GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/128
15 september 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
in het geding tussen
[X] , (hierna ook: [X] ), beweerdelijk tevens namens de (andere) erven [A] te [Z] ,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
op het door [X] ingediende hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 november 2024 in de zaak met kenmerk HAA 24/2724.
1 Vooraf
Achtergrond
Mevrouw [A] (erflaatster) is op 15 mei 2014 overleden. Erflaatster heeft bij testament van 3 april 2014 (het testament) [B] , [X] , [C] en [D] benoemd tot haar erfgenamen. Uit de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 8 mei 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1749, deze behoort tot de gedingstukken), betreffende de afwijzing van het verzoek ambtshalve vermindering (van een andere datum dan het verzoek dat onderwerp is van de onderhavige uitspraak, zie 1.4) ten aanzien van hetzelfde feitencomplex, leidt het Hof af dat ook aan anderen dan de voornoemde erven een deel van de nalatenschap is toegekend. In het testament heeft erflaatster onder andere [X] aangewezen als executeur testamentair. Op 30 mei 2016 is een verklaring van executele verleden en vanaf die datum kon [X] als executeur alle bij zijn hoedanigheid passende bevoegdheden uitoefenen.
Erflaatster genoot bij leven een pensioen dat na haar overlijden niet direct is beëindigd maar onder inhouding van loonheffing werd doorbetaald tot eind 2015. In 2016 heeft [X] het onverschuldigd betaalde bedrag aan pensioen (bruto) aan de levensverzekeraar overgemaakt.
[X] heeft in verschillende procedures namens de erven van erflaatster (de erven) zonder succes geprobeerd om ingehouden loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, voor zover dat zag op het aan de levensverzekeraar terugbetaalde bedrag aan pensioen (hierna tezamen: loonheffing) van de fiscus terug te vorderen. Daarnaast is hij zonder succes opgekomen tegen de aan erflaatster opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2014.
[X] betoogt dat het terugbetaalde bedrag aan pensioen negatief loon vormt in 2016 en dat hij op 31 december 2021 om ambtshalve vermindering heeft verzocht van de aan de verschillende erven opgelegde aanslagen IB/PVV 2016 (de aanslagen 2016). Hij meent dat de inspecteur dat verzoek ten onrechte heeft behandeld als een tweede bezwaar tegen de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014, hetgeen de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 15 juli 2022 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het daartegen gerichte beroep is door de rechtbank Den Haag bij uitspraak van 17 februari 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Het tegen die uitspraak gerichte verzet is door de rechtbank Den Haag bij uitspraak van 9 augustus 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:11777) ongegrond verklaard.
Het verwijzingsarrest
In zijn arrest van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:668 (het verwijzingsarrest) op het beroep in cassatie tegen de laatstgenoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag heeft de Hoge Raad het volgende als uitgangspunt genomen:
“2.1.1 Belanghebbenden [Hof: de erven] hebben op 27 september 2018 bezwaar gemaakt tegen de aan hen opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2014, die betrekking heeft op erflaatster (hierna: de aanslag 2014). Verder hebben zij op 31 december 2021 verzoeken gedaan om ambtshalve vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016 (hierna: de aanslagen 2016).
Op verzoek van de Inspecteur hebben belanghebbenden op 23 juni 2022 nadere bewijsstukken ingediend. Belanghebbenden hebben daarbij vermeld dat de stukken betrekking hebben op een bezwaar.
De Inspecteur heeft deze stukken aangemerkt als een tweede bezwaarschrift tegen de aanslag 2014 en dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 15 juli 2022 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak op bezwaar bij brief van 26 augustus 2022 beroep ingesteld. Zij hebben daarbij onder meer erover geklaagd dat de door hen toegezonden stukken vermoedelijk niet terecht zijn gekomen bij de behandelend ambtenaar, en dat zij niets meer hebben vernomen van de ambtenaar die het dossier van het begin af in behandeling heeft.
De Rechtbank [Hof: rechtbank Den Haag] heeft met toepassing van artikel 8:54 Awb uitspraak gedaan zonder een zitting te houden. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbenden reeds op 27 september 2018 bezwaar hadden gemaakt tegen de aanslag 2014 en een tweede uitspraak op bezwaar niet mogelijk is, omdat de eerste uitspraak op bezwaar niet is ingetrokken of gewijzigd. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard.
In het tegen deze uitspraak gedane verzet hebben belanghebbenden aangevoerd dat de Inspecteur de stukken van 23 juni 2022 ten onrechte heeft aangemerkt als een tweede bezwaar tegen de aanslag 2014. Volgens belanghebbenden heeft de Inspecteur ten onrechte uitspraak op bezwaar gedaan met betrekking tot de aanslag 2014, in plaats van de stukken door te sturen aan de ambtenaar die was belast met de behandeling van de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen 2016.
In de uitspraak op verzet heeft de Rechtbank vastgesteld dat de Inspecteur inzake de aanslag 2014 een tweede uitspraak op bezwaar heeft gedaan en nog niet heeft beslist op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen 2016. De Rechtbank heeft om die reden geen aanleiding gezien om het beroep te beschouwen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op die verzoeken. De Rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard.”
De Hoge Raad heeft in onderdeel 3 van het verwijzingsarrest overwogen dat de cassatieklacht aldus moet worden begrepen dat zij opkomt tegen de in 2.3.2. weergegeven beslissing van rechtbank Den Haag dat het beroep niet is te beschouwen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen 2016. De Hoge Raad overweegt dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is dat de rechtbank Den Haag in verzet heeft geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet het beroep mede te beschouwen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen 2016 en dat de klacht van de erven daarom slaagt. De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank Den Haag op het verzet en verwijst het geding naar de rechtbank Noord-Holland voor een onderzoek naar de vraag of het in 2.1.4 van het arrest bedoelde beroep van de erven, op de voet van artikel 6:12 Awb, in behandeling moet worden genomen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen 2016.
2 Het oordeel van de rechtbank
In de bestreden uitspraak – na de verwijzing door de Hoge Raad – van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 18 november 2024 (ECLI:NL:RBNHO:2024:11778) is onder meer het volgende opgenomen (waarbij [X] is aangeduid als ‘gemachtigde’, de erven als ‘eisers’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“2.3. Standpunten van partijen
De gemachtigde voert aan dat hij namens eisers met een ambtenaar correspondeerde over de verzoeken om ambtshalve vermindering en dat de kwestie opeens door een andere ambtenaar is overgenomen. Toen is de zaak in de war geraakt en dat was niet gebeurd als verweerder hem had gehoord alvorens op het bezwaar te beslissen. De gemachtigde concludeert tot gegrondverklaring van het verzet, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en tot terugwijzing naar verweerder zodat verweerder na hem te hebben gehoord zal beslissen op het verzoek om vermindering van de aanslagen.
Verweerder voert aan dat eisers hem niet in gebreke hebben gesteld en dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend, en concludeert tot ongegrondverklaring van het verzet.
Relevante feiten en omstandigheden voor de beoordeling van het verzet
De gemachtigde heeft op 31 december 2021 aan verweerder verzocht om het pensioen dat was uitgekeerd aan erflaatster maar in 2016 aan de pensioenverzekeraar is terugbetaald, bij de erfgenamen als negatief loon in aanmerking te nemen. Verweerder heeft dit in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen 2016. Naar aanleiding van dat verzoek heeft verweerder (in de persoon van belastingdienstmedewerker [E] ) bij eiser nadere stukken opgevraagd, en eiser heeft die opgevraagde documenten aan verweerder verstrekt.
De brief van de gemachtigde met daarbij de opgevraagde documenten, is door verweerder (in de persoon van belastingdienstmedewerker [F] ) abusievelijk aangezien voor een tweede bezwaar tegen de aan erflaatster opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2014, en door verweerder niet ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft de gemachtigde niet gehoord alvorens dat besluit te nemen.
De gemachtigde is namens eisers tegen de hiervoor bedoelde uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Den Haag. Deze rechtbank heeft het beroep buiten zitting om, dus zonder de gemachtigde te horen, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De gemachtigde heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. De rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard. Uit de uitspraak op verzet volgt dat de ambtshalve verminderingen van de aanslagen 2016, op dat moment nog niet waren verleend. De rechtbank zag geen aanleiding om het verzet op te vatten als zijnde gericht tegen (het uitblijven van) een beslissing op het verzoek vermindering van de aanslagen 2016.
Beoordeling van het verzet
In zijn verzetschrift klaagt eiser erover dat verweerder zijn verzoek om vermindering van de aanslagen 2016 verkeerd heeft beoordeeld, namelijk als bezwaar tegen een aanslag over een eerder jaar. Toen de gemachtigde de gronden van het verzet indiende, waren bijna 9 maanden verstreken zonder dat verweerder had beslist op het verzoek om vermindering van de aanslagen. De wettelijke beslistermijn van 8 weken was op dat moment ruimschoots verstreken. In zijn verzetschrift vraagt de gemachtigde om de zaak terug te wijzen, met het kennelijke doel dat verweerder de vermindering van de aanslagen 2016 zal verlenen. Het verzet keert zich tegen het uitblijven van een reactie op eisers verzoek om vermindering van de aanslagen 2016 en had door de rechtbank als zodanig moeten worden behandeld.
Tussenconclusie
Nu het verzet van belanghebbenden in behandeling moest worden genomen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen 2016, is het verzet gegrond.
Hoe nu verder?
De als uitspraak op bezwaar aangeduide brief van verweerder bevat een rechtsmiddelverwijzing en de gemachtigde heeft naar die verwijzing gehandeld. Dan kan van de gemachtigde redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij verweerder in gebreke stelt alvorens in beroep te komen. Hierna zal worden uiteengezet dat verweerder inmiddels heeft beslist op de verzoeken om vermindering van de aanslagen 2016. De eisers zijn daarom weliswaar tijdig in beroep gekomen (en niet onredelijk laat) maar niet-ontvankelijk voor zover zij klagen over het uitblijven van die besluiten.
Bij de behandeling van het verzet is het achterliggende materiële geschil uitputtend besproken, en nader onderzoek kan redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld op de zitting te worden gehoord. De rechtbank ziet daarin aanleiding voor een overweging ten overvloede over de hoofdzaak.
Relevante feiten en omstandigheden voor de beoordeling van de hoofdzaak
Nadat de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond had verklaard, heeft verweerder contact met de gemachtigde gezocht. De gemachtigde is door verweerder gehoord in verband met zijn verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen 2016, en de inkomens van de erfgenamen over 2016 zijn daarna ook daadwerkelijk verminderd met de door de gemachtigde aangegeven bedragen. In één geval leidde dat echter niet tot een teruggaaf; bij de erfgenaam die in 2016 geen positief Nederlands inkomen had waarop negatief loon in mindering kon worden gebracht sorteerde het in aanmerking nemen van negatief loon geen effect. Partijen zijn het erover eens dat eisers verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen 2016 volgens de regels van de wet juist is afgehandeld.
Standpunten van partijen
De gemachtigde voert aan dat de wet in zijn geval onredelijk uitpakt omdat zijn verzoek om vermindering van de aanslag 2016 geen effect sorteert bij de erfgenaam zonder positieve belastinggrondslag in dat jaar. Hij verzoekt om teruggaaf van alle terugbetaalde loonheffing.
Verweerder voert aan dat zij het verzoek op de rechtens juiste manier heeft afgehandeld. Dat niet alle terugbetaalde loonheffing aan eiser is terugbetaald, is een gevolg van het wettelijk systeem waarvan verweerder niet mag afwijken en daarom concludeert zij tot ongegrondverklaring van het beroep.
Overweging ten overvloede over de hoofdzaak
In zijn beroepschrift klaagt de gemachtigde terecht over het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag, maar inmiddels is zijn verzoek om vermindering van het inkomen over 2016 gehonoreerd: bij de eisers is het aan de levensverzekeringsmaatschappij terugbetaalde bedrag als negatief loon in aanmerking genomen. Als gevolg van het systeem van de wet is niet het totale terugbetaalde bedrag aan loonheffing gerestitueerd; bij de erfgenaam zonder positief Nederlands belastbaar inkomen leidt een negatief loon niet tot een teruggaaf van belasting. Ook de progressieve tariefstructuur van de inkomstenbelasting kan leiden tot verschillen tussen hetgeen is terugbetaald, en het belastingvoordeel wegens negatief loon bij de erfgenamen. Er is niet gesteld of aannemelijk geworden dat verweerder bij het toekennen van de ambtshalve verminderingen de wet onjuist heeft toegepast. Onder deze omstandigheden levert terugwijzing van de zaak naar de aanslagregelaar niet meer dan een nodeloze herhaling van zetten op. Daarbij heeft niemand belang. Partijen zijn het erover eens dat het verzoek om vermindering van de aanslagen volgens de wet is afgehandeld, en de rechtbank heeft geen reden daar anders over te oordelen. Dat de wet in het voorliggende geval onredelijk hard uitpakt, zoals de gemachtigde stelt, is niet aan de rechter om te beoordelen.
Eindconclusie
In het beroepschrift wordt terecht geklaagd over het uitblijven van besluiten, maar die besluiten zijn inmiddels genomen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet wel reden om verweerder opdracht te geven aan eisers het door hen betaalde griffierecht te vergoeden.”
De rechtbank heeft als volgt op het verzet en het beroep beslist:
“De rechtbank:
-
verklaart het verzet tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag gegrond;
-
verklaart het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen 2016 niet-ontvankelijk;
-
draagt verweerder op om aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 50 te vergoeden.”
3 Het hoger beroep
Procesverloop na de uitspraak van de rechtbank
[X] heeft een hogerberoepschrift ingediend gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend. De inspecteur heeft het Hof meegedeeld dat hij geen bezwaar heeft tegen het achterwege laten van een zitting. Het Hof heeft [X] bij brief van 21 mei 2025 laten weten dat het Hof overweegt om een zitting achterwege te laten, tenzij [X] daarom zou verzoeken. [X] heeft een dergelijk verzoek niet gedaan.
Bij bericht van 15 mei 2026 heeft het Hof [X] onder andere het volgende meegedeeld:
“Het gerechtshof Den Haag heeft op 17 februari 2026 uitspraken gedaan in hoger beroepen waarin u zich als gemachtigde had gesteld voor dezelfde belanghebbenden (te weten: erven van de op 15 mei 2014 overleden mevrouw [A] ). Het Hof verwijst naar de uitspraak in de zaak met nummer BK-24/1012, u wel bekend. In het in die uitspraak overwogene ziet het Hof aanleiding tot twijfel aan uw bevoegdheid op te treden namens de belanghebbenden in de bovenvermelde zaak.
De gedingstukken die zich thans in het dossier van deze zaak bevinden hebben deze twijfel niet weg kunnen nemen. Daarom verzoekt het Hof u op uw naam gestelde machtigingen in te dienen waaruit uw bevoegdheid blijkt om namens belanghebbenden op te treden in het thans voor het Hof dienende hoger beroep. De machtigingen dienen te zijn voorzien van een dagtekening niet ouder dan zes maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift in deze zaak.
Het Hof stelt u daarvoor een termijn van vier weken, gerekend vanaf de datum van dit schrijven. Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt kan het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het Hof het hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt.”
[X] heeft hierop gereageerd bij brief met dagtekening 12 juni 2026 met daarin bijgesloten een nieuw afschrift van de verklaring van executele van 30 mei 2016. Door [X] zijn de gevraagde machtigingen niet overgelegd. Hierop heeft het Hof, mede gelet op hetgeen in 3.1 is weergegeven, besloten de zaak zonder mondelinge behandeling af te doen en partijen bij brief van 1 juli 2026 partijen meegedeeld dat het Hof het onderzoek heeft gesloten en dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.
Vooraf
Het Hof beoordeelt allereerst of het door [X] beweerdelijk namens de erven ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek is aan de orde de vraag of [X] bevoegd is om namens alle erven hoger beroep in te stellen over (het uitblijven van een beslissing inzake) de ambtshalve vermindering van afzonderlijke aanslagen IB/PVV 2016.
Voor zover die vraag bevestigend wordt beantwoord, dient het Hof de in hoger beroep aangevoerde klachten te beoordelen.
Beoordeling van het geschil
Op grond van artikel 8:24, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter een schriftelijke machtiging verlangen van een gemachtigde die geen advocaat is, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is.
[X] is geen advocaat. Het dossier bevat naast een (in hoger beroep nogmaals ingediende) verklaring van executele, geen machtiging van (een van) de erven. Anders dan [X] kennelijk meent is de verklaring van executele niet toereikend om te mogen procederen namens elk van de individuele erven over een aan elk van hen opgelegde aanslag IB/PVV. Het Hof overweegt hiertoe als volgt.
Op grond van artikel 4:145, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het testament was [X] gedurende zijn beheer van de nalatenschap bij de vervulling van zijn taak bevoegd de erven in en buiten rechte te vertegenwoordigen. De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen (artikel 4:144, lid 1, BW). De aanslagen IB/PVV 2016, alsmede verzoeken tot ambtshalve vermindering daarvan, betreffen echter de persoonlijke premie- en belastingaangelegenheden van de respectieve erven. Het voeren van een gerechtelijke procedure daarover kan niet worden geschaard onder de taakomschrijving van de executeur en behoort derhalve niet tot diens bevoegdheden.
Het Hof heeft [X] gewezen op het ontbreken van de machtigingen en hem in de gelegenheid gesteld dit gebrek binnen een door hem daartoe gestelde termijn van vier weken te herstellen door alsnog de vereiste machtigingen in te brengen. Het Hof heeft hem daarbij gewezen op de mogelijkheid dat het hoger beroep bij het uitblijven daarvan niet-ontvankelijk verklaard kan worden (zie 3.2). [X] heeft daarop geen machtiging ingebracht (zie 3.3). Het Hof ziet hierin aanleiding het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, maar uitsluitend voor zover dit ziet op alle andere personen dan [X] zelf.
Op het in 3.5.4 vermelde oordeel geldt immers één uitzondering. [X] wordt ook zelf in het testament als erfgenaam genoemd (zie 1.1) en voor zover hij voor zichzelf optreedt behoeft hij geen machtiging. In zoverre is het hoger beroep bevoegdelijk ingesteld en dient geen niet-ontvankelijkverklaring te volgen. In zoverre [X] het hoger beroep namens zichzelf heeft ingesteld overweegt het Hof als volgt. Op de datum van de uitspraak van de rechtbank had de inspecteur inmiddels beslist op het verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2016 van [X] en had deze laatste derhalve niet langer een belang bij zijn beroep, ervan uitgaande dat dit beroep moest worden beschouwd als een beroep tegen het uitblijven van die beslissing, zoals de rechtbank klaarblijkelijk bedoelde te oordelen in ro. 2.6 van haar uitspraak (vergelijk ook ro. 3.3 van het verwijzingsarrest). Daarom heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het hoger beroep van [X] aldus moet worden verstaan dat het gericht is tegen het oordeel van de rechtbank dat geen belang meer bestaat bij het beroep, volgt het Hof de rechtbank in dat oordeel.
Het Hof voegt hieraan toe dat [X] tegen de bij hem toegepaste ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2016 in dit hoger beroep geen concrete gronden heeft aangevoerd; hij heeft volstaan met de opmerkingen dat de terugbetaalde loonheffing volledig dient te worden geretourneerd en geklaagd dat het gevolg is dat de in Canada woonachtige erfgenaam (dus niet [X] zelf) het nakijken heeft. Hij heeft daarbij geen enkel inzicht gegeven in de vermindering van de aan hem ( [X] ) opgelegde aanslag IB/PVV 2016 waarop hij recht meent te hebben en evenmin in de vermindering daarvan die hem is verleend.
Gelet op het overwogene in 3.5.5 en 3.5.6 dient het hoger beroep voor zover het betrekking heeft op de aan [X] opgelegde aanslag, ongegrond te worden verklaard.
Slotsom
Voor zover het hoger beroep ziet op de aanslag IB/PVV 2016 van [X] zelf is het ongegrond en dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd. Voor zover het hoger beroep ziet op de aanslagen IB/PVV 2016 van de overige erven dient het niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4 Kosten
Voor een kostenveroordeling is geen aanleiding.
5 Beslissing
Het Hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op het beroep gedaan namens [X] ; en
- verklaart het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, R.C.H.M. Lips en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 15 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
-
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: