ECLI:NL:GHAMS:2026:2812

Datum uitspraak
13-08-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
25/1361
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 40, lid 2, Wet WOZ; WOZ-waarde woning.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/1361

13 augustus 2026

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,

gemachtigde: R. van den Burgt

tegen de uitspraak van 31 maart 2025 in de zaak met kenmerk AMS 24/4305 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [A-straat] 4 te Amsterdam (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 819.000 (hierna: de WOZ-waarde). In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) voor het jaar 2022 aan belanghebbende bekendgemaakt.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 31 maart 2025 als volgt op het beroep van belanghebbende beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt de WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 vast op € 713.000:

- bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelasting overeenkomstig deze waarde wordt

verminderd;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar van

17 mei 2024;

- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan eiseres moet vergoeden.”

1.4.

Belanghebbende heeft op 14 mei 2025 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld, aangevuld bij brief van 23 juli 2025. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft het Hof meegedeeld dat hij geen bezwaar heeft tegen het achterwege laten van een zitting. Het Hof heeft belanghebbende bij brief van 1 augustus 2025 laten weten dat het Hof overweegt om een zitting achterwege te laten, tenzij belanghebbende daarom zou verzoeken. Belanghebbende heeft een dergelijk verzoek niet gedaan. Hierop heeft het Hof besloten een zitting achterwege te laten en partijen bij brief van 23 juni 2026 bericht dat het onderzoek is gesloten en dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een tussenwoning met een gebruiksoppervlakte van 95 m², bouwjaar 1840, met een kelder van circa 7 m2. De kaveloppervlakte is 28 m². De woning ligt aan een smalle steeg.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een ‘Taxatieverslag woningen’ ter beschikking gesteld. In dit verslag zijn de bij de waardevaststelling van de woning gebruikte verkoopgegevens van vergelijkingsobjecten vermeld, alsmede de kenmerken en eigenschappen van de woning en de vergelijkingsobjecten, waaronder de bij de woning en de vergelijkingsobjecten in aanmerking genomen factoren voor verschillen in kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen.

2.3.

Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft de heffingsambtenaar een ‘Intern waarde-advies’ (hierna: taxatierapport) overgelegd, gedagtekend 28 november 2024, opgesteld door [D] (Register Taxateur). In het taxatierapport is de waarde in het economische verkeer van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022 getaxeerd op € 713.000. Deze taxatie is tot stand gekomen door vergelijking met de tussenwoningen [B-straat] 2, [B-straat] 15 (beide liggen aan een smalle steeg) en [C-straat] 32, evenals de woning gelegen in het centrum van Amsterdam, welke objecten (hierna ook: de vergelijkingsobjecten) enige tijd vóór of na de waardepeildatum zijn verkocht. In het taxatierapport zijn de kenmerken en eigenschappen van de woning en de vergelijkingsobjecten beschreven en zijn foto’s van de woning en de objecten opgenomen, alsmede een overzichtskaart waarop de ligging van de objecten te zien is. In het taxatierapport is voorts onder meer een ‘Overzicht taxatiewaarden’ (hierna: de matrix) opgenomen, waarin ter zake van de woning en de vergelijkingsobjecten de in aanmerking genomen waarden per onderdeel in de vorm van een matrix zijn verwerkt. Tevens zijn in de matrix de kwalificaties voor de woning en de vergelijkingsobjecten vermeld wat betreft kwaliteit, onderhoud en ligging en is vermeld welke correctiepercentages worden toegepast bij afwijking van de kwalificatie ‘gemiddeld’ (in ‘matig’ of ‘slecht’ dan wel ‘goed’ of ‘uitstekend’).

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de heffingsambtenaar heeft voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Voorts is in geschil of de door de rechtbank tot € 713.000 verlaagde waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2021 niet te hoog is.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen:

“6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’. [voetnoot 2: Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.] De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

7. Om te beoordelen of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld, moet de rechtbank beoordelen of de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning, en zo ja, of de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning.

Heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld?

8. De rechtbank acht de vergelijkingsobjecten wat betreft type woning, bouwjaar en oppervlakte voldoende vergelijkbaar met de woning. Verder liggen de transactiedata van de vergelijkingsobjecten voldoende dicht bij de peildatum.

Heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met de verschillen?

9. De rechtbank begrijpt het argument van eiseres dat de woning hokkerig en donker is, zo dat zij vindt dat de doelmatigheid als matig moet worden aangemerkt. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat de woning een gebruiksoppervlak heeft dat vergelijkbaar is met het oppervlak van de vergelijkingsobjecten. Ook bij de vergelijkingsobjecten is het gebruiksoppervlak verdeeld over meerdere verdiepingen, de woningen hebben allemaal kleine verdiepingen. De rechtbank is het met de heffingsambtenaar eens. In het dossier zitten foto’s van de woning en van de vergelijkingsobjecten. Daarop is te zien dat ook de vergelijkingsobjecten kleine verdiepingen hebben en dat de lichtinval ook daar niet heel groot is. De heffingsambtenaar hoefde dus niet te corrigeren vanwege een matige doelmatigheid van de woning.

10. Verder heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat het enkele feit dat vloeren gehorig zijn en de keuken en de badkamer oud zijn, niet maakt dat ze van matige kwaliteit zijn. In de door de heffingsambtenaar in beroep aangeleverde matrix is vermeld dat de kwaliteit van de woning als gemiddeld is aangemerkt. De rechtbank vindt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kwaliteit als matig moet worden aangemerkt. Daarbij is ook van belang dat de heffingsambtenaar er op de zitting op heeft gewezen dat de neutrale m2-prijs van de vergelijkingsobjecten € 7.720 is, terwijl de neutrale m2-prijs van de woning bij een WOZ-waarde van € 713.000 minder is, namelijk € 7.020. In totaal is er dus een marge van ongeveer € 60.000 waarmee eventuele minpunten kunnen worden gecompenseerd. De rechtbank kan deze redenering van de heffingsambtenaar goed volgen. De beroepsgrond over de matige kwaliteit slaagt daarom niet.

11. Voor wat betreft de ligging kan de rechtbank de heffingsambtenaar volgen dat de stegen waarin de vergelijkingsobjecten liggen niet beduidend breder zijn dan de [A-straat] waarin de woning is gelegen. Dat deze steeg veel lelijker is dan die waarin de vergelijkingsobjecten liggen, kan de rechtbank niet afleiden uit de foto's in het dossier en eiseres heeft dat ook niet concreet toegelicht. Dat tegenover de woning nieuwbouw staat is onvoldoende om te kunnen spreken van een mindere ligging dan die van de vergelijkingsobjecten.

Conclusie

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de waarde van de woning en de aanslag niet te hoog vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond omdat de heffingsambtenaar de in de bestreden uitspraak vastgestelde WOZ-waarde niet handhaaft. De rechtbank zal de bestreden uitspraak vernietigen en zelf in de zaak voorzien door de WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 vast te stellen op € 713.000. De aanslag onroerende zaakbelasting dient overeenkomstig deze waarde te worden verminderd.

13.1.

Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep voor het eerst het standpunt ingenomen dat de heffingsambtenaar in strijd met zijn informatieverplichting ingevolge artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft gehandeld. Weliswaar heeft de heffingsambtenaar de bij de waardebepaling voor de woning en de vergelijkingsobjecten in aanmerking genomen factoren voor kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging (hierna: KOUDVL-factoren) verstrekt, maar hij heeft geen aan de waarde ten grondslag liggende gegevens overgelegd waaruit de correctiepercentages van de KOUDVL-factoren blijken, zo stelt belanghebbende.

5.1.2.

De heffingsambtenaar is van mening dat hij heeft voldaan aan de ingevolge artikel 40, lid 2, Wet WOZ op hem rustende verplichtingen, nog afgezien van het feit dat belanghebbende tot aan de procedure in hoger beroep geen verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van gegevens.

5.1.3.

De verplichting van de heffingsambtenaar om op de voet van artikel 40, lid 2, Wet WOZ (uiterlijk bij de uitspraak op bezwaar) gegevens te verstrekken die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde ontstaat alleen voor zover de belanghebbende in de bezwaarfase een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens. (zie Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, r.o. 5.2 en 5.3). De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende in de bezwaarfase niet een dergelijk verzoek heeft gedaan. Ook de gedingstukken bieden daarvoor geen aanknopingspunten. De grief van belanghebbende dat de heffingsambtenaar het voorschrift van artikel 40 Wet WOZ niet in acht heeft genomen, faalt reeds om die reden.

WOZ-waarde

5.2.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de door de rechtbank tot € 713.000 verlaagde WOZ-waarde nog steeds te hoog is; zij acht een waarde van circa € 600.000 meer passend. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij

– samengevat weergegeven – de volgende argumenten aangevoerd:

( i) De woning is verhuurd en kan slechts worden verkocht onder voortzetting van het huurrecht, hetgeen de marktwaarde negatief beïnvloedt;

(ii) de woning is klein en inefficiënt ingericht en beschikt over weinig daglicht;

(iii) de staat van onderhoud van de woning is matig en de ligging is in een donkere,

smalle steeg met weinig voorzieningen in de directe nabijheid;

(iv) de door de heffingsambtenaar aangevoerde vergelijkingsobjecten zijn niet

representatief voor de woning omdat het objecten betreft die veelal ruimer en beter

onderhouden zijn en een gunstiger ligging hebben;

( v) de vastgestelde WOZ-waarde van de woning is tussen 2021 en 2022 disproportioneel gestegen, van € 245.000 naar € 712.000. De heffingsambtenaar heeft nagelaten inzichtelijk te maken waarop deze waardestijging is gebaseerd.

5.2.2.

De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de rechtbank nader vastgestelde waarde van € 713.000 niet te hoog is, onder verwijzing naar het door hem in beroep overgelegde taxatierapport (zie 2.3). In zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft de heffingsambtenaar al uitgelegd dat de aanzienlijk lagere WOZ-waarde van de woning voor het jaar 2021 werd veroorzaakt doordat bij de waardevaststelling een onjuiste gebruiksoppervlakte in aanmerking werd genomen (28 m² in plaats van 95 m²). De ligging en de staat van onderhoud van de vergelijkingsobjecten zijn vergelijkbaar met die van de woning. Met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning is met de op € 713.000 nader vastgestelde waarde voldoende rekening gehouden en de marktontwikkelingen rond de waardepeildatum zijn verdisconteerd in de naar de waardepeildatum herrekende verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten, zo stelt de heffingsambtenaar.

5.2.3.

Het Hof is evenals de rechtbank van oordeel dat heffingsambtenaar erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de in beroep door hem verdedigde WOZ-waarde van de woning van € 713.000 niet te hoog is. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dient de WOZ-waarde van de woning van jaar tot jaar opnieuw te worden vastgesteld aan de hand van marktgegevens rond de waardepeildatum, bijvoorbeeld met verkoopgegevens van met de woning voldoende vergelijkbare objecten. De omstandigheid dat de WOZ-waarde van de woning voor het kalenderjaar 2021 op een aanzienlijk lager bedrag is vastgesteld dan voor het onderhavige jaar, levert op zichzelf dus geen, althans onvoldoende aanwijzing op dat de WOZ-waarde voor het onderhavige jaar lager moet worden vastgesteld. Bovendien heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat dit verschil in waarde is veroorzaakt door een fout bij de waardevaststelling voor het jaar 2021 (zie 5.2.2). Op grond van de zogenoemde overdrachts- en verkrijgingsfictie van artikel 17 lid 2, Wet WOZ (zoals weergegeven in rechtsoverweging 6 van de rechtbankuitspraak) dient bij de vast te stellen WOZ-waarde van de woning geen rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de woning is verhuurd, zodat ook het onder 5.2.1 ad (i) weergegeven argument van belanghebbende niet opgaat.

5.2.4.

Voorts is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat met de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, die het Hof evenals de rechtbank voldoende vergelijkbaar acht met de woning om als vergelijkingsobject te kunnen dienen, voldoende rekening is gehouden door de waarde in beroep nader vast te stellen op € 713.000. Het Hof onderschrijft de rechtsoverwegingen 6 tot en met 11 van de rechtbank en maakt die tot de zijne, met dien verstande dat het rechtsoverweging 10, derde volzin, aldus verstaat dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt, ook in het licht van hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd, dat hij voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, waaronder de in aanmerking te nemen kwaliteit van de woning. Hierbij weegt het Hof ook de marge mee tussen de (neutrale) gemiddelde vierkantemeterprijzen van de vergelijkingsobjecten (€ 7.720) en de bij de waardebepaling op € 713.000 in aanmerking genomen vierkantemeterprijs van de woning van € 7.020 (zie rechtsoverweging 10 van de rechtbankuitspraak). En, minder rekenkundig geformuleerd: de qua oppervlakten best vergelijkbare woning aan de [B-straat] 2 is verkocht voor een bedrag van (op waardepeildatum) € 784.000 en die verkoop laat dus zien dat een vergelijkbare woning een dergelijk bedrag oplevert. Belanghebbende heeft gesteld dat vergelijkingsobjecten “veelal” ruimer en beter onderhouden zijn en een gunstiger ligging hebben, maar zij heeft nagelaten haar stelling te concretiseren. Ook met inachtneming van hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd, bestaat naar het oordeel van het Hof geen aanleiding de WOZ-waarde van de woning lager vast te stellen dan op € 713.000.

Slotsom

5.3.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, J-P.R. van den Berg en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 13 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

  2. (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »