1 x gripzakjes met lsd strip, 0,65 gram,
- 6 x gripzakjes wit kristal poeder, 7,37 gram,
- 2 x gripzakjes roze cocaïne, 2,36 gram,
- 1 x gripzakje met 5 grijze pillen vermoedelijk xtc/mdma, 2,38 gram,
- 5 x witte wikkels vermoedelijk cocaïne, 6,39 gram,
- 8 x strips Viagra pillen totaal 40 pillen, 30,02 gram,
- 1 x strip diazepam totaal 10 pillen, 2,83 gram.
- personenauto
- telefoon
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat sprake is van een vormverzuim – en daarom bewijsuitsluiting moet volgen – is niet voldaan aan de motiveringsvereisten van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zodat het hof daarop niet hoeft in te gaan. Indien het hof van oordeel is dat wel is voldaan aan de motiveringsvereisten, dan geldt ten aanzien van de dynamische verkeerscontrole dat is voldaan aan de voorwaarden die de Hoge Raad daaraan heeft gesteld. Uiteindelijk heeft dat geleid tot een doorzoeking van de auto, waarvoor een voldoende strafrechtelijke verdenking bestond. Ten aanzien van feit 1 kan het ‘vervoeren’ van de aangetroffen drugs worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 waren de tenlastegelegde goederen – met uitzondering van de pillen Viagra en diazepam en de lsd-strip, waarvan de verdachte dient te worden vrijgesproken – bestemd tot het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat na bewijsuitsluiting van de aangetroffen middelen onvoldoende bewijs resteert. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de doorzoeking van de auto – te weten het verwijderen van het kapje onder de handrem – onrechtmatig is, omdat de technische controle alleen is ingezet met het doel van opsporing en geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Daardoor is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat de tenlastegelegde goederen bestemd waren tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet.
Oordeel van het hof
Verweer vormverzuim
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten van 26 maart 2025 (doorgenummerde pagina’s 9 tot en met 16 van het dossier) blijkt dat zij een zogenoemde dynamische verkeerscontrole hebben gedaan. Omdat de auto waarin de verdachte reed op naam stond van een verhuurbedrijf, de auto een onlogische route aflegde, sprake was van twee recente registraties waarin de verdachte als bestuurder werd gecontroleerd en de verdachte een aandachtsvestiging had die duidde op mogelijke handel van verdovende middelen, zijn de verbalisanten met een controle gestart. Aan de verdachte is meegedeeld dat hij werd gecontroleerd op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en hem is verzocht om inzage in zijn rijbewijs en het huurcontract. Vervolgens is aan de verdachte meegedeeld dat de auto voor de technische eisen gecontroleerd zou worden. De autogordel en de werking van de handrem werden gecontroleerd. Tijdens de controle van de werking van de handrem zag een verbalisant tussen een kunststof deel van de auto en de handrem een transparante zak. Het was hem ambtshalve bekend dat er nabij de mechanische handrem van dit type auto (Volkswagen Polo) een klein kunststof kapje is waaronder een loze ruimte zit. Tijdens een eerdere controle van een Volkswagen Polo trof hij daar verdovende middelen aan. Naar aanleiding van deze waarneming heeft hij de auto vervolgens op grond van artikel 96b Sv doorzocht. Nadat hij het kunststof kapje losmaakte, zag hij een zak met daarin (vermoedelijk) verdovende middelen.
Controlebevoegdheden
Uit het voorgaande volgt dat de verbalisanten de controlebevoegdheid hebben uitgeoefend (mede) ter controle van de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde voorschriften. Uit vaste jurisprudentie volgt dat zolang deze controlebevoegdheid mede is uitgeoefend ter controle van de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde voorschriften, die uitoefening in beginsel rechtmatig is. Verder geldt dat het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit niet in de weg staat aan het uitoefenen van deze controlebevoegdheden door opsporingsambtenaren, mits daarbij tegenover een verdachte de aan hem of haar als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat deze controlebevoegdheid uitsluitend is aangewend ten behoeve van opsporingsactiviteiten, zodat geen sprake is van misbruik van bevoegdheden. De controlebevoegdheid is daarom, nu deze mede is uitgeoefend met voornoemd doel, rechtmatig geschied. Daarbij overweegt het hof ten overvloede dat gesteld noch gebleken is dat de verdachte geselecteerd is voor de verkeerscontrole op grond van etnische of religieuze kenmerken (vgl. HR:2016:2454, rov. 3.7). Sterker nog, het betrof een huurauto en de verbalisanten hadden op het moment dat zij tot controle besloten “geen zicht op de bestuurder en/of inzittenden”.
Doorzoeking
Opsporingsambtenaren zijn op grond van artikel 96b Sv bevoegd ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. Het hof is van oordeel dat er in dit geval een voldoende verdenking was om de auto te mogen doorzoeken. Hiertoe overweegt het hof het volgende. Nabij de handrem van de auto was een ruimte die werd afgedekt door een kapje. Zonder het kapje los te halen was er al een beperkt zicht op hetgeen eronder zat. Eén van de verbalisanten nam waar dat er onder het kapje (tussen een kunststof deel van de auto en de handrem) een transparante zak zat. Gelet op de omstandigheid dat de plastic zak onder het kapje was geplaatst met het kennelijke doel deze aan het zicht te onttrekken, de onlogische route die de verdachte aflegde en het gegeven dat het een huurauto betrof, een en ander in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat er sprake was van een verdenking op grond waarvan het voertuig mocht worden doorzocht.
Gelet op het voorgaande is geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Feit 1
In voornoemde zak bevonden zich verschillende andere verpakkingen (gripzakjes en ‘envelopjes’/’wikkels’) met daarin verschillende substanties/stoffen. Een (klein) deel van deze stoffen is getest, waarbij werd vastgesteld dat het om cocaïne respectievelijke 2C-B ging. Het vervoer/aanwezig hebben van deze geteste stoffen is onder feit 1 tenlastegelegd.
Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk 5,35 en 7,56 gram cocaïne en 1,99 gram 2C-B heeft vervoerd. Dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van deze verdovende middelen in de auto, blijkt uit de omstandigheid dat de verdachte na zijn aanhouding uit eigen beweging – nadat hem de cautie en het recht op een raadsman was medegedeeld – tegen de verbalisanten heeft gezegd: “Die drugs zijn gewoon voor eigen gebruik.” Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij de auto al een paar weken huurde en niemand anders in zijn voertuig liet rijden.
Feit 2
In de plastic zak die in de auto is aangetroffen zaten behalve de geteste drugs (feit 1), ook diverse gripzakjes en envelopjes/wikkels met daarin verschillende stoffen, onder andere in de vorm van poeders en pillen. Deze stoffen zijn niet getest. Het openbaar ministerie heeft er om die reden voor gekozen om de tenlastelegging toe te spitsen op – kort gezegd – voorbereidingshandelingen (art. 10a Opiumwet) en kennelijk niet op het aanwezig hebben/vervoeren van drugs (art. 2 Opiumwet), zo leidt het hof af uit de opmerking van de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof begrijpt het openbaar ministerie aldus, dat het een sterk vermoeden heeft dat de verdachte (behalve de onder feit 1 genoemde en wél geteste drugs) ook andere drugs vervoerde, maar dat bij het achterwege blijven van een test er onvoldoende bewijs ligt dat het daadwerkelijk drugs betrof en dat om die reden is gekozen voor het tenlasteleggen van art. 10a Opiumwet. Deze keuze van het openbaar ministerie is naar het oordeel van het hof weinig overtuigend en zinvol: immers, in geval van tenlastelegging van art. 10a Opiumwet zal vast moeten komen te staan zijn dat de goederen ‘bestemd zijn tot’ het plegen van bepaalde Opiumwetfeiten. Daarvoor zal dan in de regel duidelijk moeten zijn om welke stoffen het gaat (bijvoorbeeld versnijdingsmiddelen).
Wat er van het voorgaande ook zij, op basis van het navolgende is het hof van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachte een hoeveelheid harddrugs in dealgeschikte verpakkingen voorhanden heeft gehad, zoals onder feit 2 in de nadere precisering is tenlastegelegd. Dat berust op het volgende. Van een aantal aangetroffen stoffen hebben de verbalisanten kenbaar gemaakt dat het naar hun idee gaat om stoffen die op lijst I van de Opiumwet staan, waarbij zij zich kennelijk hebben gebaseerd op onder meer hun ervaring, de wijze van verpakken van de stoffen, en de kleur en aard van de substanties. Het gaat daarbij om de volgende stoffen, zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen op dossierpagina 13 en overgenomen in de tenlastelegging:
- 3 x gripzakjes bruin kristal vermoedelijk mdma, 3,84 gram,
- 1 x gripzakjes met lsd strip, 0,65 gram,
- 2 x gripzakjes roze cocaïne, 2,36 gram,
- 1 x gripzakje met 5 grijze pillen vermoedelijk xtc/mdma, 2,38 gram,
- 5 x witte wikkels vermoedelijk cocaïne, 6,39 gram.
Gelet op deze bevindingen en in aanmerking genomen dat deze stoffen zijn aangetroffen in dezelfde zak als waarin – in dealerverpakkingen – cocaïne en 2C-B was aangetroffen (deze middelen zijn getest, zie feit 1) en de stoffen waren verpakt in gripzakjes dan wel envelopjes/wikkels, ligt naar het oordeel van het hof de conclusie voor de hand dat het inderdaad gaat om de genoemde drugssoorten van lijst I. De verdachte heeft – hoewel daartoe uitdrukkelijk ter terechtzitting uitgenodigd door het hof – geen enkele verklaring afgelegd die deze redengevendheid ontzenuwt, zodat het hof ervan uitgaat dat de voornoemde conclusie juist is.
Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor onder feit 1 heeft overwogen is het hof van oordeel dat de verdachte (ook) deze drugs opzettelijk voorhanden heeft gehad. Gelet op de wijze van verpakken en in aanmerking genomen dat de drugs in de auto lagen, komt het hof bovendien tot het oordeel dat deze drugs bestemd waren tot verkoop en aflevering.
Ten aanzien van het ‘voorhanden hebben van de auto’ overweegt het hof nog als volgt. De verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bevraagd over de reden van het huren van de auto. De verdachte verklaarde dat hij de auto huurde omdat hij mantelzorger is en soms op onverwachte momenten zijn oma en tante naar het ziekenhuis moet brengen. Het hof acht die verklaring ongeloofwaardig en schuift deze terzijde. Weliswaar is gebleken dat de verdachte mantelzorger is, maar verder is op geen enkele wijze onderbouwd dat hij min of meer permanent de beschikking over een auto nodig heeft om zijn oma en tante naar het ziekenhuis te brengen. Een dergelijk kostbare oplossing (het huren van een auto om in voorkomende gevallen te gebruiken) ligt bovendien niet zonder meer in de rede. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, gaat het hof er dan ook vanuit dat de auto was gehuurd met het oog op (bestemd tot) het verkopen, vervoeren en afleveren van drugs.
Voor wat betreft de overige stoffen en de telefoon overweegt het hof dat het niet met een voldoende mate van zekerheid heeft kunnen vaststellen dat het stoffen en een telefoon betreft die waren bestemd tot het plegen van een feit als bedoeld in artikel 10a Opiumwet (welk artikel slechts betrekking heeft op drugs die zijn vermeld op lijst I), zodat de verdachte in zoverre van het onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1 hij op 26 maart 2025 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd 5,35 en 7,56 gram cocaïne en 1,99 gram 2C-B;
feit 2 hij op 26 maart 2025 te Amsterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, de navolgende voorwerpen:
- 3 x gripzakjes bruin kristal mdma, 3,84 gram,
- 1 x gripzakjes met lsd strip, 0,65 gram,
- 2 x gripzakjes roze cocaïne, 2,36 gram,
- 1 x gripzakje met 5 grijze pillen xtc/mdma, 2,38 gram,
- 5 x witte wikkels cocaïne, 6,39 gram
- personenauto,
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen en een vervoermiddel voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter is opgelegd.
De raadsman heeft – indien het vormverzuim niet zal leiden tot bewijsuitsluiting – verzocht het vormverzuim te verdisconteren in de strafmaat. Daarnaast heeft de raadsman verzocht de door de rechtbank opgelegde straf aanzienlijk te matigen en daarbij een deel voorwaardelijk op te leggen. In de LOVS-oriëntatiepunten wordt bij een gewicht tot en met 50 gram harddrugs een taakstraf van 80 uren genoemd, terwijl het in deze zaak om fors minder gewicht gaat, namelijk bijna 15 gram.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van verdovende middelen en aan voorbereidingshandelingen voor de handel van deze middelen. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen grote gezondheidsrisico’s met zich brengt voor de gebruikers daarvan. Niet zelden leidt de verkoop en het gebruik van verdovende middelen bovendien tot andere vormen van criminaliteit.
Bij het bepalen van de op te leggen straf(fen) heeft het hof gelet op straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd en op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarbij het hof ervan uitgaat dat de verdachte een ‘first offender’ is.
Het hof acht, alles afwegende, de straf die de politierechter heeft opgelegd – kort gezegd: een taakstraf van 120 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk – passend en geboden. Het opleggen van een voorwaardelijk deel dient als extra stok achter de deur om ervoor te zorgen dat de verdachte niet opnieuw strafbare feiten pleegt.
Beslag
Uit het dossier volgt dat de volgende voorwerpen in beslag zijn genomen:
-
6 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 1] , omschrijving: wit, kristal poeder);
-
1 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 2] , omschrijving: lsd-strip);
-
10 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 3] , omschrijving: diazepam-strip);
-
0 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 4] , omschrijving: Viagra-pillen);
-
3 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 5] , omschrijving: wit, brok poeder);
-
2 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 6] , omschrijving: roze, cocaïne crack);
-
5 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 7] , omschrijving: grijs, mdma/xtc-pillen);
-
3 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 8] , omschrijving: wit, cocaïne crack);
-
3 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 9] , omschrijving: bruin, mdma kristal).
De advocaat-generaal en de raadsman hebben ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.
Het hof overweegt als volgt. De hiervoor genoemde goederen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de hierboven bewezenverklaarde feiten aangetroffen. De goederen genoemd onder 2, 6, 7, 8 en 9 zal het hof onttrekken aan het verkeer omdat daarmee het onder 2 tenlastegelegde feit is gepleegd en het ongecontroleerde bezit van deze goederen in strijd is met de wet of het algemeen belang. Ook de goederen 1, 3, 4 en 5 zal het hof onttrekken aan het verkeer. Daartoe overweegt het dat deze goederen – mede in aanmerking genomen voornoemde omstandigheden waaronder de verdachte deze goederen vervoerde – kennelijk waren bestemd tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke feiten, meer in het bijzonder feiten als bedoeld in art. 11a jo. art. 3 Opiumwet (goed 3) en – kort gezegd – handelen in strijd met de Geneesmiddelenwet/WED (goed 4). Voor wat betreft de goederen 1 en 5 overweegt het hof dat daarvan weliswaar onvoldoende vaststaat welke stof het betreft, maar dat het gelet op de wijze van verpakking en de omstandigheden waaronder deze stoffen zijn aangetroffen bij de verdachte, naar het oordeel van het hof niet anders kan dat dat ook deze stoffen waren bestemd tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke feiten als bedoeld in de Opiumwet dan wel de Geneesmiddelenwet/WED. Dit betekent dat de goederen 1 t/m 9 zullen worden onttrokken aan het verkeer.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
-
6 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 1] , omschrijving: wit, kristal poeder);
-
1 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 2] , omschrijving: lsd-strip);
-
10 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 3] , omschrijving: diazepam-strip);
-
0 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 4] , omschrijving: Viagra-pillen);
-
3 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 5] , omschrijving: wit, brok poeder);
-
2 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 6] , omschrijving: roze, cocaïne crack);
-
5 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 7] , omschrijving: grijs, mdma/xtc-pillen);
-
3 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 8] , omschrijving: wit, cocaïne crack);
-
3 stuks ‘verdovende middelen’ (goednummer [nummer 9] , omschrijving: bruin, mdma kristal).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. T. de Bont en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van
mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 september 2026.